Op dat ogenblik draaide de Geestenkoning zich om, gaf zijn paard de sporen en reed de brug over met zijn hele zwarte leger achter zich aan. Misschien misleidden de elfenkappen zijn onzichtbare ogen en had de geestkracht van zijn kleine vijand, die was gesterkt, zijn gedachten afgeleid. Maar hij had haast. Het uur had al geslagen, en op bevel van zijn grote Meester moest hij naar het Westen trekken om daar strijd te leveren.
Weldra was hij voorbij, als een schaduw in de schaduw, de slingerende weg af, maar achter hem trokken de zwarte legerscharen nog steeds de brug over. Zo’n groot leger was nog nooit dat dal uit getrokken sinds de dagen van Isildurs macht; geen vijand, z o woest en sterk bewapend, had ooit de voorden van de Anduin aangevallen: en toch was het maar een van de legers, en niet het grootste, dat Mordor uitzond.
Frodo verroerde zich. En plotseling ging zijn hart uit naar Faramir. Het noodweer is eindelijk losgebarsten, dacht hij. Deze grote strijdmacht van speren en zwaarden trekt naar Osgiliath. Zal Faramir op tijd aan de overkant zijn? Hij vermoedde het, maar wist hij het uur? En wie kan de voorden houden nu de Koning van de Negen Ruiters komt? En er zullen andere legers komen. Ik ben te laat. Alles is verloren. Ik heb onderweg getreuzeld. Alles is verloren. Zelfs al wordt mijn missie volbracht, dan zal niemand het ooit weten. Er zal niemand zijn aan wie ik het kan vertellen. Het zal vergeefs zijn. In een aanval van zwakte huilde hij. En nog steeds trok het leger van Morgul de brug over.
Toen van op grote afstand, alsof hij uit de herinneringen aan de Gouw kwam, op een zonnige vroege morgen, toen de dag lokte en deuren opengingen, hoorde hij Sams stem spreken. ‘Word wakker, meneer Frodo! Word wakker.’ Als de stem eraan had toegevoegd: ‘Uw ontbijt staat klaar’, zou hem dat nauwelijks hebben verbaasd. Sam hield beslist aan. ‘Wakker worden, meneer Frodo. Ze zijn weg,’ zei hij.
Er klonk een doffe klap. De poorten van Minas Morgul waren dichtgegaan. De laatste rij speren was van de weg verdwenen. De toren grijnsde nog aan de overkant van de vallei, maar het licht erin vervaagde. De hele stad viel terug in een donkere broeierige schaduw en stilte. Maar niettemin was zij nog van waakzaamheid vervuld.
‘Word wakker, meneer Frodo. Ze zijn weg en wij moesten ook maar gaan. Er is nog iets levends op die plaats, iets met ogen of een ziende geest, als u me vat; en hoe langer wij op één plek blijven, des te eerder zal het ons te pakken krijgen. Vooruit, meneer Frodo.’
Frodo hief het hoofd op en kwam toen overeind. De wanhoop had hem nog niet verlaten, maar de zwakte was voorbij. Hij glimlachte zelfs grimmig en voelde nu even duidelijk als hij een ogenblik het tegenovergestelde had gevoeld, dat hij zo mogelijk moest doen wat hem was opgedragen, en dat het er helemaal niet toe deed of Faramir, Aragorn, Elrond, Galadriel of Gandalf, of iemand anders ervan af wist. Hij nam zijn stok in de ene hand en het flesje in de andere. Toen hij zag dat het heldere licht al door zi jn vingers welde, borg hij het weer op zijn borst en hield het tegen zijn hart aan. Toen, terwijl hij de stad Morgul de rug toekeerde – nu niet meer dan een grijze glinstering boven een donkere afgrond – maakte hij zich gereed om de weg naar boven te gaan.
Gollem, scheen het, was langs de richel in de daarachter liggende duisternis gekropen toen de poorten van Minas Morgul zich hadden geopend, en had de hobbits gelaten waar zij lagen. Nu kwam hij teruggekropen, met klapperende tanden en krakende vingers. ‘Dwaasss, ssstom!’ siste hij. ‘Ssschiet op. Ze moeten niet denken dat het gevaar voorbij is. Dat iss niet zo. Schiet op!’
Zij antwoordden niet, maar volgden hem naar de omhooglopende richel. Het zinde hun beiden niet erg, zelfs niet na zoveel andere gevaren het hoofd te hebben geboden; maar het duurde niet lang. Weldra bereikte het pad een ronde hoek waar de berghelling weer uitbolde, en daar liep het plotseling naar een nauwe opening in de rotsen. Zij waren bij de eerste trap gekomen waar Gollem over had gesproken. Er heerste bijna volslagen duisternis en zij konden geen hand voor ogen zien, maar Gollems ogen schenen flets, enkele voeten boven hen, toen hij zich naar hen omdraaide.
‘Voorzichtig!’ fluisterde hij. ‘Treden. Heleboel treden. Moeten voorzichtig zijn.’
Voorzichtigheid was inderdaad geboden. Frodo en Sam voelden zich aanvankelijk geruster, nu er aan weerskanten van hen een wand was, maar de trap was bijna even steil als een ladder, en toen zij steeds hoger stegen, werden zij zich al meer bewust van de lange zwarte steilte achter hen. En de treden waren smal, op ongelijke afstanden van elkaar, en vaak verraderlijk: ze waren uitgesleten en glad aan de randen en sommige waren gebroken, terwijl andere kraakten als je erop ging staan. De hobbits zwoegden voort, tot ze zich ten slotte met wanhopige vingers aan de voor hen liggende treden vastklampten, en hun pijnlijke knieën dwongen zich te buigen en weer te strekken. En telkens als de trap zich dieper in de steile berg vrat, rezen de rotswanden hoger en hoger boven hun hoofden uit.
Ten slotte voelden zij dat ze niet meer konden; zij zagen Gollems ogen weer op hen neer staren. ‘We zijn er,’ fluisterde hij. ‘Eerste trap gehad. Knappe hobbits om zo hoog te klimmen, hele knappe hobbits. Nog een paar treetjes en dan hebben we ’t gehad.’
Duizelig en doodmoe volgden Frodo en Sam hem, kropen de laatste trede op en gingen hun benen en knieën zitten wrijven. Zij bevonden zich in een diepe donkere gang, die nog altijd voor hen scheen op te rijzen, zij het met een wat minder steile helling en zonder treden. Gollem liet hen niet lang met rust.
‘Er is nog een trap,’ zei hij. ‘Veel langere trap. Rust als we boven aan de volgende trap zijn gekomen. Nu nog niet.’
Sam kreunde. ‘Langer, zei je?’ vroeg hij.
‘Ja, ssja, langer,’ zei Gollem. ‘Maar niet zo moeilijk. Hobbits hebben de Rechte Trap beklommen. Nu komt Wenteltrap.’
‘En wat daarna?’
‘Dat zullen we wel zien,’ zei Gollem zachtjes. ‘O ja, dat zullen we wel zien!’
‘Ik dacht dat je zei dat er een tunnel was,’ zei Sam. ‘Is er niet een of andere tunnel die we door moeten?’
‘O ja, er is een tunnel,’ zei Gollem. ‘Maar hobbits kunnen rusten voordat ze dat proberen. Als ze daardoor komen, zullen ze bijna bij de top zijn. Vlakbij, als ze het halen. O ja.’
Frodo huiverde. De klimpartij had hem aan het zweten gemaakt, maar nu voelde hij zich koud en klam en er woei een kille tocht in de donkere gang, die door onzichtbare hoogten boven blies. Hij stond op en vermande zich. ‘Welnu, laten we verdergaan,’ zei hij. ‘Dit is geen plek om te blijven zitten.’
Er scheen maar geen einde aan de gang te komen en de hele tijd stroomde koude lucht over hen heen, ondertussen aanwakkerend tot een bittere wind. De bergen schenen te trachten hen met hun dodelijke adem te ontmoedigen, hen terug te doen keren van de geheimen van de hoge plaatsen, of hen in de duisternis achter hen weg te blazen. Zij wisten alleen dat zij aan het einde waren gekomen toen zij plotseling rechts van hen geen wand meer voelden. Zij konden heel weinig zien. Grote zwarte vormloze massa’s en diepgrijze schaduwen rezen boven hen en rondom hen op, maar nu en dan flikkerde een dof rood licht onder de laaghangende wolken, en een ogenblik waren ze zich bewust van hoge pieken, voor en aan weerskanten, als zuilen die een enorm doorzakkend dak ondersteunden. Zij schenen vele honderden voeten te zijn gestegen, naar een brede richel. Links van hen was een rotswand; aan hun rechterkant een afgrond.
Gollem ging hen voor, dicht onder de wand. Zij stegen niet langer, maar het terrein was nu veel oneffener en gevaarlijk in het donker, want er lagen rotsblokken en neergestort puin op het pad. Zij kwamen langzaam en voorzichtig vooruit. Frodo en Sam wisten niet meer hoeveel uren er waren verlopen sinds zij de Morgulvallei waren binnengegaan. De nacht scheen eindeloos.