Выбрать главу

‘Daar ziet het naar uit,’ zei Faramir, langzaam en heel zacht, met een raadselachtige glimlach. ‘Dus dat is het antwoord op alle raadselen! De Ene Ring die, naar men meende, van de aardbodem verdwenen was! En Boromir probeerde hem met geweld te bemachtigen? En jullie ontkwamen? En renden dat hele eind – naar mij toe! En hier in de wildernis heb ik jullie: twee halflingen en een leger mensen beschikbaar, en de Ring der ringen. Een geweldig geluk! Een kans voor Faramir, Kapitein van Gondor, om te laten zien wie hij is! Ha!’ Hij stond op, heel groot en streng, terwijl zijn grijze ogen glinsterden.

Frodo en Sam sprongen van hun krukjes op en gingen naast elkaar met de rug tegen de muur staan, naar hun gevesten zoekend. Er viel een stilte. Alle mannen in de grot hielden op met praten en keken verwonderd naar hen. Maar Faramir ging weer op zijn stoel zitten en begon zacht te lachen, en werd toen plotseling weer ernstig.

‘Wee, Boromir! Het was een te zware beproeving!’ zei hij. ‘Hoezeer hebben jullie mijn smart doen toenemen, jullie, twee vreemde zwervers uit een ver land, het gevaar der mensen met je meebrengend! Maar jullie zijn nog slechtere beoordelaars van mensen dan ik van halflingen. Wij spreken de waarheid, wij mensen uit Gondor. Wij snoeven zelden, maar handelen of sterven in ons pogen. Ik zou dit voorwerp niet nemen, al lag het op de weg, zei ik. Zelfs als ik iemand was die dit voorwerp begeerde, en ook al wist ik niet ten volle wat dit voorwerp was toen ik deze woorden sprak, zou ik die woorden toch als een belofte opvatten en mij erdoor gebonden achten.

Maar zo iemand ben ik niet. Of ik ben wijs genoeg om te weten dat er gevaren zijn waarvoor een man moet vluchten. Ga in vrede zitten! En wees gerustgesteld, Sam Gewissies. Als je denkt dat je gestruikeld bent, bedenk dan dat dat je noodlot was. Je hart is slim, maar ook trouw, en zag duidelijker dan je ogen. Want vreemd als het mag schijnen, het was veilig me dit te vertellen. Het zal misschien de meester van wie je houdt, helpen. Het zal gunstig voor hem blijken, als dit in mijn macht ligt. Dus wees gerust. Maar noem dit ding nooit meer hardop. Eén keer is genoeg.’

De hobbits gingen weer naar hun zetels terug en bleven heel stil zitten. De mensen keerden naar hun drank en gesprek terug toen zij merkten dat hun aanvoerder een grap met de kleine gasten had uitgehaald, en dat dit voorbij was.

‘Welnu, Frodo, nu begrijpen wij elkaar eindelijk,’ zei Faramir. ‘Als je deze zaak op je hebt genomen, tegen je wil, op verzoek van anderen, dan ben ik je medelijden en eerbied verschuldigd. En ik verbaas mij over je: dat je het verborgen houdt en niet gebruikt. Jullie zijn een nieuw volk en een nieuwe wereld voor mij. Zijn al je soortgenoten als jij? Je land moet wel een rijk van vrede en tevredenheid zijn, en tuinlieden moeten er wel in hoog aanzien staan.’

‘Niet alles is er goed,’ zei Frodo, ‘maar tuinlieden staan inderdaad in aanzien.’

‘Maar het volk moet daar verveeld raken, zelfs in hun tuinen, zoals alle dingen onder de zon van deze wereld. En jullie zijn ver van huis en moe van de reis. Genoeg voor vanavond. Slaap, beiden, in vrede, als je kunt. Heb geen vrees! Ik wil het niet zien of aanraken of er meer over weten dan ik al weet (hetgeen genoeg is), opdat het gevaar niet op mijn weg komt en ik de proef minder goed doorsta dan Frodo, zoon van Drogo. Ga nu rusten, maar zeg mij alleen eerst nog, als je wilt, waar jullie heen willen gaan en wat jullie willen doen. Want ik moet waken en wachten, en nadenken. De tijd schrijdt voort. In de ochtend moet elk van ons vlug de ons voorgeschreven weg vervolgen.’

Frodo had gevoeld dat hij trilde toen de eerste schok van angst voorbij was. Nu overviel hem een zware vermoeidheid als een wolk. Hij kon niet langer veinzen en weerstand bieden.

‘Ik was van plan een weg naar Mordor te zoeken,’ zei hij zwak. ‘Ik was op weg naar Gorgoroth. Ik moet de Vuurberg vinden en het ding in de afgrond van Doem werpen. Dat heeft Gandalf gezegd. Ik denk niet dat ik daar ooit zal komen.’

Faramir staarde hem een ogenblik met diepe verbazing aan. Toen ving hij hem plotseling terwijl hij wankelde, tilde hem voorzichtig op, droeg hem naar het bed, en legde hem daarop neer, en dekte hem warm toe. Hij viel onmiddellijk in een diepe slaap.

Er werd nog een bed naast hem neergezet voor zijn bediende.

Sam aarzelde een ogenblik en maakte toen een heel diepe buiging: ‘Goedenacht, Kapitein, mijn heer,’ zei hij. ‘U hebt het risico genomen, heer.’

‘Werkelijk?’ vroeg Faramir.

‘Ja heer, en u hebt uw kwaliteiten getoond: de allerhoogste.’

Faramir glimlachte. ‘Een vrijpostige dienaar, meester Sam. Maar nee, de lof van de lofwaardigen gaat de hoogste beloning te boven. Toch viel hier niets aan te loven. Ik voelde geen verleiding of verlangen om anders te handelen dan ik deed.’

‘Nu, goed, heer,’ zei Sam, ‘maar u zei dat mijn meester iets elfs had, en dat was goed en waar. Maar ik kan dit zeggen: er is ook iets aan u, heer, dat mij doet denken aan, aan – welnu, Gandalf, aan tovenaars.’

‘Misschien,’ zei Faramir. ‘Misschien bespeur je heel in de verte iets van Númenor. Goedenacht!’

VI. De verboden poel

Frodo werd wakker en zag dat Faramir zich over hem boog. Een ogenblik werd hij door zijn oude angst overvallen – hij ging rechtop zitten en deinsde terug.

‘Je hebt niets te vrezen,’ zei Faramir.

‘Is het al ochtend?’ vroeg Frodo gapend.

‘Nog niet, maar de nacht loopt ten einde en de vollemaan gaat onder. Wil je naar haar komen kijken? En er is ook iets waarover ik je wil raadplegen. Het spijt me dat ik je wakker heb gemaakt, maar wil je komen?’

‘Jazeker,’ zei Frodo, terwijl hij opstond en een beetje rilde toen hij onder de warme dekens en pelzen uitkwam. Het leek koud in de onverwarmde grot. Het geruis van water klonk luid in de stilte. Hij trok zijn mantel aan en volgde Faramir.

Sam, die plotseling door een of ander instinct van waakzaamheid wakker werd, zag eerst het lege bed van zijn meester en sprong overeind. Toen zag hij twee duistere figuren, Frodo en een man, in de omlijsting van de boog staan, die nu met een flets wit licht was gevuld. Hij ging ze snel achterna, langs rijen slapende mannen op matrassen langs de muur. Toen hij voorbij de opening van de grot kwam, zag hij dat het gordijn nu een verblindende sluier van zijde en parels en zilverdraden was geworden; smeltende ijspegels van maanlicht. Maar hij bleef niet staan om ze te bewonderen; hij wendde zich af en volgde zijn meester door de nauwe deuropening in de muur van de grot.

Zij gingen eerst een zwarte gang door en toen vele natte treden op en kwamen zo op een klein platform, dat in steen was uitgehakt en verlicht werd door de bleke hemel, die hoog boven hen door een lange diepe schacht glansde. Van hieruit liepen twee trappen: de ene, scheen het, liep verder omhoog naar de hoge oever van de stroom; de andere boog naar links. Deze volgden zij. Zij liep slingerend omhoog als een wenteltrap.

Ten slotte kwamen zij uit de steenachtige duisternis en keken om zich heen. Zij stonden op een brede platte rots zonder reling of balustrade. Rechts van hen, in het oosten, viel de waterval; hij spatte over vele terrassen en vulde toen via een steile bedding een glad uitgehakte geul met een donkere, krachtige waterstroom, bedekt met schuim, die kolkte en ruiste en bijna aan hun voeten pardoes over de rand stortte die links van hen gaapte. Een man stond daar bij de rand naar omlaag te staren.

Frodo draaide zich om en volgde de ranke golven van het water die zich welfden en omsloegen. Toen keek hij op en tuurde in de verte. De wereld was vredig en koud, alsof de dageraad nabij was. Ver in het westen ging de vollemaan onder, rond en bleek. Fletse nevels schitterden in de grote vallei beneden: een wijde baai van zilveren damp waaronder de koele nachtelijke wateren van de Anduin stroomden. Daarachter rees een zwarte duisternis op en daarin glansden, hier en daar, koud, scherp, ver weg, wit als de tanden van geesten, de toppen van de Ered Nimrais, de Witte Bergen van het Rijk Gondor, met eeuwige sneeuw bedekt.