Выбрать главу

Ze beëindigden hun maaltijd en Sam ging naar de stroom om zijn eetgerei af te spoelen. Toen hij opstond om terug te keren, keek hij langs de helling naar boven. Op dat ogenblik zag hij de zon boven de nevel of donkere schaduw uitkomen, of wat het ook was dat altijd in het oosten hing, en zij zond haar gouden stralen neer op de bomen en open plekken rondom hem. Toen zag hij een dun kringetje blauwgrijze rook, duidelijk zichtbaar toen het zonlicht erop speelde, dat uit een bosje boven hen opsteeg. Met een schok besefte hij dat dit de rook van zijn eigen kleine vuur was dat hij vergeten had te doven.

‘Dat kan niet! Had nooit gedacht dat het zo zichtbaar zou zijn,’ mompelde hij, en hij ging haastig terug. Plotseling bleef hij staan om te luisteren. Had hij horen fluiten of niet? Of was het de roep van een of andere vreemde vogel? Als het gefluit was, dan kwam het niet uit Frodo’s richting. Daar kwam het opnieuw van een andere plaats! Sam begon zo goed als hij kon tegen de heuvel op te rennen. Hij zag dat een klein stuk verkoold hout enige varens aan de rand van het vuur had doen vlamvatten en de brande nde varens hadden de plaggen aan het smeulen gemaakt. Haastig trapte hij de resten van het vuur uit, verspreidde de as en legde de plaggen op het gat. Toen kroop hij naar Frodo terug.

‘Hebt u gefluit gehoord en iets dat op een antwoord leek?’ vroeg hij. ‘Een paar minuten geleden. Ik hoop dat het alleen maar een vogel was, maar het klonk niet helemaal zo: het leek meer op iemand die de roep van een vogel nabootst, dacht ik. En ik vrees dat mijn vuur een beetje is gaan roken. Als ik ons moeilijkheden op de hals heb gehaald, zal ik het mezelf nooit vergeven. En zal misschien ook geen schijn van kans meer hebben!’

‘Ssst,’ fluisterde Frodo. ‘Ik dacht dat ik stemmen hoorde!’

De twee hobbits pakten hun kleine knapzakken op en hingen ze op de rug, klaar om te vluchten en kropen toen dieper de varens in. Daar bleven zij gebukt staan luisteren.

De stemmen waren onmiskenbaar. Ze spraken zacht en heimelijk, maar ze waren dichtbij en kwamen nader. Toen sprak er iemand heel duidelijk van vlakbij.

‘Hier! Hier is de rook vandaan gekomen!’ zei de stem, ‘’t Moet in de buurt zijn. In de varens ongetwijfeld. We zullen het als een konijn in de val hebben. Dan zullen we te weten komen wat voor wezen het is.’

‘Ja, en wat het weet!’ zei een tweede stem.

Meteen daarop kwamen vier mannen uit verschillende richtingen door de varens aanstappen. Omdat het niet mogelijk was te vluchten of zich te verschuilen, sprongen Frodo en Sam op, gingen met de ruggen tegen elkaar staan en trokken hun kleine zwaarden.

Als zij verbaasd waren om wat zij zagen, hun tegenstanders waren dat nog veel meer. Er stonden vier grote mensen. Twee hadden speren in de hand met brede schitterende punten. Twee hadden grote bogen, bijna even groot als zijzelf, en grote pijlkokers met lange groengevederde pijlen. Allen hadden zwaarden aan hun zijde en waren in verschillende tinten groen en bruin gekleed, alsof zij hiermee beter onopgemerkt in de bossen van Ithilien konden lopen. Hun handen staken in groene gepantserde handschoenen en hun gezichten waren bedekt met groene kappen en maskers, behalve hun ogen, die heel licht en scherp waren. Frodo dacht onmiddellijk aan Boromir, want deze mensen leken op hem wat houding, lengte en hun manier van spreken betrof.

‘We hebben gevonden wat we zochten,’ zei er een. ‘Maar wat hebben wij gevonden?’

‘Geen orks,’ zei een ander, en liet het gevest van zijn zwaard los, dat hij had beetgepakt toen hij de schittering van Prik in Frodo’s hand zag.

‘Elfen?’ vroeg een derde twijfelend.

‘Nee! Geen elfen,’ zei de vierde, de langste en, naar het bleek, hun aanvoerder. ‘Er lopen tegenwoordig geen elfen meer in Ithilien rond. En elfen zijn wonderbaarlijk mooi om te zien, zegt men.’

‘Wat betekent dat wij dat niet zijn,’ zei Sam. ‘Dank u vriendelijk. En wanneer u klaar bent met over ons te praten, zou u dan misschien eens willen zeggen wie u bent, en waarom u twee vermoeide reizigers niet kunt laten rusten?’

De lange in het groen geklede man lachte grimmig. ‘Ik ben Faramir,’ zei hij. ‘Kapitein van Gondor. Maar er zijn geen reizigers in dit land: alleen maar de dienaren van de Zwarte Toren, of van de Witte.’

‘Maar wij zijn geen van beide,’ zei Frodo. ‘Dus we zijn wel reizigers, wat kapitein Faramir ook moge zeggen!’

‘Schiet dan op en maak uzelf en het doel van uw reis bekend,’ zei Faramir. ‘Wij hebben veel te doen, en dit is noch de tijd noch de plaats voor raadselen of onderhandelingen. Kom! Waar is de derde van uw gezelschap?’

‘De derde?’

‘Ja, die gluiperige kerel die wij daar beneden met zijn neus in de poel zagen. Hij zag er onguur uit. Een soort orkse verspieder, vermoed ik, of een van hun schepselen. Maar hij is ons door een vossenstreek ontsnapt.’

‘Ik weet niet waar hij zit,’ zei Frodo. ‘Hij is slechts een toevallige metgezel die wij onderweg zijn tegengekomen, en ik ben niet verantwoordelijk voor hem. Als u hem tegenkomt, spaar hem dan. Breng hem of stuur hem naar ons toe. Het is maar een ongelukkige zwerver, maar ik heb hem enige tijd onder mijn hoede. Wat ons betreft, wij zijn hobbits uit de Gouw, ver in het noordwesten, achter vele rivieren. Frodo, zoon van Drogo, is mijn naam en dat is Sam Gewissies, zoon van Ham, een eerbiedwaardige hobbit, die bij mij in dienst is. Wij zijn van heel ver gekomen – uit Rivendel of Imladris zoals het ook wel wordt genoemd.’ Toen begon Faramir belangstelling te tonen. ‘Zeven metgezellen hadden wij: één zijn we in Moria kwijtgeraakt, de anderen hebben we bij Parth Galen, boven de Rauros achtergelaten – twee van mijn verwanten; en ook een dwerg en een elf, en twee mensen. Dat waren Aragorn, en Boromir, die zei dat hij uit Minas Tirith kwam, een stad in het zuiden.’

‘Boromir!’ riepen alle vier de mannen uit.

‘Boromir, zoon van Heer Denethor?’ vroeg Faramir, en er kwam een vreemde, strakke uitdrukking op zijn gezicht. ‘U bent met hem meegekomen? Dat is werkelijk nieuws. Weet, kleine vreemdelingen, dat Boromir, zoon van Denethor, Hoge Wachter van de Witte Toren en onze Kapitein-generaal was; wij missen hem erg. Wie bent u dan wel, en wat had u met hem te maken? Haast u, want de zon klimt al!’

‘Kent u de woorden van het raadsel dat Boromir naar Rivendel voerde?’ antwoordde Frodo.

Zoek naar het Zwaard, het Gebrokene, In Imladris leeft het voort.

‘Die woorden zijn mij inderdaad bekend,’ zei Faramir verbaasd. ‘Het is in ieder geval een bewijs van uw geloofwaardigheid dat u ze ook kent.’

‘Aragorn die ik noemde, is de drager van het Zwaard dat werd Gebroken,’ zei Frodo. ‘En wij zijn de halflingen waarvan sprake is in het rijm.’

‘Dat zie ik,’ zei Faramir nadenkend. ‘Of liever, ik zie dat dat zo zou kunnen zijn. En wat is Isildurs Vloek?’

‘Dat is geheim,’ antwoordde Frodo. ‘Ongetwijfeld zal het te zijner tijd worden geopenbaard.’

‘Wij moeten hier meer van horen,’ zei Faramir, ‘en weten wat u zo ver naar het oosten voert onder de schaduw van wat ginds ligt...’ Hij wees, maar sprak geen naam uit. ‘Maar nu niet. We hebben dingen te doen. U bent in gevaar, en u zou vandaag niet ver over veld of weg hebben kunnen gaan. Er zullen harde klappen vallen voor de dag om is. Daarna, de dood of een snelle vlucht terug naar de Anduin. Ik zal twee bewakers bij u achterlaten, voor uw welzijn en het mijne. De wijze vertrouwt niet op een toevallige ontmoeting onderweg in dit land. Als ik terugkeer, zal ik verder met u praten.’

‘Vaarwel!’ zei Frodo, met een diepe buiging. ‘Denk wat u wilt, ik ben een vriend van alle vijanden van de Ene Vijand. Wij zouden met u meegaan als wij halflingen konden hopen u te dienen, zulke dappere en sterke mannen als u schijnt, en als mijn opdracht het mij toestond. Moge het licht op uw zwaarden schijnen!’