Выбрать главу

‘We zijn verloren, verloren,’ zei Gollem. ‘Geen naam, voeren niets uit, geen Lieveling, niets. Alleen leeg. Alleen hongerig; ja, we hebben honger. Een paar kleine visjes, nare, graterige visjes voor een arm schepsel, en ze zeggen dood. Zo wijs zijn ze; zo rechtvaardig, zo erg rechtvaardig.’

‘Niet erg wijs,’ zei Faramir. ‘Maar rechtvaardig? Ja, misschien; zo rechtvaardig als onze geringe wijsheid toestaat. Maak hem los, Frodo!’ Faramir haalde een klein pennenmes uit zijn riem en overhandigde het aan Frodo. Gollem, die het gebaar verkeerd opvatte, gilde en viel op de grond.

‘Hé, Sméagol!’ zei Frodo. ‘Je moet me vertrouwen. Ik zal je niet in de steek laten. Antwoord naar waarheid, als je kunt. Het zal je goed doen, geen kwaad.’ Hij sneed de koorden om Gollems polsen en enkels door en zette hem op zijn voeten neer.

‘Kom hier!’ zei Faramir. ‘Kijk me aan! Ken je de naam van deze plaats? Ben je hier eerder geweest?’

Langzaam sloeg Gollem de ogen op en keek onwillig in die van Faramir. Alle licht verdween eruit en zij staarden een ogenblik woest en bleek in de heldere, wilskrachtige ogen van de man uit Gondor. Er viel een diepe stilte. Toen liet Gollem het hoofd hangen en schrompelde in elkaar tot hij op de grond lag te rillen.

‘Wij weten ’t niet en we willen het niet weten,’ zei hij grienend. ‘Ben hier nooit geweest; kom nooit terug.’

‘Er zijn gesloten deuren en gesloten ramen in je geest, met daarachter donkere kamers,’ zei Faramir. ‘Maar mijn oordeel in dezen luidt dat je de waarheid spreekt. Het is gunstig voor je. Welke eed zul je zweren om nooit terug te komen; en nooit enig levend schepsel door middel van woord of teken hierheen te leiden?’

‘Meester weet het,’ zei Gollem met een zijdelingse blik op Frodo. ‘Ja, hij weet het. We zullen meester beloven als hij ons redt. We zullen het beloven aan de Lieveling, ja.’ Hij wierp zich aan Frodo’s voeten. ‘Red ons, aardige meester!’ jammerde hij. ‘Sméagol belooft aan Lieveling, belooft eerlijk. Nooit terugkomen, nooit spreken, nee, nooit. Nee, lieveling, nee.’

‘Ben je tevreden?’ vroeg Faramir.

‘Ja,’ zei Frodo. ‘In ieder geval moet u óf deze belofte aanvaarden, óf uw wet ten uitvoer leggen. Er is geen andere mogelijkheid. Maar ik heb beloofd dat hem geen kwaad zou geschieden als hij bij mij kwam. En ik zou niet graag trouweloos blijken.’

Faramir bleef een ogenblik in gedachten zitten. ‘Goed dan,’ zei hij ten slotte. ‘Ik geef je over aan je meester, aan Frodo, zoon van Drogo. Laat hem zeggen wat hij met je wil doen.’

‘Maar, heer Faramir,’ zei Frodo met een buiging, ‘u hebt nog niet gezegd wat u met voornoemde Frodo wilt doen, en zolang hij dat niet weet, kan hij geen plannen voor zichzelf of zijn metgezellen maken. Uw oordeel was uitgesteld tot de ochtend, maar die is nu nabij.’

‘Dan zal ik mijn oordeel uitspreken,’ zei Faramir. ‘Wat jou betreft, Frodo, voorzover mij dit is toegestaan onder een hogere autoriteit, verklaar ik je vrij om in het Rijk Gondor tot de verste van haar oude grenzen te gaan; maar met deze ene uitzondering dat jij, noch iemand anders in je gezelschap, toestemming heeft ongevraagd naar deze plaats te gaan. Deze uitspraak zal gelden voor een jaar en een dag en dan ophouden, tenzij je voor die tijd naar Minas Tirith komt en je bij de Heer en Stadhouder van de Stad meldt. Dan zal ik hem verzoeken te bevestigen wat ik heb gedaan en het levenslang geldig te maken. Ondertussen zal iedereen die je onder je hoede neemt, ook onder mijn bescherming en onder het schild van Gondor staan. Heeft dit je vraag beantwoord?’

Frodo maakte een diepe buiging. ‘Ik heb antwoord gekregen,’ zei hij, ‘en stel mezelf in uw dienst als dat van enige waarde is voor een zo hoog en eerbiedwaardig iemand.’

‘Het is van grote waarde,’ zei Faramir. ‘En neem je dit schepsel, deze Sméagol, onder je hoede?’

‘Ik neem Sméagol onder mijn hoede,’ zei Frodo. Sam zuchtte hoorbaar; en niet om de beleefdheden die hij, als iedere andere hobbit zou doen, volledig goedkeurde. Voorwaar, in de Gouw zou een dergelijke zaak heel wat meer buigingen en plichtplegingen hebben gevergd.

‘Dan zeg ik je,’ zei Faramir, zich tot Gollem wendend, ‘het doodvonnis hangt over je, maar zolang je met Frodo optrekt, ben je veilig wat ons betreft. Maar als je ooit door iemand uit Gondor zonder hem wordt aangetroffen, zal het vonnis ten uitvoer worden gelegd. En moge de dood je spoedig vinden, binnen Gondor of daarbuiten, als je hem niet goed dient. Geef mij nu antwoord: waar wil je heen gaan? Jij was zijn gids, zegt hij. Waar leidde je hem heen?’ Gollem gaf geen antwoord.

‘Ik wil niet dat dit geheim blijft,’ zei Faramir. ‘Antwoord mij, of ik zal het vonnis herzien!’ Maar Gollem gaf nog steeds geen antwoord.

‘Ik zal voor hem antwoorden,’ zei Frodo. ‘Hij heeft me naar de Zwarte Poort gebracht, zoals ik hem vroeg; maar daar was niet door te komen.’

‘Er is geen open poort naar het Ongenoemde Land,’ zei Faramir.

‘Toen wij dat bemerkten, zijn wij van de weg afgegaan en hebben de zuidelijke weg genomen,’ vervolgde Frodo, ‘want hij beweerde dat er een pad is, of mogelijkerwijs een pad is bij Minas Ithil.’

‘Minas Morgul,’ zei Faramir.

‘Ik weet het niet precies,’ zei Frodo, ‘maar het pad loopt, denk ik, omhoog de bergen in aan de noordzijde van de vallei waar de oude stad staat. Het leidt naar een hoge spleet en vandaar omlaag naar – naar wat daarachter ligt.’

‘Ken je de naam van die hoge pas?’ vroeg Faramir.

‘Nee,’ zei Frodo.

‘Hij wordt Cirith Ungol genoemd.’ Gollem siste scherp en begon in zichzelf te mompelen.

‘Heet hij niet zo?’ vroeg Frodo, zich tot hem wendend.

‘Nee,’ zei Gollem, en toen gilde hij, alsof hij door iets was gestoken. ‘Ja, ja, we hebben de naam eens gehoord. Maar wat kan ons de naam schelen! Meester zegt dat hij erheen moet. Dus moeten we iets proberen. Er is geen andere weg om te proberen, nee.’

‘Geen andere weg?’ vroeg Faramir. ‘Hoe weet je dat en wie heeft alle uithoeken van dat donkere rijk doorzocht?’ Hij keek Gollem lang en nadenkend aan. Weldra sprak hij weer. ‘Breng dit schepsel weg, Anborn. Behandel hem met zachtheid, maar houd hem in de gaten. En jij, Sméagol, probeer niet in de waterval te duiken. De rotsen hebben daar zulke scherpe punten, dat ze je voor je tijd zouden doden. Laat ons nu alleen en neem je vis mee!’

Anborn ging heen en Gollem liep ineengedoken voor hem uit.

Het gordijn werd voor de nis getrokken.

‘Frodo, ik ben van mening dat je hier heel onverstandig aan doet,’ zei Faramir. ‘Ik vind dat je niet met dit schepsel mee moet gaan. Hij is slecht.’

‘Nee, niet helemaal slecht,’ zei Frodo.

‘Niet helemaal misschien,’ zei Faramir, ‘maar boosaardigheid vreet aan hem als een kanker, en het kwaad wordt erger. Hij zal je tot niets goeds leiden. Als je van hem wilt scheiden, zal ik hem een vrijgeleide en een escorte geven naar iedere plaats aan de grenzen van Gondor die hij belieft te noemen.’

‘Hij zou het niet aannemen,’ zei Frodo. ‘Hij zou mij blijven volgen zoals hij lang heeft gedaan. En ik heb hem vele keren beloofd dat ik hem onder mijn hoede zou nemen en de weg gaan die hij wijst. U vraagt mij toch niet mijn woord jegens hem te verbreken?’

‘Nee,’ zei Faramir. ‘Maar in mijn hart wel. Want het lijkt minder slecht om een ander aan te raden de trouw op te zeggen dan om dit zelf te doen, vooral wanneer men een vriend onbewust aan zijn eigen kwaad ziet gekluisterd. Maar nee – als hij met je mee wil gaan, moet je hem nu verduren. Ik geloof echter niet dat je gebonden bent om naar de Cirith Ungol te gaan, waarover hij je minder heeft verteld dan hij weet. Want ik heb dat duidelijk in zijn gedachten bespeurd. Ga niet naar de Cirith Ungol!’

‘Waar moet ik dan heen gaan?’ vroeg Frodo. ‘Terug naar de Zwarte Poort om mezelf aan de schildwacht uit te leveren? Wat is u over deze plaats bekend, dat het de naam ervan tot zo’n verschrikking maakt?’

‘Niets met stelligheid,’ zei Faramir. ‘Wij uit Gondor wagen ons tegenwoordig nooit ten oosten van de weg, en geen van de jongere mannen heeft dat ooit gedaan, en ook heeft geen van ons ooit een voet op de Schaduwbergen gezet. Daarvan kennen wij slechts een oud verslag en de geruchten uit vroegere tijden. Maar er is een of andere donkere verschrikking die in de passen boven Minas Morgul heerst. Bij het horen van de naam Cirith Ungol verbleken oude mannen en wijzen en doen er het zwijgen toe.