Выбрать главу

Het grote beest bolderde verder in zijn blinde woede, door poelen en bosjes stormend. Pijlen ketsten en sprongen zonder schade aan te richten van de driedubbeldikke huid van zijn flanken af. Mensen van beide partijen vluchtten voor hem uit, maar velen haalde hij in en vertrapte hij op de grond. Weldra was hij uit het zicht verdwenen, nog steeds trompetterend en in de verte stampend. Wat er van hem werd, kwam Sam nooit te weten: of hij ontsnapte en een tijdlang door de wildernis zwierf, tot hij ver van huis omkwam, of in een diepe kuil gevangen werd, of dat hij voortstormde tot hij in de Grote Rivier stortte en verzwolgen werd.

Sam haalde diep adem. ‘Het was een Olifant,’ zei hij. ‘Dus er bestaan olifanten, en ik heb er een gezien! Wat een leven! Maar niemand thuis zal mij ooit geloven. Nou, als dat voorbij is, zal ik wat gaan slapen.’

‘Slaap zo lang je kunt,’ zei Mablung. ‘Maar de Kapitein zal terugkomen als hij niet gewond is; en wanneer hij komt, zullen wij snel vertrekken. Wij zullen achtervolgd worden zodra het nieuws van onze daad de Vijand bereikt, en dat zal niet lang duren.’

‘Ga rustig, wanneer je moet,’ zei Sam. ‘Je hoeft mijn slaap niet te verstoren. Ik heb de hele nacht gelopen.’

Mablung lachte. ‘Ik denk niet dat de Kapitein je hier zal achterlaten, meester Gewissies,’ zei hij. ‘Maar dat zul je wel zien.’

V. Het venster op het westen

Het scheen Sam toe dat hij maar een paar minuten had zitten dommelen toen hij wakker werd en merkte dat het al laat in de middag was, en Faramir was teruggekomen. Hij had vele mannen met zich meegebracht; allen die de inval hadden overleefd waren nu op de helling dichtbij verzameld, twee- à driehonderd man. Zij zaten in een wijde halve cirkel; tussen de uiteinden ervan zat Faramir op de grond, terwijl Frodo voor hem stond. Het leek op een vreemde manier op het verhoor van een gevangene.

Sam kroop uit de varens tevoorschijn – niemand schonk enige aandacht aan hem – en nam plaats aan het einde van de rijen mannen, waar hij alles wat er gebeurde kon zien en horen. Hij keek en luisterde aandachtig, klaar om zo nodig zijn meester te hulp t e snellen. Hij kon Faramirs gezicht zien, dat nu geen masker droeg: het was streng en indrukwekkend, en er school een scherp verstand achter zijn onderzoekende blik. Twijfel stond te lezen in de grijze ogen, die Frodo vast aankeken.

Sam merkte al gauw dat de Kapitein Frodo’s verhaal over zichzelf op verschillende punten niet bevredigend vond; welke rol hij te vervullen had gehad in het Reisgenootschap dat uit Rivendel was vertrokken; waarom hij Boromir had verlaten en waar hij nu heen ging. Vooral over Isildurs Vloek kwam hij herhaaldelijk te spreken. Hij zag duidelijk dat Frodo een zaak van groot gewicht voor hem geheimhield.

‘Maar het was bij de komst van de halfling dat Isildurs Vloek zou ontwaken, of zo moeten die woorden althans worden uitgelegd,’ hield hij vol. ‘Als u die halfling bent waarvan sprake is, dan hebt u ongetwijfeld dit voorwerp, wat het ook moge zijn, meegenomen naar de Raad waarvan u spreekt, en daar heeft Boromir het gezien. Ontkent u dat?’

Frodo gaf geen antwoord. ‘Zo!’ zei Faramir. ‘Dan wil ik er meer van u over horen; want wat Boromir aangaat, gaat ook mij aan. Een orkpijl heeft Isildur gedood, zo luidt het in de oude verhalen. Maar er zijn veel orkpijlen, en de aanblik ervan zou Boromir van Gondor niet als een teken van het Lot hebben opgevat. Had u dit voorwerp in bewaring? Het is verborgen zegt u; maar komt dit niet omdat u verkiest om het verborgen te houden?’

‘Nee, niet omdat ik dat verkies,’ antwoordde Frodo. ‘Het behoort mij niet toe. Het behoort geen enkele sterveling toe, groot of klein; hoewel, als iemand er aanspraak op zou kunnen maken, dan zou dat Aragorn zijn, de zoon van Arathorn, van wie ik u verteld heb, de leider van ons Reisgenootschap van Moria naar Rauros.’

‘Waarom hij, en niet Boromir, prins van de Stad die de zonen van Elendil stichtten?’

‘Omdat Aragorn in rechte lijn van vaderskant afstamt van Isildur, die Elendils eigen zoon was. En het zwaard dat hij draagt was Elendils zwaard.’

Een verbaasd gemompel ging door de hele kring van mannen. Sommigen riepen luid uit: ‘Het zwaard van Elendil! Het zwaard van Elendil komt naar Minas Tirith! Groot nieuws!’ Maar Faramirs gezicht was onbewogen.

‘Misschien,’ zei hij. ‘Maar een dergelijke gewichtige aanspraak moet waar worden bevonden, en daar zijn duidelijke bewijzen voor nodig, als deze Aragorn ooit naar Minas Tirith komt. Hij, noch iemand anders van uw Gezelschap, was daar aangekomen toen ik zes dagen geleden vertrok.’

‘Boromir nam genoegen met deze aanspraak,’ zei Frodo. ‘Trouwens, als Boromir hier zou zijn, zou hij al uw vragen beantwoorden. En aangezien hij vele dagen geleden al bij de Rauros van plan was regelrecht naar uw stad te gaan, zult u de antwoorden daar misschien gauw vernemen, wanneer u terugkeert. Mijn rol in het Gezelschap was hem bekend, evenals alle anderen, want die werd mij door Elrond van Imladris in eigen persoon toegewezen, ten overstaan van de gehele Raad. Met deze opdracht kwam ik naar dit land, maar het is mij niet toegestaan haar aan iemand buiten het Gezelschap mede te delen. Maar zij die beweren weerstand te bieden aan de Vijand, zouden er goed aan doen haar niet in de weg te staan.’

Frodo sprak op trotse toon, wat hij ook voelde, en het had Sams instemming, maar het stemde Faramir niet tevreden.

‘Zo,’ zei hij. ‘U vraagt mij me met mijn eigen zaken te bemoeien en naar huis terug te keren en u met rust te laten. Boromir zal alles wel vertellen wanneer hij terugkomt. Wanneer hij komt zegt u! Was u een vriend van Boromir?’

De herinnering aan Boromirs aanval op hem kwam levendig in Frodo’s geest terug, en hij aarzelde een ogenblik. Faramirs ogen, die hem gadesloegen, kregen een hardere uitdrukking. ‘Boromir was een dapper lid van ons Gezelschap,’ zei Frodo ten slotte. ‘Ja, ik was zijn vriend, wat mij betreft.’

Faramir glimlachte grimmig. ‘Dan zou het u verdrieten te horen dat Boromir dood is.’

‘Dat zou mij inderdaad verdrieten,’ zei Frodo. Maar toen hij de blik in Faramirs ogen zag, begon hij te stamelen. ‘Dood?’ vroeg hij. ‘Bedoelt u dat hij werkelijk dood is, en dat u dat wist? U hebt geprobeerd mij in woorden te vangen, met mij te spelen? Of probeert u mij nu met een onwaarheid in de val te laten lopen?’

‘Ik zou zelfs een ork niet met een onwaarheid in de val laten lopen,’ zei Faramir.

‘Hoe is hij dan gestorven en hoe bent u het te weten gekomen? Want u zegt dat niemand van het Gezelschap in de stad was aangekomen toen u die verliet.’

‘Wat de manier waarop hij stierf betreft, had ik gehoopt dat zijn vriend en metgezel mij zou kunnen vertellen hoe dat in zijn werk is gegaan.’

‘Maar hij was in leven en gezond toen wij afscheid namen! Voorzover ik weet leeft hij nog. Hoewel er ongetwijfeld vele gevaren in de wereld zijn.’

‘Inderdaad vele,’ zei Faramir, ‘en verraad is zeker niet het minste.’

Sam was almaar ongeduldiger en bozer geworden door dit gesprek. Deze laatste woorden waren meer dan hij kon verdragen, en hij sprong de kring binnen en liep naar de zijde van zijn meester.

‘Neem me niet kwalijk, meneer Frodo,’ zei hij, ‘maar dit heeft lang genoeg geduurd. Hij heeft niet het recht om zo tegen u te praten. Na alles wat u hebt meegemaakt, zowel voor zijn heil en dat van al deze grote mensen, als voor ieder ander.