Выбрать главу

‘Inderdaad,’ zei Frodo. ‘Toch heeft hij Aragorn altijd met eerbied bejegend.’

‘Ik twijfel er niet aan,’ zei Faramir. ‘Als hij overtuigd was van de rechtmatigheid van Aragorns aanspraak, zoals gezegd, zou hij hem ten zeerste eerbiedigen. Maar de nood was nog niet aan de man gekomen. Ze hadden Minas Tirith nog niet bereikt en waren nog geen rivalen geworden in haar oorlogen.

Maar ik dwaal af. Wij van het huis van Denethor bezitten krachtens onze lange traditie veel oude kennis, en bovendien zijn er veel dingen bewaard gebleven in onze schatten: boeken en aantekeningen, geschreven op vergaan perkament, ja, en op steen en op zilveren en gouden bladeren, in verschillende lettertekens. Sommige kan nu niemand meer lezen; en wat de andere betreft, weinigen slaan ze tegenwoordig nog op. Ik kan er een weinig in lezen, want ik heb onderwijs genoten. Het waren deze documenten die de Grijze Pelgrim tot ons voerden. Ik zag hem voor de eerste keer als kind, en sindsdien is hij twee of drie keer geweest.’

‘De Grijze Pelgrim?’ vroeg Frodo. ‘Had hij een naam?’

‘Mithrandir noemden wij hem, op elfenwijze,’ zei Faramir, ‘en hij was daar tevreden mee. Vele zijn mijn namen in vele landen, zei hij. Mithrandir onder de elfen, Tharkûn voor de dwergen; Olórin heette ik in mijn jeugd in het Westen dat vergeten is, in het Zuiden Incánus, in het Noorden Gandalf: naar het Oosten ga ik niet.

‘Gandalf!’ zei Frodo. ‘Ik dacht al dat hij het was. Gandalf de Grijze, de dierbaarste raadgever. Leider van ons Reisgenootschap. Wij hebben hem in Moria verloren.’

‘Wat, Mithrandir verloren?’ zei Faramir. ‘Een boos noodlot schijnt je Reisgenootschap te hebben achtervolgd. Het is werkelijk moeilijk te geloven dat iemand met zoveel wijsheid en macht – want veel wonderbaarlijke dingen heeft hij onder ons verricht – kon omkomen en zoveel kennis aan de wereld worden ontrukt. Ben je er zeker van dat hij je niet alleen maar heeft verlaten om te gaan waar hij wilde?’

‘Helaas! Ja,’ zei Frodo. ‘Ik heb hem in de afgrond zien neerstorten.’

‘Ik begrijp dat hier een groot verhaal van ontzetting achter zit,’ zei Faramir, ‘dat je mij misschien in de avonduren zult willen vertellen. Deze Mithrandir was, vermoed ik nu, meer dan een grote wijze; een grote drijvende kracht voor de daden, die in onze tijd worden verricht. Als hij bij ons was geweest om te raadplegen wat de harde woorden van onze droom betreft, had hij ze ons duidelijk kunnen maken zonder dat er een boodschapper voor nodig was. Maar misschien zou hij het niet gedaan hebben, en was Boromirs reis gedoemd. Mithrandir heeft nooit met ons gesproken over wat er zou gebeuren, en ook heeft hij zijn doeleinden nooit onthuld. Hij kreeg verlof van Denethor, hoe weet ik niet, om de geheimen van onze schatkamers in ogenschouw te nemen, en ik heb een weinig van hem geleerd wanneer hij wilde onderwijzen (en dat was zelden). Hij onderzocht altijd alles en placht ons bovenal te ondervragen over de Grote Slag die in de begintijd van Gondor op de Dagorlad werd geleverd toen hij, die wij niet noemen, werd omvergeworpen. En hij was verlangend naar verhalen over Isildur, hoewel wij hem daarover minder konden vertellen, want wij hebben nooit iets met zekerheid over zijn dood geweten.’

Nu dempte Faramir zijn stem tot gefluister. ‘Maar dit heb ik vernomen of vermoed, en ik heb het sindsdien altijd als geheim in mijn hart bewaard: dat Isildur iets uit de hand van de Ongenoemde nam, voor hij Gondor verliet, en nooit meer onder stervelingen werd gezien. Ik dacht dat hier het antwoord was op Mithrandirs vragen. Maar toentertijd scheen het een zaak die alleen de zoekers naar oude kennis aanging. En ook toen wij de raadselachtige woorden van onze droom bespraken dacht ik niet aan Isildurs Vloek als zijnde hetzelfde voorwerp. Want Isildur werd in een hinderlaag gelokt en door orkpijlen gedood, volgens de enige legende die wij kenden, en Mithrandir had mij nooit meer verteld.

Wat dit Ding in werkelijkheid is, kan ik niet raden, maar het moet een machtig en gevaarlijk erfstuk zijn. Een verderfelijk wapen, wellicht, ontworpen door de Zwarte Heerser. Als het iets was dat hem tot voordeel in het gevecht strekte, kan ik mij levendig indenken dat Boromir, de trotse en onbevreesde, vaak haastig, altijd verlangend naar de overwinning van Minas Tirith (en daarmee zijn eigen glorie) een dergelijk voorwerp zou begeren en erdoor worden verleid. Ach, dat hij die reis ooit ondernam. Ik had door mijn vader en de ouderlingen moeten worden gekozen, maar hij stelde voor om zelf te gaan, omdat hij – en terecht – ouder en geharder was, en hij was niet tegen te houden.

Maar heb geen angst meer! Ik zou dit voorwerp niet nemen, al lag het op de weg. Ook niet als Minas Tirith ten onder zou gaan en ik haar alleen kon redden, het wapen van de Zwarte Vorst voor haar welzijn en eigen roem gebruikend. Nee, Frodo zoon van Dro go, ik begeer dergelijke triomfen niet.’

‘De Raad ook niet,’ zei Frodo, ‘en ik evenmin. Ik wil niets te maken hebben met dergelijke aangelegenheden.’

‘Wat mijzelf betreft,’ zei Faramir, ‘ik zou de Witte Boom weer willen zien bloeien in de lusthoven van de koningen, en de Zilveren Kroon zien terugkeren en vrede in Minas Tirith willen zien: Minas Anor weer als vroeger, vol licht, hoog en mooi, mooi als een koningin onder koninginnen, niet een meesteres van vele slaven, nee, zelfs geen zachtmoedige meesteres over gewillige slaven. Oorlog is onvermijdelijk als wij onze levens verdedigen tegen een vernietiger die alles wil opslokken, maar ik houd niet van het glinsterende zwaard om zijn scherpte en ook niet van de pijl om haar snelheid of van de krijger om zijn roem. Ik houd alleen van datgene wat zij verdedigen: de stad van de mensen van Númenor; en ik zou willen dat men haar liefhad om haar geschiedenis, haar ouderdom, haar schoonheid en haar huidige wijsheid. Niet gevreesd, behalve zoals mensen de waardigheid van een wijze en oude man vrezen.

Dus vrees mij niet! Ik vraag u niet mij meer te vertellen. Ik vraag je zelfs niet om mij te zeggen of mijn woorden nu dichter bij de waarheid zijn. Maar als je me wilt vertrouwen, kan ik je misschien raad geven in je huidige queeste – welke die ook moge zijn – ja, en je zelfs helpen.’

Frodo gaf geen antwoord. Bijna gaf hij toe aan het verlangen naar hulp en raad, om deze ernstige jongeling, wiens woorden zo wijs en mooi klonken, alles wat hem bezighield te vertellen. Maar iets weerhield hem ervan. Zijn hart was zwaar van angst en smart: als hij en Sam werkelijk, zoals waarschijnlijk leek, de enigen van de Negen Lopers waren die over waren, dan was hij de enige aan wie het geheim van hun missie toebehoorde. Het was beter onverdiende woorden dan overhaaste te wantrouwen. En de herinnering aan Boromir, aan de afschuwelijke verandering die de aantrekkingskracht van de Ring in hem had teweeggebracht, was sterk aanwezig in zijn gedachten toen hij Faramir aankeek en naar zijn stem luisterde: zij leken niet op elkaar, maar toch waren zij elkaar zeer verwant.

Een tijdje liepen ze zwijgend verder, als grijze en groene schaduwen onder de oude bomen, zonder dat hun voeten geluid maakten. Boven hun hoofden zongen vele vogels, en de zon schitterde op het gepolijste dak van donkere bladeren in de altijdgroene bossen van Ithilien.

Sam had niet aan het gesprek deelgenomen, hoewel hij had geluisterd, maar tegelijkertijd had hij met zijn scherpe hobbitoren op alle zachte bosgeluiden om hen heen gelet. Hij had één ding opgemerkt: dat tijdens het hele gesprek de naam Gollem niet één keer was genoemd. Hij was blij, hoewel hij voelde dat het te veel was om te hopen dat hij hem nooit meer zou horen. Ook merkte hij spoedig dat er, hoewel zij alleen liepen, vele mannen in de buurt waren: niet alleen Damrod en Mablung, die in de schaduwen voor hen uit verdwenen en weer opdoken, maar anderen aan hun zijde, die allen snel en geheimzinnig op weg waren naar een afgesproken plaats.