Выбрать главу

Een tijdlang stond Frodo daar op die hoge steen, en een huivering doorvoer hem toen hij zich afvroeg of ergens in de uitgestrektheid van de nachtelijke landen zijn vroegere metgezellen liepen of sliepen, of dood lagen in een lijkwade van mist. Waarom was hij uit de vergetelheid van de slaap hierheen gebracht?

Sam verlangde ernaar een antwoord op dezelfde vraag te krijgen en kon zich niet weerhouden om te mompelen, alleen voor het oor van zijn meester, naar hij dacht: ‘Het is een mooi uitzicht, zeker, meneer Frodo, maar kil voor het hart, om van de botten maar niet te spreken! Wat is er aan de hand?’

Faramir hoorde het en antwoordde. ‘Maansondergang boven Gondor. De mooie Ithil schijnt, als zij Midden-aarde verlaat, op de witte lokken van de oude Mindolluin. Dat is wel een paar rillingen waard. Maar daarom heb ik je hier niet gebracht – hoewel jij, meester Sam, niet gebracht bent, maar slechts de boete voor je waakzaamheid betaalt. Een slok wijn zal het verhelpen. Kom nu eens kijken!’

Hij ging op de rand naast de zwijgende schildwacht staan. Frodo volgde hem. Sam bleef achter. Hij voelde zich al onzeker genoeg op dit hoge natte platform. Faramir en Frodo keken omlaag. Heel diep beneden zich zagen zij de witte wateren in een schuimend bekken storten, en daarna donker in een diep ovaal bassin in de rotsen rondkolken, tot zij weer een uitweg vonden door een nauwe poort en schuimend en bruisend naar kalmere en vlakkere delen wegstroomden. Het maanlicht viel nog schuin op de voet van de waterval en glinsterde op de rimpels van het bassin. Weldra werd Frodo een klein donker figuurtje gewaar op de dichtstbijzijnde oever, maar op hetzelfde ogenblik dat hij ernaar keek, nam het een duik en verdween het vlak achter de draaikolken van de waterval, het zwarte water even recht doorklievend als een pijl of schuinse steen.

Faramir wendde zich tot de man aan zijn zijde. ‘En wat denk jij dat het is, Anborn? Een eekhoorn of een ijsvogel? Zijn er zwarte ijsvogels in de nachtpoelen van het Demsterwold?’

‘Het is geen vogel, wat het ook mag zijn,’ antwoordde Anborn. ‘Het heeft vier ledematen en duikt als een mens; het blijkt de zwemkunst ook behoorlijk machtig te zijn. Wat is het van plan? Zoekt het een weg omhoog achter het gordijn naar onze schuilplaats? Het schijnt dat we eindelijk zijn ontdekt. Ik heb mijn boog hier en heb andere boogschutters, bijna even goede scherpschutters als ikzelf, op beide oevers geposteerd. We wachten alleen op uw bevel om te schieten, Kapitein.’

‘Zullen we schieten?’ vroeg Faramir, die zich vlug tot Frodo wendde.

Frodo wachtte even met antwoorden. Toen zei hij: ‘Nee! Nee! Ik smeek u het niet te doen.’ Als Sam had gedurfd zou hij gezegd hebben: ‘Ja.’ Vlugger en luider. Hij kon niet zien, maar uit hun woorden kon hij duidelijk genoeg opmaken waar zij naar keken.

‘Weet je dan wat dat wezen is?’ vroeg Faramir. ‘Kom, nu je het gezien hebt, moet je me zeggen waarom we het moeten sparen. In alle woorden die wij gewisseld hebben, heb je het niet eenmaal over je mismaakte metgezel gehad, en ik heb hem maar een tijdje met rust gelaten. Hij kon wachten tot hij werd gepakt en voorgeleid. Ik heb mijn beste jagers erop uitgestuurd om hem te zoeken, maar hij ontglipte hen, en hij werd niet gezien tot nu, door Anborn hier, gisteravond bij het vallen van de avond. Maar nu heeft hij erger kwaad bedreven dan alleen maar konijnen strikken in de hooglanden; hij heeft het gewaagd naar de Henneth Annûn te komen, dus hij heeft zijn leven verspeeld. Ik verbaas me over het schepsel; zo geheimzinnig en sluw als hij is om vlak voor ons venster in de poel te zwemmen. Denkt hij dat mensen de hele nacht slapen zonder wacht te houden? Waarom doet hij dat?’

‘Er zijn twee antwoorden, denk ik,’ zei Frodo. ‘In de eerste plaats weet hij weinig van mensen af, en hoewel hij sluw is, is uw schuilplaats zo goed verborgen, dat hij misschien niet weet dat zich hier mensen schuilhouden. In de tweede plaats denk ik dat hij erheen wordt gelokt door een overweldigend verlangen, dat sterker is dan zijn behoedzaamheid.’

‘Wordt hij hierheen gelokt, zeg je?’ zei Faramir zacht. ‘Kan hij, weet hij dan van je last af?’

‘Jazeker. Hij heeft die zelf vele jaren gedragen.’

‘Heeft hij die gedragen?’ vroeg Faramir, wiens adem van verbazing stokte. ‘Deze zaak wordt door steeds nieuwe raadselen omgeven. Dus achtervolgt hij die?’

‘Misschien. Het is hem dierbaar. Maar dat bedoelde ik niet.’

‘Wat zoekt het schepsel dan?’

‘Vis,’ zei Frodo. ‘Kijk!’

Zij tuurden omlaag naar de donkere poel. Er verscheen een klein zwart hoofd aan het andere einde van het bassin, net uit de diepe schaduw van de rotsen. Even was er een zilveren schittering, en toen gekringel van kleine rimpelingen. Het zwom naar de kant en toen klauterde een kikkerachtig figuurtje met verbazingwekkende behendigheid uit het water tegen de oever op. Het ging onmiddellijk zitten en begon aan het kleine zilveren ding te knagen dat glinsterde toen het bewoog: de laatste stralen van de maan vielen nu achter de rotsachtige muur aan het einde van de poel.

Faramir lachte zachtjes. ‘Vis!’ zei hij. ‘Het is een minder gevaarlijke honger. Of misschien niet: vis uit de poel van de Henneth Annûn zou hem wel eens alles kunnen kosten wat hij te geven heeft.’

‘Nu heb ik hem in het vizier,’ zei Anborn. ‘Zal ik niet schieten, Kapitein? Want op het ongevraagd komen naar deze plaats staat bij ons de doodstraf.’

‘Wacht, Anborn,’ zei Faramir. ‘Dit is een moeilijker zaak dan het schijnt. Wat heb je nu te zeggen, Frodo? Waarom zouden wij hem sparen?’

‘Het schepsel is ongelukkig en heeft honger,’ zei Frodo, ‘en is zich niet van zijn gevaar bewust. En Gandalf, uw Mithrandir, zou u om die reden en andere hebben gesmeekt hem niet te doden. Hij verbood de elfen dit te doen. Ik weet niet precies waarom, en over mijn vermoeden durf ik hier niet openlijk te spreken. Maar dit schepsel is op de een of andere wijze met mijn missie verbonden. Voor u ons vond en meenam, was hij mijn gids.’

‘Je gids?’ vroeg Faramir. ‘De zaak wordt almaar vreemder. Ik zou veel voor je doen, Frodo, maar dit kan ik niet toestaan: om deze sluwe zwerver uit eigen vrije wil van hier te laten gaan om zich later bij je te voegen als hem dit belieft, of door orks te worden gevangengenomen en onder bedreiging met pijn alles te vertellen wat hij weet. Hij moet worden gedood of gevangengenomen. Gedood, als hij niet heel snel kan worden gevangen. Maar hoe kan dat glibberige schepsel worden gevangen, behalve door een gevederde pijl?’

‘Laat mij rustig naar hem toe gaan,’ zei Frodo. ‘U mag uw bogen gespannen houden en mij doodschieten als ik faal. Ik zal niet weglopen.’

‘Ga dan, maar vlug,’ zei Faramir. ‘Als hij het er levend afbrengt, behoort hij je voor de rest van zijn ongelukkige dagen trouw te dienen. Breng Frodo naar de oever, Anborn, en loop zacht. Het wezen heeft een neus en oren. Geef mij je boog.’

Anborn bromde en leidde Frodo langs de wenteltrap naar het platform en toen de andere trap op, tot zij ten slotte bij een nauwe opening kwamen, die door dicht struikgewas was verborgen. Nadat hij er stil door was gegaan, stond Frodo op de zuidelijke oever boven de poel. Het was nu donker en de waterval was flets en grijs en weerspiegelde alleen het maanlicht dat nog aan de westelijke hemel draalde. Hij kon Gollem niet zien. Hij ging een eindje naar voren en Anborn kwam zacht achter hem aan.

‘Ga verder!’ fluisterde hij in Frodo’s oor. ‘Pas rechts van u op. Als u in de poel valt, kan niemand anders dan uw vissende vriend u helpen. En vergeet niet dat er boogschutters in de buurt zijn, hoewel u ze misschien niet kunt zien.’

Frodo kroop naar voren en gebruikte zijn handen op Gollems manier om zijn weg af te tasten en houvast te krijgen.

De rotsen waren voor het grootste gedeelte plat en effen, maar glibberig. Hij bleef staan luisteren. Eerst kon hij niets anders horen dan het onafgebroken geruis van de waterval achter hem. Maar toen ineens hoorde hij niet ver weg een sissend gemompel.