Выбрать главу

De vallei van Minas Morgul is heel lang geleden tot kwaad vervallen, en werd een dreiging en een verschrikking, terwijl de verbannen Vijand nog ver weg was en Ithilien nog voor het grootste deel aan ons was toevertrouwd. Zoals je weet was die stad eens een sterke veste, trots en mooi, Minas Ithil, de tweelingzuster van onze eigen stad. Maar zij werd door woeste mannen ingenomen, over wie de Vijand tijdens zijn eerste periode van macht had geheerst en die na zijn val dakloos en zonder leider rondzwierven. Men zegt dat hun heren mensen uit Númenor waren die tot zwarte slechtheid waren vervallen; aan hen had de Vijand ringen van macht gegeven, en hij had hen opgeslokt: zij waren levende geesten geworden, angstaanjagend en slecht. Nadat hij was heen gegaan, namen zij Minas Ithil in en gingen er wonen, en zij vulden haar en de hele vallei eromheen met verrotting; zij scheen leeg, maar was dat niet, want een vormloze angst leefde binnen de verwoeste muren. Negen Heren waren er, en na de in het geheim voorbereide terugkeer van hun Meester werden zij weer sterk. Toen reden de Negen Ruiters uit door de poorten van verschrikking en wij konden hen niet weerstaan. Nader hun citadel niet. Je zult verspied worden. Het is een plaats waar de boosheid nooit slaapt, vol ogen zonder oogleden. Ga die weg niet!’

‘Maar waar raadt u mij dan aan om heen te gaan?’ vroeg Frodo. ‘U kunt, zegt u, mij zelf niet naar de bergen leiden, of eroverheen. Maar ik moet over de bergen heen krachtens mijn plechtige belofte aan de Raad, om een weg te vinden, of bij deze poging om te komen. En als ik terugkeer en weiger het bittere einde van de weg te gaan, waar moet ik dan heen onder elfen en mensen? Zou u willen dat ik met dit Ding naar Gondor ging, dit Ding dat uw broer krankzinnig maakte van begeerte? Welke betovering zou het over Minas Tirith brengen? Zullen er twee steden Minas Morgul zijn, elkaar aangrijnzend over een dood land vol verrotting?’

‘Dat zou ik niet willen,’ zei Faramir.

‘Wat wilt u dan dat ik doe?’

‘Ik weet het niet. Alleen zou ik niet willen dat u de dood of martelingen tegemoet ging. En ik denk niet dat Mithrandir deze weg zou hebben gekozen.’

‘Maar nu hij weg is, moet ik de wegen gaan die ik kan vinden. En er is geen tijd om lang te zoeken,’ zei Frodo.

‘Het is een hard lot en een hopeloze opdracht,’ zei Faramir. ‘Maar denk in ieder geval aan mijn waarschuwing: pas op voor deze gids Sméagol. Hij heeft al eerder een moord begaan. Ik bespeur het in hem.’ Hij zuchtte.

‘Welnu, aldus ontmoeten wij elkaar en gaan wij uiteen, Frodo, zoon van Drogo. Je hebt geen behoefte aan sentimentele woorden: ik heb er geen hoop op je eens weer te zien onder deze zon. Maar ga nu met mijn zegen, voor jou en je hele volk. Rust nog wat terwijl er eten voor je wordt bereid.

Ik zou graag willen horen hoe deze gluiperige Sméagol aan het Ding is gekomen waarover wij spreken, en hoe hij het verloren heeft, maar ik zal je nu niet lastigvallen. Als je ooit, tegen alle hoop en verwachting in, naar de landen der levenden terugkeert en wij onze verhalen ophalen, bij een muur in de zon gezeten, lachend om oude smart, kan je het mij vertellen. Tot dan, of een andere tijd die buiten het bereik ligt van de Kijkstenen van Númenor, vaarwel!’ Hij stond op en maakte een korte buiging voor Frodo, schoof het gordijn opzij en liep de grot in.

VII. Reis naar de Tweesprong

Frodo en Sam gingen naar bed terug en bleven daar zwijgend een tijdje liggen rusten, terwijl de mannen met de dagelijkse bezigheden begonnen. Na een poosje werd hun water gebracht, en toen werden zij naar een tafel geleid waarop eten voor drie was neergezet. Faramir ontbeet met hen. Hij had sinds de slag van gisteren niet geslapen, maar toch zag hij er niet moe uit.

Toen zij klaar waren stonden zij op. ‘Mogen jullie onderweg niet door honger worden gekweld,’ zei Faramir. ‘Jullie hebben weinig proviand, maar ik heb opgedragen om een kleine mondvoorraad, geschikt voor reizigers, in jullie knapzakken te pakken. Julli e zullen geen gebrek aan water hebben zolang je door Ithilien loopt, maar drink van geen enkele stroom die uit de Imlad Morgul, de vallei van de Levende Doden stroomt. En dit moet ik jullie ook nog zeggen. Mijn verkenners en wachters zijn allen teruggekeerd, zelfs enkelen die tot binnen gezichtsafstand van de Morannon zijn geslopen. Zij hebben allen iets vreemds bemerkt. Het land is leeg. Er bevindt zich niets op de weg en er is nergens een geluid van voet, hoorn of boogpees. Een afwachtende stilte broeit boven het Naamloze Land. Ik weet niet wat dit te betekenen heeft. Maar de tijd van een grote ontknoping komt snel naderbij. Er is storm op komst. Haast je zo lang het mogelijk is! Als jullie klaar zijn, laat ons dan gaan. De zon zal weldra boven de schaduw opgaan.’

De knapzakken van de hobbits werden bij hen gebracht (iets zwaarder dan zij waren geweest) en ook twee dikke stokken van gepolijst hout, met ijzer beslagen en met gesneden knoppen waar gevlochten leren riemen door liepen.

‘Ik heb geen passende geschenken om jullie bij ons afscheid te geven,’ zei Faramir, ‘maar neem deze stokken. Zij kunnen van nut zijn voor hen die door de wildernis lopen of klimmen. De mensen van de Witte Bergen gebruiken ze; hoewel deze voor jullie le ngte zijn gemaakt en opnieuw beslagen zijn. Ze zijn gemaakt van de mooie lebethron-boom, geliefd bij de houtbewerkers van Gondor, en zij hebben de eigenschap dat zij kunnen zoeken en terugkeren. Moge die eigenschap niet geheel en al verloren gaan onder de Schaduw waar jullie je in begeven.’

De hobbits maakten een diepe buiging. ‘Goedgunstige gastheer,’ zei Frodo. ‘Elrond de Halfelf heeft mij gezegd dat ik onderweg vriendschap zou vinden, geheim en onverwacht. Maar voorwaar, ik heb geen vriendschap verwacht zo groot als door u betoond. Deze te hebben gevonden maakt kwaad tot een groot goed.’

Nu maakten zij zich op om te vertrekken. Gollem werd uit een hoek of schuilgat gehaald en scheen meer ingenomen met zichzelf dan hij geweest was, hoewel hij dicht bij Frodo bleef en de blik van Faramir vermeed.

‘Je gids moet worden geblinddoekt,’ zei Faramir, ‘maar jou en je bediende Sam ontsla ik daarvan, als je wilt.’

Gollem piepte en protesteerde en greep zich aan Frodo vast toen ze kwamen om zijn ogen te blinddoeken. Frodo zei: ‘Blinddoek ons alle drie en bedek mijn ogen het eerst, misschien zal hij dan zien dat er geen kwaad mee bedoeld wordt.’ Aldus geschiedde en zij werden uit de grot van Henneth Annûn geleid. Nadat zij de gangen en trappen waren gepasseerd, gingen zij nog een eindje verder, naar boven en toen geleidelijk naar omlaag. Ten slotte beval Faramir hun blinddoeken af te doen.

Zij stonden weer onder de takken van de bossen. Er was geen geluid van de waterval te horen, want een lange zuidelijke helling lag nu tussen hen en het ravijn waar de stroom in uitliep. In het westen konden zij licht door de bomen zien, alsof de wereld daar plotseling ophield, bij een rand die alleen op de hemel uitkeek.

‘Hier scheiden onze wegen zich werkelijk,’ sprak Faramir. ‘Als je mijn raad aanneemt, sla je nog niet naar het oosten af. Ga rechtdoor, want op die manier zul je nog vele mijlen de beschutting van het bosland hebben. Ten westen van je is een rand waar het land naar grote valleien afdaalt, soms plotseling en steil, soms over lange heuvelhellingen. Blijf dicht bij deze rand en de zoom van het bos. In het begin van je reis kun je, denk ik, bij daglicht reizen. Het land droomt in een valse vrede en een tijdlang is alle kwaad geweken. Het ga jullie goed zo lang dit mogelijk is!’

Hij omhelsde de hobbits daarna, naar de gewoonte van zijn volk, terwijl hij zich vooroverboog en zijn handen op hun schouders legde en hun voorhoofd kuste. ‘Ga met de goede wensen van alle goede lieden!’ zei hij.