Выбрать главу

Ten slotte werden ze zich opnieuw bewust van een wand die opdoemde, en opnieuw opende zich een trap voor hen. Opnieuw bleven ze staan, en opnieuw begonnen ze te klimmen. Het was een lange, moeizame bestijging, maar deze trap groef zich niet in de berghelling. Hier helde de enorme rotswand naar achteren, en het pad slingerde zich er als een slang omheen. Op één punt kroop het opzij tot vlak bij de rand van de donkere afgrond en toen Frodo omlaagkeek, zag hij beneden zich, als een enorme diepe put, het grote ravijn aan het begin van het Morguldal. Beneden in de diepte glinsterde de geestenweg van de dode stad naar de Naamloze Pas als het schijnsel van een gloeiworm. Hij wendde zijn blik haastig af.

Steeds verder en hoger boog de trap zich en kroop voort totdat hij, na enkele laatste treden, kort en recht, op een ander plateau uitkwam. Het pad was afgeslagen van de voornaamste pas door het grote ravijn en volgde nu zijn eigen gevaarlijke loop onder aan een kleinere spleet tussen de hogere regionen van de Ephel Dúath. Vaag onderscheidden de hobbits hoge zuilen en gekartelde pinakels van steen aan beide kanten; daartussenin waren grote reten en scheuren, zwarter dan de nacht, waar vergeten winters de nooit door de zon beschenen steen hadden uitgeschuurd en gegraveerd. En nu scheen het rode licht aan de hemel sterker, hoewel zij niet konden zeggen of een afschuwelijke morgen werkelijk op deze plaats van schaduw ging aanbreken, of dat zij alleen de vlam van de grote woede van Sauron in de foltering van Gorgoroth daarachter zagen. Nog ver weg, en nog heel hoog, zag Frodo, zoals hij vermoedde, het eind van deze bittere weg. Tegen het doffe rood van de oostelijke hemel stond in de bovenste richel een spleet afgetekend, nauw, diep uitgeschuurd tussen de twee zwarte bergruggen; en aan iedere kant van de rug was een hoorn van steen.

Hij bleef staan en keek er aandachtig naar. De hoorn links was hoog en slank, en er brandde een rood licht in, of anders scheen het rode licht in het land erachter door een gat. Hij zag nu dat het een zwarte toren was die boven de buitenste pas stond. Hij tikte Sam op de arm en wees ernaar.

‘Dat ziet er niet best uit!’ zei Sam. ‘Dus deze geheime weg van je wordt uiteindelijk toch bewaakt?’ gromde hij tegen Gollem. ‘Zoals je de hele tijd al wist, veronderstel ik.’

‘Alle wegen worden bewaakt, ja,’ zei Gollem. ‘Natuurlijk. Maar hobbits moeten een of andere weg proberen. Deze wordt misschien het minst bewaakt. Misschien is iedereen weg naar grote slag, misschien!’

‘Misschien,’ bromde Sam. ‘Welnu, het lijkt nog ver weg en nog een fiks eind omhoog voor we er zijn. En de tunnel is er ook nog. Ik vind dat u nu maar moet rusten, meneer Frodo. Ik weet niet hoe laat het is, en of het dag of nacht is, maar we hebben uren en uren gelopen.’

‘Ja, we moeten rusten,’ zei Frodo. ‘Laat ons een hoekje vinden dat uit de wind ligt en onze krachten verzamelen – voor de laatste etappe.’ Want zo voelde het aan. De verschrikkingen van het land daarachter, en de daad die daar moest worden verricht, schenen veraf, te ver om hem nu al te verontrusten. Zijn aandacht was helemaal gericht op de vraag hoe hij door of over deze ondoordringbare muur en bewaking kon komen. Als hij die onmogelijke daad eenmaal kon verrichten, zou zijn missie op de een of andere manier ook worden volbracht, zo scheen het hem althans toe in dat duistere uur van vermoeidheid, toen hij nog in de rotsachtige schaduwen van de Cirith Ungol zwoegde.

Zij gingen zitten in een donkere spleet tussen twee rotsmuren, Frodo en Sam een eindje naar binnen, terwijl Gollem op de grond bij de opening neerhurkte. Daar gebruikten de hobbits wat vermoedelijk hun laatste maaltijd zou zijn voordat zij in het Naamloze Land afdaalden, misschien wel het laatste maal dat zij ooit met elkaar zouden gebruiken. Zij aten iets van het eten van Gondor en wafels van het wegbrood van de elfen en dronken een weinig. Maar zij waren zuinig met het water en namen slechts genoeg om hun droge monden te bevochtigen.

‘Ik vraag me af wanneer we weer water zullen vinden,’ zei Sam. ‘Maar ik veronderstel dat ze zelfs daarginds drinken. Orks drinken toch, nietwaar?’

‘Ja, ze drinken,’ zei Frodo. ‘Maar laten we het daar niet over hebben. Dat soort drank is niet voor ons.’

‘Dan is het des te noodzakelijker om onze flessen te vullen,’ zei Sam. ‘Maar er is hierboven helemaal geen water; ik heb nog geen droppeltje horen vallen. En Faramir heeft in ieder geval gezegd dat wij in Morgul geen water moeten drinken.’

‘Geen water dat uit de Imlad Morgul stroomt, waren zijn woorden,’ zei Frodo. ‘Wij zijn nu niet in dat dal, en als we een bron vonden, zou het erin stromen en niet eruit.’

‘Ik zou het niet vertrouwen,’ zei Sam, ‘niet voordat ik stierf van de dorst. Er heerst hier een kwade atmosfeer.’ Hij snoof. ‘En het stinkt. Merkt u het? Een vreemd soort geur, bedompt. Het staat me niets aan.’

‘Mij staat hier helemaal niets aan,’ zei Frodo, ‘trap of steen, adem of been. Aarde, lucht en water schijnen alle vervloekt. Maar dit is nu eenmaal ons pad.’

‘Ja, zo is het,’ zei Sam. ‘En we zouden hier helemaal niet zijn als we er meer vanaf hadden geweten voor we op weg gingen. Maar ik neem aan dat het vaak zo gaat. De dappere dingen in de oude verhalen en liederen, meneer Frodo; avonturen zoals ik ze vroeger noemde. Ik dacht altijd dat het zaken waren waar wonderbaarlijke lieden uit de verhalen naar op zoek gingen, omdat zij dat wilden, omdat ze opwindend waren en het leven een beetje saai was, een soort vermaak zou je kunnen zeggen. Maar zo is het niet met de verhalen die werkelijk belangrijk waren, of de verhalen die in je herinnering blijven. Men scheen er gewoonlijk in verzeild te zijn geraakt – hun wegen lagen eenvoudig zo, zoals u zei. Maar ik veronderstel dat ze een hoop kansen hadden, zoals wij, om om te keren; het punt is dat ze dat niet deden. En als ze het wel hadden gedaan, zouden we het niet weten, omdat ze vergeten zouden zijn. Wij horen alleen over diegenen die gewoon verdergingen – en niet allemaal naar een goed einde, let wel; tenminste niet naar wat lieden in een verhaal, en niet erbuiten, een goed einde noemen. U weet wel, thuiskomen en alles in orde aantreffen, hoewel niet precies hetzelfde – zoals de oude meneer Bilbo. Maar dat zijn niet altijd de beste verhalen om naar te luisteren, hoewel het misschien wel de beste verhalen zijn om in verzeild te raken! Ik vraag me af in wat voor soort verhaal wij verzeild zijn geraakt.’

‘Dat vraag ik me ook af,’ zei Frodo. ‘Maar ik weet het niet. En zo gaat het ook met echte verhalen. Neem elk willekeurig verhaal waar je van houdt. Je weet of vermoedt misschien wat voor soort verhaal het is, blij eindigend of droef eindigend, maar de lieden over wie het gaat weten dat niet. En je zou ook niet willen dat ze het wisten.’

‘Nee, meneer, natuurlijk niet. Neem Beren bijvoorbeeld, hij had nooit gedacht dat hij die Silmaril uit de IJzeren Kroon in Thangorodrim zou krijgen, maar toch gebeurde het, en dat was een nog ergere plaats en zwarter gevaar dan het onze. Maar dat is een lang verhaal, natuurlijk, en gaat verder voorbij het geluk en verdriet en daar voorbij – en de Silmaril ging verder en kwam bij Eärendil. Maar waarom, meneer, heb ik daar nooit eerder aan gedacht? Wij hebben – u hebt iets van het licht ervan in dat sterrenglas dat de Vrouwe u heeft gegeven. Lieve help, te bedenken dat we nog in datzelfde verhaal zitten. Het gaat maar door. Komt er nooit een eind aan de grote verhalen?’

‘Nee, ze eindigen nooit als verhalen,’ zei Frodo. ‘Maar de personages erin komen en gaan wanneer hun rol is uitgespeeld. Onze rol zal laat – of vroeg – ten einde lopen.’

‘En dan kunnen we wat rusten en slapen,’ zei Sam. Hij lachte verbeten. ‘En dat bedoel ik letterlijk, meneer Frodo. Ik bedoel echte gewone rust en slaap, en wakker worden om ’s ochtends in de tuin te werken. Ik vrees dat dat het enige is waar ik de hele tijd op hoop. Al die grote belangrijke plannen zijn niet voor lieden van mijn slag. Maar toch vraag ik me af of wij ooit in liederen of verhalen terecht zullen komen. We zitten al in een, natuurlijk, maar wat ik bedoel is: in woorden vastgelegd, weet u, bij de haard verteld of gelezen uit een groot boek met rode en zwarte letters, jaren en jaren later. En de mensen zullen zeggen: “Laat ons horen over Frodo en de Ring!” En ze zullen zeggen: “Ja, dat is een van mijn lievelingsverhalen. Frodo was heel dapper, nietwaar, pa?” “Ja, m’n jongen, de beroemdste van alle hobbits, en dat zegt wat.”’