Ongeveer een uur lang liepen zij verder, zwijgend, achter elkaar, beklemd door de duisternis en de volslagen stilte van het land, die af en toe alleen werd verbroken door het flauwe gerommel als van donder of tromgeroffel in een of andere holte in de heuvels. Zij gingen van hun schuilplaats naar omlaag en toen, nadat zij naar het zuiden waren afgebogen, hielden zij een zo recht mogelijke koers aan als Gollem over een lange oneffen helling die naar de bergen omhoogliep kon vinden. Weldra zagen zij niet ver voor zich uit een gordel van bomen als een zwarte muur voor zich opdoemen. Toen ze dichterbij kwamen, zagen ze dat deze enorm groot waren en heel oud, scheen het, hoewel de kruinen naargeestig en gebroken waren, alsof een orkaan en bliksem eroverheen waren geveegd, maar er niet in waren geslaagd om hun peilloze wortels te doen wankelen.
‘De Tweesprong, ja,’ fluisterde Gollem, de eerste woorden die er waren gesproken sinds zij hun schuilplaats hadden verlaten. ‘We moeten die kant uit gaan.’ Zij bogen nu naar het oosten af en hij leidde hen de helling op; en toen plotseling lag hij voor hen: de Zuidelijke Weg, die zich om de voet van de bergen slingerde, totdat hij ineens in een grote kring bomen dook.
‘Dit is de enige weg,’ fluisterde Gollem. ‘Geen paden achter deze weg. Geen paden. We moeten naar de Tweesprong gaan. Maar haast je. Wees stil!’
Steels als verkenners die zich binnen het kamp van hun vijanden bevinden, kropen zij omlaag op de weg en slopen langs de westelijke rand ervan onder aan de rotsachtige berm, grijs als de stenen zelf, en zachtvoetig als katten, die op roof uit zijn. Ten slotte bereikten zij de bomen en merkten dat zij in een grote kring stonden, open in het midden onder de sombere hemel; en de ruimten tussen hun geweldige stammen waren als de grote donkere bogen van een of andere verwoeste zaal. Precies in het midden kruisten vier wegen elkaar. Achter hen lag de weg naar de Morannon; voor hen liep deze er weer uit op zijn lange reis naar het zuiden. Aan hun rechterkant klom de weg uit het oude Osgiliath omhoog, kruiste de andere en verdween oostwaarts in de duisternis: de vierde weg, de weg die zij zouden nemen.
Toen hij daar een ogenblik van angst vervuld bleef staan, merkte Frodo dat er een licht scheen; hij zag het op Sams gezicht naast hem glanzen. Toen hij zich ernaar toe keerde zag hij, achter een boog van takken, de weg naar Osgiliath bijna even recht als een uitgerekt lint naar beneden lopen, omlaag, naar het Westen. Daar, ver weg, achter het droeve Gondor nu overstelpt door schaduw, ging de zon onder, die eindelijk de rand van het grote voortdrijvende lijkkleed van wolken had gevonden en in een onheilspellend vuur naar de nog onbezoedelde zee daalde. De kortstondige gloed viel op een enorme zittende figuur, stil en plechtig als de grote stenen koningen van Argonath. De jaren hadden eraan geknaagd, en gewelddadige handen hadden haar beschadigd. Het hoofd was verdwenen en in plaats ervan was als bespotting een ronde ruw gehakte steen neergezet, grof beschilderd door woeste handen, naar het evenbeeld van een grijnzend gezicht, met een groot rood oog in het midden van zijn voorhoofd. Op de knieën en machtige zetel en helemaal om het voetstuk heen waren nietsbeduidende krabbels vermengd met de smerige symbolen die het madenvolk van Mordor gebruikte. Plotseling zag Frodo in de horizontale stralen het hoofd van de oude koning: het lag daar zoals het naar de kant van de weg was gerold. ‘Kijk, Sam,’ riep hij in opwinding uit. ‘Kijk! De koning heeft weer een kroon!’
De ogen waren hol en de gebeeldhouwde baard was afgebroken, maar om het hoge strenge voorhoofd zat een hoofdband van zilver en goud. Een slingerplant met bloemen als kleine witte sterren, had zich uit zichzelf om het voorhoofd gewonden, als het ware uit eerbied voor de gevallen koning, en in de spleten van zijn steenachtige haar glinsterde gele muurpeper.
‘Zij kunnen niet voor altijd overwinnen!’ zei Frodo. En toen plotseling was de vluchtige aanblik verdwenen. De zon dook onder en verdween, en als een lamp die gedoofd wordt, viel de zwarte nacht.
VIII. De trappen van Cirith Ungol
Gollem sjorde aan Frodo’s mantel en siste van angst en ongeduld. ‘We moeten gaan,’ zei hij. ‘We moeten hier niet blijven staan. Schiet op!’
Aarzelend keerde Frodo het Westen de rug toe en volgde toen zijn gids, die hem voorging naar de duisternis van het Oosten. Zij verlieten de kring van bomen en slopen langs de weg naar de bergen. Deze weg liep ook een eind recht, maar al gauw begon hij naar het zuiden af te buigen, tot hij vlak onder de grote rotswand liep die zij uit de verte hadden gezien. Zwart en dreigend rees die boven hen op, donkerder dan de donkere lucht erachter. De weg kroop voort onder de schaduw ervan en na een bocht te hebben beschreven, liep hij weer naar het oosten en begon steil omhoog te lopen.
Frodo en Sam sjokten met bezwaard gemoed voort, niet langer in staat zich veel zorgen te maken over het gevaar waarin zij verkeerden. Frodo’s hoofd was gebogen; zijn last deed hem weer gebukt gaan. Zodra zij de grote kruisende wegen voorbij waren was h et gewicht ervan, dat in Ithilien bijna was vergeten, weer toegenomen. Nu hij de weg voor zijn voeten steil voelde worden, keek hij vermoeid op en toen zag hij haar, zoals Gollem had voorspeld: de stad van de Ringgeesten. Hij drukte zich angstig tegen de rotsachtige helling aan.
Een lang hellend dal, een diepe kloof van schaduw, liep heel ver de bergen in. Aan de andere kant, een eindje binnen de armen van het dal, hoog op een rotsachtig plateau op de zwarte rondingen van de Ephel Dúath, stonden de muren en de toren van Minas Morgul. Alles eromheen was donker, aarde en hemel, maar zij was vanbinnen verlicht. Niet het gevangen maanlicht dat lang geleden door de marmeren muren van Minas Ithil, de Maantoren, had geschenen, schoon en stralend in de holte van de heuvels. Het licht ervan was nu fletser dan dat van de maan, die in een trage verduistering bezwijmde; het flakkerde en zwaaide als een ziekelijke, bedorven uitwaseming, een lijkkleurig licht, dat niets verlichtte. In de muren en de toren waren vensters, als talloze zwarte gaten die binnenwaarts de leegte in keken; maar de bovenste omloop van de toren draaide langzaam, eerst naar de ene kant, toen naar de andere, een enorm spookachtig hoofd, dat de nacht in tuurde. Een ogenblik bleven de metgezellen daar staan, ineenkrimpend, met onwillige ogen naar boven starend. Gollem was de eerste die zich herstelde. Opnieuw trok hij dringend aan hun mantels, maar hij zei niets. Hij sleurde hen bijna mee. Iedere stap was schoorvoetend, en de tijd scheen trager te verlopen, zodat tussen het opheffen van een voet en het neerzetten ervan minuten van afschuw verliepen.
Zo kwamen zij langzaam bij de witte brug. Hier liep de weg, die flauw glansde, over de stroom in het midden van de vallei, en ging verder, langs een omweg naar de poort van de stad slingerend: een zwarte mond die uitkwam op de buitenste cirkel van de noordelijke muren. Brede vlakten lagen aan weerszijden; schimmige weiden vol bleke witte bloemen. Deze waren ook lichtgevend, mooi, maar toch afzichtelijk gevormd, als de gedegenereerde vormen in een verontrustende droom; en zij scheidden een flauwe lijkenlucht af; een geur van verrotting vervulde de lucht. De brug liep van wei naar wei. Aan het begin ervan stonden stenen figuren, vernuftig uitgehouwen menselijke en dierlijke gestalten, alle even verdorven en afzichtelijk. Het water dat eronder stroomde was stil en het stoomde, maar de damp die ervan opsteeg en om de brug heen kringelde en sliertte, was dodelijk koud. Frodo voelde zijn zinnen rondtollen en zijn geest verduisteren. Toen, plotseling, alsof er een of andere kracht buiten zijn eigen wil aan het werk was, begon hij zich te haasten, naar voren wankelend, zijn grijpende handen uitgestrekt, terwijl zijn hoofd van de ene kant naar de andere rolde. Sam en Gollem renden hem beiden achterna. Sam ving zijn meester in zijn armen op toen hij struikelde en bijna viel, vlak op de drempel van de brug.