Zij bogen tot de grond. Toen draaide hij zich om en zonder om te kijken verliet hij hen en ging naar zijn twee wachten, die een eindje verderop stonden. Zij waren verbaasd te zien met welk een snelheid deze in het groen geklede mensen zich nu bewogen; ze waren bijna in een oogwenk verdwenen. Het bos waar Faramir had gestaan scheen leeg en treurig alsof een droom voorbij was gegaan.
Frodo zuchtte en wendde zich weer naar het zuiden. Als om zijn afkeer van al die beleefdheid te demonstreren, krabbelde Gollem in de losse aarde aan de voet van een boom. Heeft-ie alweer honger? dacht Sam. Welaan, vooruit dan maar weer!
‘Zijn ze eindelijk weg?’ vroeg Gollem. ‘Nare ssslechte mensen! Sméagols nek doet nog pijn, ja dat doet-ie. Laten we gaan!’
‘Ja, laten we gaan,’ zei Frodo. ‘Maar als je alleen maar kwaad kunt spreken van hen die je genade hebben geschonken, zwijg dan liever.’
‘Aardige meester!’ zei Gollem. ‘Sméagol maakte maar grapje. Altijd vergeven, dat doet-ie, ja, ja, zelfs de listjes van aardige meester. O ja, aardige meester, aardige Sméagol.’
Frodo en Sam gaven geen antwoord. Nadat zij hun knapzakken op de rug hadden gehesen en de stokken in de hand hadden genomen, gingen zij de bossen van Ithilien in.
Die dag rustten zij twee keer en gebruikten een klein deel van het eten dat Faramir hun had meegegeven: gedroogde vruchten en gezouten vlees, genoeg voor vele dagen; en brood genoeg zolang het vers was. Gollem at niets.
De zon ging op, trok onzichtbaar over hun hoofden, begon te dalen en het licht door de bomen in het westen werd goudkleurig; en de hele tijd liepen zij in een koele groene schaduw, en overal om hen heen heerste stilte. De vogels schenen allemaal te zijn weggevlogen of met stomheid te zijn geslagen.
De duisternis daalde vroeg in de stille bossen en voor de avond viel hielden zij halt, moe, want zij hadden zeker eenentwintig mijl van Henneth Annûn gelopen. Frodo ging liggen en sliep de hele nacht door op het dikke mos onder een oude boom. Sam, die naast hem lag, was onrustiger: hij werd herhaaldelijk wakker, maar er was nooit een teken van Gollem, die was weggeglipt zodra de anderen waren gaan slapen. Of hij op zijn eentje in een nabijgelegen hol had geslapen, of rusteloos door de nacht was rondgeslopen, zei hij niet, maar hij kwam bij de eerste ochtendschemer terug en wekte zijn metgezellen.
‘Moeten opstaan, ja dat moeten ze!’ zei hij. ‘Nog een heel eind te gaan naar zuiden en oosten. Hobbits moeten haast maken!’
Die dag verliep bijna net zoals de vorige, behalve dat de stilte dieper scheen; de lucht werd zwaar en het begon benauwd te worden onder de bomen. Het leek wel alsof er onweer dreigde. Gollem bleef vaak staan om de lucht op te snuiven, en dan mompelde hij iets in zichzelf en spoorde hen aan tot grotere spoed.
Toen de derde etappe van hun dagmars aanbrak en de middag ten einde liep, werd het bos minder dicht; de bomen werden groter en stonden verder uiteen. Altijdgroene steeneiken van geweldige omvang stonden donker en dreigend op grote open plekken en ertussenin oude essen, en reusachtige eiken, die pas in bruingroene knoppen begonnen uit te lopen. Rondom hen lagen groene grasvlakten, bespikkeld met stinkende gouwe en anemonen, wit en blauw, die zich nu hadden dichtgevouwen voor de nacht; er waren grote vlakten vol met de bladeren van boshyacinten; hun ranke steeltjes kwamen al door het mos kijken. Er was geen enkel levend wezen, beest of vogel, te zien, maar op deze open plekken werd Gollem bang, en zij liepen nu voorzichtig, van de ene lange schaduw naar de andere gaand. Het licht nam vlug af toen zij aan het einde van het bos kwamen. Daar gingen zij onder een oude knoestige eik zitten, die zijn wortels als kronkelende slangen langs een steile brokkelige helling slingerde. Een diepe donkere vallei lag voor hen. Aan de andere kant werd het bos weer dichter, blauw en grijs onder de matte avondhemel, en zette zich naar het zuiden voort. Rechts gloeiden de Bergen van Gondor, heel ver in het westen, onder een met vuur doorschoten hemel. Links heerste duisternis: de hoog oprijzende wanden van Mordor; en uit die duisternis kwam de lange vallei, die steil in een steeds wijder wordende sleuf naar de Anduin liep. Onderin liep een haastig riviertje: Frodo kon zijn ratelende stem door de stilte omhoog horen komen; en daarnaast, aan de overkant, liep een weg als een flets lint slingerend naar omlaag, de kille grijze nevels in, die geen zonnestraal bescheen. Daar scheen het Frodo toe dat hij ver weg, als het ware drijvend op een schimmige zee, de hoge vage toppen en gebroken pinakels van oude torens kon zien, verlaten en donker.
Hij wendde zich tot Gollem. ‘Weet jij waar we zijn?’
‘Ja, meester. Gevaarlijke plaatsen. Dit is de weg van de Toren van de Maan, meester, naar de verwoeste stad aan de oevers van de Rivier. De verwoeste stad, ja, vreselijk nare plaats, vol vijanden. Wij hadden de raad van de mensen niet moeten opvolgen. Hobbits zijn heel ver van het pad geraakt. Moeten nu naar het oosten gaan, omhoog daar!’ Hij wuifde met zijn magere arm naar de duisterende bergen. ‘En we kunnen deze weg niet nemen. O nee, wrede lieden nemen deze weg, van de Toren af.’
Frodo keek de weg langs. In ieder geval was er nu geen beweging op te zien. Hij scheen eenzaam en verlaten zoals hij daar naar ledige ruïnes in de mist liep. Maar er hing een boze dreiging in de lucht, alsof er in werkelijkheid dingen op en neer liepen die ogen niet konden zien. Frodo huiverde toen hij weer naar de verre pieken keek, die nu in de nacht vervaagden; en het geluid van het water scheen koud en wreed: de stem van de Morgulduin, de bevuilde stroom die uit de Vallei van de Geesten stroomde.
‘Wat zullen we doen?’ vroeg hij. ‘Wij hebben lang en ver gelopen. Zullen we een plek in de bossen achter ons zoeken waar wij ons schuil kunnen houden?’
‘Het heeft geen zin om in het duister te schuilen,’ zei Gollem. ‘De hobbits moeten zich nu overdag schuilhouden, ja overdag.’
‘Och kom,’ zei Sam. ‘We moeten wat rusten, ook al staan we weer midden in de nacht op. Dan zal het nog uren donker zijn, tijd genoeg voor je om ons een lange mars te laten maken, als je de weg weet.’
Gollem stemde hier aarzelend mee in en keerde naar de bomen terug; een tijdlang ging hij naar het oosten langs de verwilderde randen van het woud. Hij weigerde om op de grond zo dicht bij de boze weg te rusten, en na enig heen-en-weergepraat klommen ze allemaal in de gaffel van een grote steeneik, waarvan de dikke takken, die beide uit de stam ontsprongen, een goede en vrij behaaglijke schuilplaats boden. De nacht viel en het werd helemaal donker onder de troonhemel van de boom. Frodo en Sam dronken wat water en aten wat brood en gedroogd fruit, maar Gollem rolde zich meteen op en ging slapen. De hobbits deden geen oog dicht.
Het moet even na middernacht zijn geweest toen Gollem wakker werd: plotseling zagen ze zijn lichte ogen zonder oogleden tegen hen blinken. Hij luisterde en snuffelde, hetgeen, zoals zij al eerder hadden opgemerkt, de gebruikelijke manier was waarop hij achter de tijd van de nacht kwam.
‘Zijn we uitgerust? Hebben we mooi geslapen?’ vroeg hij. ‘Laat ons gaan!’
‘Wij zijn niet uitgerust en hebben helemaal niet lekker geslapen,’ bromde Sam. ‘Maar we zullen gaan als het moet.’
Gollem liet zich meteen op handen en voeten uit de takken van de boom vallen, maar de hobbits volgden wat langzamer. Zodra ze beneden waren, gingen ze weer verder met Gollem voorop, naar het oosten, naar het donkere glooiende land. Zij konden weinig zien, want de nacht was nu zo donker, dat ze de stammen van de bomen nauwelijks opmerkten en ertegenop botsten voordat ze er erg in hadden. Het terrein werd onregelmatiger en het lopen moeilijker, maar Gollem scheen geenszins verontrust. Hij leidde hen door bosjes en braamstruiken, soms om de rand van een diepe kloof of donkere afgrond, soms in zwarte met bosjes omringde holten en er weer uit; maar telkens als zij een eindje naar beneden gingen, was de volgende helling altijd langer en steiler. Zij klommen gestaag. Bij hun eerste oponthoud keken zij achterom en konden heel in de verte het dak van het bos zien dat zij achter zich hadden gelaten, als een enorme dichte schaduw, een donkerder nacht onder de donkere lege hemel. Uit het Oosten scheen langzaam een grote zwartheid op te doemen, die de vage onduidelijke sterren opslokte. Later ontsnapte de dalende maan aan de achtervolging van de wolken, maar zij was omringd door een ziekelijk gelig schijnsel.