‘Halflingen zijn beleefde lieden, wat zij verder ook mogen zijn,’ zei Faramir. ‘Vaarwel.’
De hobbits gingen weer zitten, maar zeiden niets tegen elkaar over hun gedachten en twijfels. Dichtbij, vlak onder de gespikkelde schaduwen van de donkere laurierbomen, bleven twee man op wacht staan. Zij namen nu en dan hun maskers af om zich te verkoelen toen de hitte van de dag toenam, en Frodo zag dat het goedaardige mannen waren, met een lichte huid, donker haar, met grijze ogen en droeve en trotse gezichten. Zij spraken op zachte toon met elkaar; aanvankelijk in de Gemeenschappelijke Spreektaal, maar zoals die in vroegere tijden werd gesproken, en gingen toen in een andere, eigen taal over. Tot zijn verbazing merkte Frodo, terwijl hij zat te luisteren, dat zij de elfentaal spraken, of een die er maar weinig van verschilde; en hij keek hen met verbazing aan, want hij wist toen dat het Dúnedain uit het zuiden moesten zijn, mensen die afstamden van de Heersers van Westernisse.
Na een poosje sprak hij tegen hen; maar zij waren traag en voorzichtig met antwoorden. Zij noemden zich Mablung en Damrod, soldaten van Gondor, en zij waren Dolers uit Ithilien, want zij stamden af van lieden die eens in Ithilien hadden gewoond voordat het onder de voet werd gelopen. Uit deze mannen had Heer Denethor zijn overvaltroepen gekozen, die de Anduin in het geheim overstaken (hoe of waar wilden zij niet zeggen), om de orks en andere vijanden die tussen de Ephel Dúath en de Rivier zwierven aan te vallen.
‘Het is precies dertig mijl van hier tot de oostelijke oever van de Anduin,’ zei Mablung, ‘en wij trekken er zelden zo ver op uit. Maar we hebben een nieuwe opdracht op deze reis: wij komen om de mensen van Harad aan te vallen. Vervloekt zijn ze!’
‘Ja, vervloekte zuiderlingen!’ zei Damrod. ‘Men zegt dat er vroeger omgang was tussen Gondor en de koninkrijken van de Harad in het Verre Zuiden; hoewel er nooit vriendschap heeft bestaan. In die tijd lagen onze grenzen in het zuiden nog voorbij de delta van de Anduin, en Umbar, het dichtstbijzijnde van hun rijken, erkende ons gezag. Maar dat is lang geleden. Het is vele mensenlevens geleden sinds er iemand tussen ons heen en weer is gereisd. Nu hebben we kort geleden gehoord dat de Vijand in hun midden is geweest, en zij zijn naar hem overgelopen, of naar hem teruggegaan – ze waren altijd al bereid om aan zijn wil te voldoen – zoals zovelen in het Oosten. Ik twijfel er niet aan dat de dagen van Gondor zijn geteld en de muren van Minas Tirith gedoemd zijn, zo groot zijn zijn kracht en boosaardigheid.’
‘Maar toch zitten we niet met de armen over elkaar om hem alles te laten doen waar hij zin in heeft,’ zei Mablung. ‘Deze vervloekte Zuiderlingen komen nu de oude wegen op marcheren om de legers van de Zwarte Toren te versterken. Ja, dezelfde wegen die de vaardigheid van Gondor tot stand brachten. En zij worden steeds roekelozer, hebben we gehoord, in de mening dat de macht van hun nieuwe meester groot genoeg is, zodat alleen al de schaduw van zijn heuvels hen zal beschermen. Wij komen om hen opnieuw een lesje te leren. Een paar dagen geleden hoorden wij dat er een groot aantal van hen op weg was naar het noorden. Een van hun regimenten moet volgens onze berekening hier tegen de middag langskomen – op de weg hierboven, waar die door het ravijn gaat. Hoewel de weg erdoor loopt, zal dat niet gebeuren! Niet zolang Faramir aanvoerder is. Hij is nu onze aanvoerder in alle gevaarlijke ondernemingen. Maar zijn leven is betoverd, of het lot spaart hem met een ander doel.’
Hun gesprek liep dood in een zwijgend luisteren. Alles scheen stil en waakzaam. Sam, die aan de rand van het varenbed hurkte, gluurde eroverheen. Met zijn scherpe hobbitogen zag hij dat er veel meer mensen in de buurt waren. Hij kon ze de heuvels op zien sluipen, alleen of in lange rijen, er steeds voor zorgend dat zij in de schaduw van een bosje of kreupelgewas bleven of, nauwelijks zichtbaar in hun bruine en groene kleren, door gras en varens kruipend. Allen droegen kappen en maskers en hadden gepantserde handschoenen aan, en waren gewapend zoals Faramir en zijn metgezellen. Het duurde niet lang voordat zij allen voorbij en verdwenen waren. De zon steeg aan de hemel tot zij bijna in het zuiden stond. De schaduwen krompen.
Ik vraag me af waar die vermaledijde Gollem zit, dacht Sam toen hij verder de schaduw in kroop. Hij loopt een goede kans als ork aan het spit geregen te worden, of om door het Gele Gezicht te worden geroosterd. Maar ik denk wel dat-ie goed zal oppassen. Hij ging naast Frodo liggen en sukkelde in slaap.
Hij werd wakker en dacht dat hij hoorns hoorde schallen. Hij ging rechtovereind zitten. Het was nu middag. De wachten stonden gespannen en waakzaam in de schaduw van de bomen. Plotseling klonken de hoorns nog luider en zonder enige twijfel van boven, over de top van de helling. Sam meende kreten en wild geschreeuw te horen, maar het geluid was vaag, alsof het uit een verre grot kwam. Toen, kort daarop, brak dichtbij het geluid van een gevecht los, vlak boven hun schuilplaats. Hij kon het snerpende gerinkel van staal op staal duidelijk horen, het gekletter van zwaard op ijzeren helm, de doffe klap van staal op schild; mannen waren aan het roepen en gillen, en een heldere, luide stem riep Gondor, Gondor!
‘Het klinkt alsof er honderd smeden tegelijkertijd aan het smeden zijn,’ zei Sam tegen Frodo. ‘Ze zijn trouwens dichterbij dan me lief is.’
Maar het lawaai kwam nog nader. ‘Ze komen eraan!’ riep Damrod. ‘Kijk, sommigen van de Zuiderlingen zijn uit de hinderlaag ontsnapt en vluchten de weg af. Daar gaan ze! Onze mannen zitten hen achterna, de Kapitein voorop!’ Sam, die er happig op was om meer te zien, voegde zich bij de wachten. Hij klauterde een eindje in een van de grotere laurierbomen. Een ogenblik zag hij een glimp van donkere mannen in het rood die een eindje verder de helling afrenden, met in het groen geklede krijgers achter zich aan, die hen neerhakten terwijl zij vluchtten. De lucht was bezaaid met pijlen. Plotseling viel er recht over de rand van de helling die hen beschermde een man, door de slanke bomen bijna boven op hen. Hij kwam in de varens een paar voet van hen vandaan neer, het gezicht naar de grond gekeerd; groene pijlen staken onder een gouden ketting uit zijn hals. Zijn purperen kleren waren aan flarden, zijn borstkuras van elkaar bedekkende koperen platen was opengereten en gescheurd; zijn zwarte tressen haar, met goud bijeengehouden, waren met bloed doordrenkt. Zijn bruine hand omklemde nog het gevest van een gebroken zwaard.
Het was de eerste keer dat Sam een gevecht van mensen tegen mensen zag, en hij vond het niet bepaald prettig. Hij was blij dat hij het gezicht van de dode niet kon zien. Hij vroeg zich af hoe hij heette en waar hij vandaan kwam, en of hij werkelijk boosaardig was, of welke leugens of bedreigingen hem op die lange mars van huis hadden doen gaan; en of hij daar eigenlijk niet liever in vrede zou zijn gebleven – dit alles in één flitsende gedachte, die snel verdreven werd. Want op hetzelfde ogenblik dat Mablung naar het gevallen lichaam stapte, brak er opnieuw lawaai los. Een geweldig gegil en geschreeuw. Daar tussendoor hoorde Sam een schril gebrul of getrompetter. En toen was er een hoop gebons en gestamp, alsof er grote rammen op de grond beukten.
‘Pas op! Pas op!’ riep Damrod tegen zijn metgezel. ‘Moge de Valar hem afwenden! Mûmak! Mûmak!’
Tot zijn verbazing en afgrijzen, en niet-aflatende verrukking, zag Sam een enorme gedaante door de bomen denderen en de helling af komen. Groot als een huis, veel groter dan een huis, leek zij hem, een grijsbegroeide bewegende heuvel. Vrees en verbazing maakten hem wellicht groter in de ogen van de hobbit, maar de Mûmak van Harad was inderdaad een beest van zeer grote omvang, wiens gelijke men nu niet meer in Midden-aarde aantreft; zijn verwanten die nog in de natijd leven, zijn slechts een flauwe afspiegeling van zijn omvang en majesteit. Hij kwam aanstormen, recht op de toeschouwers af en toen, op het laatste nippertje, zwenkte hij opzij en ging hen op slechts enkele meters voorbij terwijl hij de grond onder hun voeten deed schudden: zijn grote poten als bomen, enorme oren als zeilen uitgespreid, lange snuit opgeheven als een reusachtige slang, klaar om toe te slaan, zijn kleine rode ogen woedend. Zijn omhooggebogen hoornachtige slagtanden waren met banden van goud omwikkeld en dropen van het bloed. Zijn opschik van scharlaken en goud flapperde in wilde rafels om hem heen. De overblijfselen van wat een krijgstoren leek lagen op zijn deinende rug, vernield op zijn woedende doortocht door de bossen; en hoog op zijn nek klemde zich nog een kleine figuur vast; het lichaam van een machtige krijger, een reus onder de Zuiderlingen.