Выбрать главу

Maar de stadhouders waren wijzer en gelukkiger. Wijzer omdat zij de kracht van ons volk uit de sterke lieden van de zeekust rekruteerden, en uit de harde bergbewoners van de Ered Nimrais. En zij sloten een wapenstilstand met de trotse volken van het Noorden, die ons vaak hadden aangevallen, mensen van felle dapperheid, maar toch in de verte aan ons verwant, in tegenstelling tot de wilde Oosterlingen of de wrede Haradrim.

Zo geviel het in de dagen van Cirion, de Twaalfde Stadhouder (en mijn vader is de Zesentwintigste), dat zij ons te hulp reden en op het grote veld van Celebrant onze vijanden versloegen, die onze noordelijke provincies in bezit hadden genomen. Dat zijn de Rohirrim, zoals wij hen noemen, meesters van paarden, en wij stonden aan hen de velden van Calenardhon af, die sindsdien Rohan worden genoemd; want die provincie was lange tijd dunbevolkt geweest. En zij werden onze bondgenoten, en hebben altijd trouw aan ons betoond, ons te hulp komend in geval van nood en onze noordelijke marken en de Kloof van Rohan bewakend.

Van onze kennis en manieren hebben zij dat wat hun beliefde overgenomen, en hun heersers spreken zo nodig onze taal; maar voor het grootste deel houden zij zich aan de manieren van hun eigen voorvaderen en aan hun eigen herinneringen, en onder elkaar spreken zij hun eigen noordelijke taal. En wij houden van hen; grote mannen en mooie vrouwen, beiden even dapper, met blonde haren, heldere ogen en sterk; zij herinneren ons aan de jeugd van de mensen, zoals die waren in de Oudste Tijden. Onze wijzen zeggen dat zij vanouds deze verwantschap met ons hebben, dat zij van dezelfde Drie Huizen der mensen afstammen als de oorspronkelijke Númenoreanen, misschien niet van Hador de Goudharige, de elfenvriend, maar dan toch van diegenen van zijn zonen en volk die niet over zee naar het Westen gingen, weigerend aan de oproep gehoor te geven.

Want aldus beoordelen wij de mensen in onze kennis: de Hogen, of de mensen uit het Westen, die Númenoreanen waren; de Midden-Volken, mensen van de Schemering, zoals de Rohirrim en hun verwanten die nog in het Noorden wonen; en de Wilden, de mensen van de Duisternis.

Toch, als de Rohirrim in sommige opzichten meer op ons zijn gaan lijken, groter geworden in kunsten en vriendelijkheid, dan zijn wij ook meer op hen gaan lijken en kunnen nauwelijks nog aanspraak maken op de benaming Hoog. Wij zijn mensen van het Midden geworden, van de Schemering, maar met de herinnering aan andere dingen. Want evenals de Rohirrim houden wij nu van oorlog en dapperheid als dingen die op zichzelf goed zijn, zowel een sport als een doel; en hoewel wij nog altijd van mening zijn dat een krijgsman nog meer bekwaamheden en kennis moet bezitten dan alleen die van de wapenkunde en het doden, slaan wij een krijger niettemin hoger aan dan andere ambachtslieden. Dat is de behoefte van onze tijd. Zo was ook mijn broeder Boromir: een moedig man, en daarvoor werd hij als de beste man in Gondor beschouwd. Want hij was bijzonder moedig: geen enkele andere erfgenaam van Minas Tirith heeft zich jarenlang zo onversaagd ingespannen, stond altijd zo vooraan in de slag, of blies een machtiger noot op de Grote Hoorn.’ Faramir zuchtte en zweeg enige tijd.

‘In uw verhalen zegt u niet veel over de elfen, heer,’ zei Sam, die plotseling moed vatte. Hij had gemerkt dat Faramir met eerbied over de elfen scheen te spreken en dit had, meer nog dan zijn hoffelijkheid en zijn eten en wijn, Sams eerbied afgedwongen e n zijn achterdocht doen afnemen.

‘Nee, daar heb je gelijk in, meester Sam,’ zei Faramir, ‘want ik ben niet erg goed bekend met de elfenkunde. Maar daar raak je nog een ander punt waarop wij zijn veranderd, van Númenor tot Middenaarde vervallend. Want zoals je misschien weet, aangezien Mithrandir jullie metgezel was en jullie met Elrond de Edain hebben gesproken, hebben de Vaderen van de Númenoreanen zij aan zij met de elfen in de eerste oorlogen gevochten, en werden beloond met het geschenk van het koninkrijk in het midden van de Zee, binnen het zicht van de Elfenwoon. Maar in Midden-aarde raakten de mensen en elfen in de dagen der duisternis van elkaar vervreemd als gevolg van de listen van de Vijand, en door de langzame veranderingen van de tijd, waarin elke soort zich verder van hun gescheiden wegen verwijderde. De mensen vrezen en wantrouwen de elfen nu, maar weten niettemin weinig van hen af. En wij uit Gondor worden als andere mensen, zoals de mensen uit Rohan; want zelfs zij, die vijanden van de Zwarte Vorst zijn, mijden de elfen en spreken angstig over het Gouden Woud.

Toch zijn er nog onder ons die omgang met de elfen hebben wanneer zij kunnen, en af en toe gaat er een in het geheim naar Lothlórien en keert zelden weer. Ik niet. Want ik acht het nu gevaarlijk voor sterfelijke mensen om het Oudste Volk doelbewust op te zoeken. Maar toch benijd ik je dat je met de Witte Vrouwe hebt gesproken.’

‘De Vrouwe van Lórien! Galadriel!’ riep Sam uit. ‘U moest haar eens zien, werkelijk, heer. Ik ben maar een hobbit, en tuinieren is mijn stiel thuis, heer, als u me vat, en ik ben niet erg goed in poëzie – wat het maken ervan betreft; een komisch rijm misschien af en toe, weet u, maar geen echte poëzie – dus ik kan u niet vertellen wat ik bedoel. Het zou moeten worden bezongen. U zou ervoor naar Stapper moeten. Aragorn bedoel ik, of de ouwe meneer Bilbo. Maar ik wou dat ik een lied op haar kon maken. Ze is beeldschoon, meneer. Lieflijk! Soms als een grote boom in bloei, soms als een witte narcis, klein en slank zogezeid. Hard als diamanten, zacht als maanlicht. Warm als zonlicht, koud als vorst in de sterren. Trots en ver weg als een sneeuwberg, en even vrolijk als het eerste het beste meisje dat ik ooit met meizoentjes in haar haren in de lente heb gezien. Maar dat is een heleboel onzin, en helemaal niet wat ik bedoel.’

‘Dan moet ze werkelijk heel mooi zijn,’ zei Faramir. ‘Gevaarlijk mooi.’

Gevaarlijk weet ik nog zo net niet,’ zei Sam. ‘Mij dunkt dat lieden hun eigen gevaar met zich meebrengen naar Lórien, en het daar ontdekken omdat ze het hebben meegebracht. Maar misschien zou u haar gevaarlijk noemen, omdat zij in zichzelf zo sterk is. Je zou jezelf tegen haar stuk kunnen stoten, als een schip op een rots; of jezelf verdrinken, als een hobbit in een rivier. Maar rots noch rivier zou er de schuld van zijn. Neem Boro –.’ Hij zweeg en kreeg een kop als vuur.

‘Ja? Neem Boromir wou je zeggen?’ zei Faramir. ‘Wat wou je zeggen? Dat hij zijn gevaar met zich meebracht?’

‘Ja, meneer, als u me niet kwalijk neemt, en uw broer was een prachtvent, als u me toestaat. Maar u bent de hele tijd op het goede spoor geweest, ik heb Boromir gadegeslagen en naar hem geluisterd, van Rivendel de hele weg – om op mijn meester te passen, zoals u zult begrijpen, en niet omdat ik kwaad in de zin had tegenover Boromir – en naar mijn mening zag hij in Lórien voor de eerste keer duidelijk wat ik eerder vermoedde: wat hij begeerde. Van het ogenblik af waarop hij hem voor de eerste keer had gezien, begeerde hij de Ring van de Vijand!’

‘Sam!’ riep Frodo ontsteld. Hij was een tijdje diep in zijn eigen gedachten verzonken geweest en schrok er plotseling, maar te laat uit op.

‘Gossie!’ zei Sam, die van kleur verschoot en toen hoogrood aanliep. ‘Daar heb je mij weer. Telkens wanneer jij je grote waffel opendoet, bega je een stommiteit, zei de Gabber altijd tegen me, en volkomen terecht. O jemig. O jeminee!

Nu, kijk eens hier, heer!’ Hij draaide zich om en keek Faramir aan met alle moed die hij kon verzamelen. ‘Maak geen misbruik van m’n meester omdat z’n bediende een dwaas is. U hebt de hele tijd erg mooi gesproken en me onachtzaam gemaakt door over elfe n en zo te spreken. Maar knap van buiten is nog niet knap van binnen, zeggen wij. Nu hebt u de kans om te tonen wie u bent.’