‘Nee, nee, geen olifanten,’ zei Gollem opnieuw. ‘Sméagol heeft nooit van ze gehoord. Hij wil ze niet zien. Hij wil niet dat ze bestaan. Sméagol wil hiervandaan gaan en zich ergens schuilhouden waar het veiliger is. Sméagol wil dat meester weggaat. Aardige meester, wil hij niet met Sméagol meegaan?’
Frodo stond op. Hij had ondanks al zijn zorgen gelachen toen Sam het oude haardrijmpje over de Olifant opdreunde, en de lach had hem zijn aarzeling doen overwinnen. ‘Ik wou dat we duizend olifanten hadden met Gandalf op een witte voorop,’ zei hij. ‘Dan zouden we misschien dit boze land binnendringen. Maar we hebben ze niet; alleen maar onze eigen vermoeide benen, dat is alles. Nou, Sméagol, de derde weg zal misschien de beste blijken. Ik ga met je mee.’
‘Goede meester, wijze meester, aardige meester!’ riep Gollem verrukt uit, Frodo’s knieën aaiend. ‘Goede meester! Rust dan nu, aardige hobbits, in de schaduw van de stenen, vlak onder de stenen. Rust en blijf stilliggen tot het Gele Gezicht weggaat. Dan kunnen we vlug gaan. Zacht en vlug als schaduwen moeten we zijn!’
IV. Over kruiden en gestoofd konijn
Gedurende de paar uren daglicht die er nog over waren rustten zij, meedraaiend met de schaduw van de zon, tot de schaduw van de westelijke rand van hun schuilplaats ten slotte ging lengen, en duisternis de hele kuil vulde. Toen aten zij wat en dronken een weinig. Gollem at niets, maar hij aanvaardde het water met graagte.
‘Krijgen weldra meer nu,’ zei hij, terwijl hij zijn lippen aflikte. ‘Goed water loopt in stromen omlaag naar de Grote Rivier, lekker water in de landen waar we heen gaan. Sméagol zal daar ook eten krijgen, misschien. Hij heeft erge honger, ja gollem!’ Hij legde zijn twee grote platte handen op zijn verschrompelde buik en er verscheen een flets groen licht in zijn ogen.
Er heerste een diepe schemering toen zij eindelijk op weg gingen; zij kropen over de westelijke rand van de schuilplaats en verdwenen als geesten in het oneffen terrein langs de weg. Over drie nachten zou het vollemaan zijn, maar pas toen het bijna middernacht was, klom zij boven de bergen uit, en aan het begin van de nacht was het erg donker. Een enkel rood licht brandde hoog boven in de Torens van de Tanden, maar verder was er geen teken te zien of te horen van de slaaploze wacht op de Morannon. Vele mijlen scheen het rode oog naar hen te staren terwijl zij vluchtten, strompelend door een kaal, rotsachtig landschap. Zij durfden zich niet op de weg te begeven, maar lieten die links liggen, hem zo goed mogelijk op een afstand volgend. Ten slotte, toen de nacht ten einde liep en ze al moe waren, want zij hadden maar één keer een korte rustpauze gehouden, slonk het oog tot een kleine vurige stip en verdween toen; zij waren de donkere noordelijke rug van de lagere bergen overgestoken en gingen nu naar het zuiden.
Met vreemd opgeluchte harten rustten zij nu opnieuw, maar niet lang. Ze gingen niet vlug genoeg naar Gollems zin. Naar zijn schatting was het bijna negentig mijl van de Morannon naar de wegkruising boven Osgiliath, en hij hoopte die afstand in vier etappen af te leggen. Dus weldra zwoegden zij opnieuw voort tot de dageraad zich langzaam in de wijde grijze eenzaamheid begon te verspreiden. Zij hadden toen bijna vierentwintig mijl gelopen, en de hobbits zouden niet verder hebben kunnen gaan, ook al hadden zij gedurfd.
Het toenemende licht toonde hun een landschap dat al minder naakt en woest was. De bergen verrezen nog dreigend aan hun linkerkant, maar dichtbij konden zij nu de zuidelijke weg zien, die van de donkere uitlopers van de heuvels afboog en schuin naar het westen daalde. Daarachter waren hellingen bedekt met sombere bomen als donkere wolken, maar het werd helemaal omringd door een golvend heidelandschap, begroeid met struikheide, brem, kornoelje en andere gewassen die zij niet kenden. Hier en daar zagen zij bosjes hoge dennenbomen. Ondanks hun vermoeidheid kregen de hobbits weer enige moed: de lucht was fris en geurig en deed hen denken aan de hooglanden van het verre Noorderkwartier. Het was goed om uitstel van executie te krijgen, om door een land te lopen dat maar een paar jaar onder de heerschappij van de Zwarte Vorst was geweest en nog niet helemaal in verval was geraakt. Maar zij vergaten het gevaar niet waarin zij verkeerden, noch de Zwarte Poort, die nog al te dichtbij was, al was zij ook door de sombere hoogten aan het oog onttrokken. Zij keken rond naar een schuilplaats waar zij zich voor boze ogen konden verbergen zolang het licht was.
Het was een onrustige dag. Zij lagen diep in de heide en telden de trage uren waarin er weinig scheen te veranderen; want zij bevonden zich nog altijd onder de dreigingen van de Ephel Dúath, en de zon was omneveld. Frodo sliep af en toe, diep en vredig; óf hij vertrouwde Gollem, óf hij was te moe om zich om hem te bekommeren; maar Sam kon alleen maar wat dommelen, ook toen Gollem heel duidelijk vast in slaap was, snuivend en schokkend in zijn geheime dromen. Misschien was het eerder honger dan achterdocht die hem wakker hield: hij verlangde zeer naar een goede huiselijke maaltijd: ‘een stevige warme hap’.
Zodra het land onder de vallende nacht tot vormloos grijs verbleekte, gingen zij weer op pad. In korte tijd leidde Gollem hen naar omlaag naar de zuidelijke weg; en daarna ging het vlugger, hoewel het gevaar groter was. Hun oren waren gespitst op het geluid van hoeven of voetstappen op de weg voor of achter hen, maar de nacht verliep en zij hoorden geen geluid van wandelaar of ruiter.
De weg was in een ver verleden gemaakt, en over een afstand van misschien negentig mijl beneden de Morannon was hij opnieuw hersteld, maar naarmate hij verder zuidelijk liep, maakte de wildernis er inbreuk op. Het handwerk van mensen van weleer was nog zichtbaar in zijn rechte vaste loop en gelijkmatige oppervlak: af en toe liep hij tussen hellingen van heuvels door of leidde via een wijde, mooi gevormde boog van stevig metselwerk over een stroom, maar op het laatst vervaagden alle sporen van steenwerk, met uitzondering van hier en daar een gebroken zuil, die uit de bosjes aan de kant tevoorschijn kwam, of oude plavuizen die nog tussen het onkruid en mos zichtbaar waren. Heide, bomen en varens kwamen naar beneden en hingen over de bermen of verspreidden zich over de oppervlakte. Ten slotte was het niet meer dan een weinig gebruikte landweg; maar hij slingerde niet; hij behield zijn eigen zekere loop en leidde hen op de snelste manier verder.
Zo kwamen zij in de noordelijke gebieden van het land dat de mensen eens Ithilien hadden genoemd, een mooi land van hoog groeiende bossen en snel vallende stromen. De nacht werd helder onder sterren en ronde maan, en het scheen de hobbits toe dat de lucht geuriger werd naarmate zij verder kwamen. En uit het gepuf en gemompel van Gollem viel af te leiden dat hij er ook zo over dacht en er geen genoegen in schepte. Bij de eerste tekenen van de nieuwe dag hielden zij weer halt. Ze waren aan het einde van een lange holle weg gekomen, diep en met steile wanden in het midden, via welke de weg een steenachtige rand doorsneed. Nu klommen zij tegen de westelijke glooiing op en keken om zich heen.
De dag vouwde zich aan de hemel open, en zij zagen dat de bergen nu veel verder weg waren en in het oosten in een wijde bocht terugweken die in de verte verloren ging. Voor hen, toen zij naar het westen afsloegen, liepen zachte glooiingen in vage nevelen naar omlaag. Overal om hen heen stonden kleine bosjes harsachtige bomen: sparren, ceders en cipressen en andere soorten die in de Gouw onbekend waren, met daartussenin wijde open plekken, en overal was er een overvloed van zoetgeurende kruiden en struikgewas. De lange reis van Rivendel had hen ver ten zuiden van hun eigen land gebracht, maar pas nu, in deze meer beschutte streek, voelden de hobbits de verandering van klimaat. Hier was de lente al druk in de weer: varenblaadjes drongen door mos en aarde heen, lariksbomen wezen met groene vingers, kleine bloemen openden zich in het gras, vogels zongen. Ithilien, de tuin van Gondor, die nu woest was, bezat nog een verwarde, nimfachtige lieflijkheid.