Выбрать главу

Toen wendde hij zich opnieuw tot Frodo en sprak weer op kalme toon.

‘Ik vermoed dat u op die vragen een antwoord zou kunnen geven, Frodo, zoon van Drogo. Maar niet hier of nu misschien. Maar opdat u niet denkt dat mijn verhaal op een visioen berust, zal ik u het volgende zeggen. De hoorn van Boromir is ten slotte werkelijk teruggekomen, en niet in fantasie. De hoorn kwam terug, maar hij was in tweeën gespleten, als door een bijl of zwaard. De stukken spoelden afzonderlijk op de oever aan: een is er tussen de rietstengels aangetroffen, waar de wachters van Gondor gelegen waren, ten noorden van waar de Entwas erin uitkomt; het andere stuk werd ronddraaiend op de stroom gevonden door iemand die daar iets te doen had. Een vreemd toeval, maar een moord komt altijd uit, zegt men. En nu ligt de hoorn van de oudste zoon in twee stukken op de schoot van Denethor, die op zijn hoge troon op nieuws zit te wachten. En u kunt mij niets vertellen over het splijten van de hoorn?’

‘Nee, daar wist ik niets van,’ zei Frodo. ‘Maar de dag waarop u haar hoorde schetteren was, als uw berekening klopt, de dag waarop wij scheidden, waarop ik en mijn bediende het Reisgenootschap verlieten. Maar nu vervult uw verhaal mij met angst. Want als Boromir toen in gevaar was en gedood werd, moet ik vrezen dat al mijn metgezellen zijn omgekomen. En zij waren mijn verwanten en vrienden...

Wilt u uw twijfel aan mij niet opzij zetten en mij laten gaan? Ik ben moe, vol smart en bang. Maar ik heb een daad te verrichten, of een poging te doen, voordat ook ik gedood word. En haast is meer geboden dan ooit als wij twee halflingen de enige overgeblevenen van ons Reisgenootschap zijn.

Ga terug, Faramir, dappere Kapitein van Gondor, en verdedig uw stad zolang dat mogelijk is, en laat mij nu gaan naar waar mijn lot mij brengt.’

‘Voor mij is er geen troost in wat wij hebben besproken,’ zei Faramir, ‘maar u maakt zich beslist banger dan nodig is. Tenzij de bewoners van Lórien zelf naar hem toe zijn gekomen en Boromir als voor een begrafenis hebben opgebaard. Geen orks of dienaren van de Naamloze. Sommigen van uw Gezelschap zijn nog in leven, neem ik aan.

Maar wat er ook in de Noordermark is gebeurd, aan u, Frodo, twijfel ik niet langer. Als moeilijke tijden mij bevoegd hebben gemaakt om de woorden en gezichten van mensen te beoordelen, dan is het mij wat halflingen betreft toegestaan om te gissen. Hoewel,’ en nu glimlachte hij, ‘er is iets vreemds aan u, Frodo, iets elfachtigs misschien. Maar er steekt meer in de woorden die wij hebben gewisseld dan ik eerst meende. Ik behoor u nu met mij mee terug te nemen naar Minas Tirith om daar tegenover Denethor rekenschap af te leggen, en mijn leven zal terecht verbeurd zijn als ik nu een koers kies die slecht voor mijn stad blijkt te zijn. Daarom zal ik niet overhaast beslissen wat er gedaan moet worden. Maar we moeten zonder verder verwijl hiervandaan.’

Hij sprong overeind en gaf enkele bevelen. Onmiddellijk verspreidden de mannen die om hem heen verzameld waren zich in kleine groepjes, en gingen her en der, snel in de schaduwen van de rotsen en bomen verdwijnend. Weldra waren slechts Mablung en Damrod overgebleven.

‘Frodo en Sam gaan met mij en mijn lijfwacht mee,’ zei Faramir. ‘Jullie kunnen niet in zuidelijke richting langs die weg gaan, als dat jullie bedoeling was. Hij zal enkele dagen lang onveilig zijn, en na deze schermutseling zorgvuldiger worden bewaakt dan ooit tevoren. En jullie kunnen in ieder geval vandaag niet ver komen, denk ik, want jullie zijn moe. En wij ook. Wij gaan nu naar een geheime schuilplaats van ons, nog geen tien mijl hiervandaan. De orks en spionnen van de Vijand hebben die nog niet gevonden, en als zij die zouden ontdekken, zouden wij er lang kunnen standhouden, zelfs tegen velen. Daar zullen wij ons een tijdje schuilhouden en rusten, en jullie met ons. In de ochtend zal ik besluiten wat het beste is om te doen, ook voor jullie.’

Frodo kon niet anders doen dan met dit verzoek of bevel instemmen. Het scheen hem voor het ogenblik in elk geval verstandig toe, aangezien de overval van de mensen van Gondor een reis door Ithilien gevaarlijker dan ooit had gemaakt.

Zij gingen meteen op weg: Mablung en Damrod een eindje vooruit, en Faramir met Frodo en Sam daarachter. Aan de kant van de poel waar de hobbits hadden gebaad, staken zij de stroom over, bestegen een lange rivieroever en kwamen in groen beschaduwde boslanden terecht, die steeds verder in westelijke richting en omlaag gingen. Terwijl zij liepen, zo snel als hobbits maar konden, spraken zij op gedempte toon.

‘Ik heb onze samenspraak afgebroken,’ zei Faramir, ‘niet alleen omdat de tijd drong, zoals meester Sam mij duidelijk heeft gemaakt, maar ook omdat we over zaken te spreken kwamen die beter niet in het openbaar en ten overstaan van vele mannen kunnen wo rden besproken. Om die reden sprak ik liever over mijn broer en liet ik Isildurs Vloek rusten. Je was niet helemaal eerlijk tegenover mij, Frodo.’

‘Ik heb geen leugens verteld, en van de waarheid zoveel ik kon,’ zei Frodo.

‘Ik verwijt je niets,’ zei Faramir. ‘Je hebt bekwaam op een moeilijke plaats gesproken, en wijs, naar het mij voorkwam. Maar ik ben meer van je te weten gekomen of heb meer van je geraden dan je woorden zeiden. Je stond niet op vriendschappelijke voet met Boromir, of je hebt niet in vriendschap afscheid genomen. Jij, en meester Sam ook, vermoed ik, koesteren een of andere grief. Nu, ik hield heel veel van hem en zou zijn dood graag wreken, maar ik kende hem goed. Isildurs Vloek – ik zou durven wedden dat Isildurs Vloek tussen jullie beiden lag en een reden van onenigheid in uw Gezelschap was. Het is duidelijk dat het een of ander machtig erfstuk is, en dergelijke dingen brengen geen vrede tussen lotgenoten voort, tenminste niet als er enige lering uit oude verhalen te trekken valt. Heb ik niet in de buurt van de roos geschoten?’

‘Dichtbij,’ zei Frodo. ‘Maar niet erin. Er was geen onenigheid in ons Gezelschap, hoewel er twijfel was: twijfel welke weg wij van de Emyn Muil zouden nemen. Maar hoe ’t ook zij, oude verhalen leren ons ook het gevaar van haastige woorden over dingen als – erfstukken.’

‘Ha, dan is het zoals ik dacht: je hebt alleen moeilijkheden met Boromir gehad. Hij wilde dat dit voorwerp naar Minas Tirith zou worden gebracht. Helaas, het is een boos lot dat de lippen verzegelt van jou, die hem het laatst zag en mij onthoudt wat ik wil weten: wat er die laatste uren in zijn hart en gedachten omging. Of hij gedwaald heeft of niet, hiervan ben ik zeker: hij is een goede dood gestorven terwijl hij iets goeds verrichtte. Zijn gezicht was zelfs nog mooier dan toen hij leefde.

Maar, Frodo, ik heb je eerst het vuur na aan de schenen gelegd over Isildurs Vloek. Vergeef me! Het was niet verstandig op zo’n tijd en plaats. Ik had geen tijd gehad om na te denken. Wij hadden een zwaar gevecht geleverd, en er was meer dan genoeg om mijn geest bezig te houden. Maar terwijl ik met je sprak, kwam ik dichter bij het doel en schoot er daarom opzettelijk verder naast. Want je moet weten dat nog veel van de oude kennis onder de Regeerders van de stad bewaard is gebleven, die niet naar buiten bekend is geworden. Wij van mijn huis stammen niet van de lijn van Elendil af, hoewel wij het bloed van Númenor in de aderen hebben. Want wij gaan met onze afstamming terug tot Mardil, de goede stadhouder, die in plaats van de koning regeerde toen die ten strijde trok. En dat was koning Eärnur, de laatste van de lijn van Anárion, die kinderloos was, en hij keerde nooit terug. En sinds die dag hebben de stadhouders de stad geregeerd, hoewel het vele mensengeneraties geleden was.

En dit herinner ik mij van Boromir toen hij een jongen was, toen wij samen het verhaal van onze vorsten en de geschiedenis van onze stad leerden, dat het hem altijd misnoegde dat zijn vader geen koning was. “Hoeveel honderden jaren zijn er voor nodig om een stadhouder tot koning te maken, als de koning niet terugkeert?” vroeg hij. “Weinige jaren misschien op andere plaatsen waar het koningschap minder telt,” antwoordde mijn vader dan. “In Gondor zouden tienduizend jaren nog niet genoeg zijn.” Ach, arme Boromir. Zegt dat je niets over hem?’