Выбрать главу

Sam voelde zich enigszins berouwvol, hoewel hij hem voor geen cent meer vertrouwde. ‘Het spijt me. Het spijt me, maar je hebt me uit m’n slaap doen opschrikken. En ik had niet mogen slapen, en daarom was ik wat al te heftig. Maar meneer Frodo is zo moe dat ik hem heb gevraagd een uiltje te knappen: nou zo zit het in elkaar. Spijt me. Maar wat heb jij uitgevoerd?’

‘Rondgeslopen,’ zei Gollem en de groene glans verdween niet uit zijn ogen.

‘Nou goed dan,’ zei Sam. ‘Zoals je wilt. Ik denk niet dat het erg ver bezijden de waarheid is. En nu kunnen we beter met ons allen wegsluipen. Hoe laat is het? Is het vandaag of morgen?’

‘Het is morgen,’ zei Gollem, ‘of het was morgen toen de hobbits gingen slapen. Heel dwaas, heel gevaarlijk – als de arme Gollem niet rondsloop om de wacht te houden.’

‘Ik denk dat we dat woord gauw moe zullen worden,’ zei Sam. ‘Maar goed. Ik zal de meester wakker maken.’ Zachtjes streek hij het haar van Frodo’s voorhoofd achterover, boog zich voorover en sprak zacht tegen hem.

‘Word eens wakker, meneer Frodo! Word eens wakker!’ Frodo verroerde zich en opende zijn ogen, en glimlachte toen hij Sams gezicht over zich heen zag buigen. ‘Je roept me vroeg, nietwaar, Sam,’ zei hij. ‘Het is nog donker.’

‘Ja, het is hier altijd donker,’ zei Sam. ‘Maar Gollem is teruggekomen, meneer Frodo, en hij zegt dat het morgen is. Dus we moeten verdergaan. De laatste etappe.’

Frodo haalde diep adem en ging rechtop zitten. ‘De laatste etappe!’ zei hij. ‘Hallo, Sméagol, heb je wat te eten gevonden? Heb je wat gerust?’

‘Geen eten, geen rust, niks voor Sméagol,’ zei Gollem. ‘Hij is een sluiper.’

Sam klakte met zijn tong, maar hield zich in.

‘Scheld jezelf niet uit, Sméagol,’ zei Frodo. ‘Het is niet verstandig, of het juist is of niet.’

‘Sméagol moet nemen wat hem gegeven wordt,’ antwoordde Gollem. ‘Hij heeft die naam gekregen van de vriendelijke meester Sam, de hobbit die zoveel weet.’

Frodo keek Sam aan. ‘Ja, meneer,’ zei hij. ‘Ik heb dat woord inderdaad gebruikt toen ik plotseling wakker schrok en hem vlakbij zag. Ik heb gezegd dat het me speet, maar weldra zal ik er geen spijt meer van hebben.’

‘Vooruit, laten we er niet meer over spreken. Maar nu schijnen we het beslissende punt bereikt te hebben, jij en ik, Sméagol. Zeg eens. Kunnen we zelf verder de weg vinden? We kunnen de pas zien of de weg die erheen leidt, en als we hem nu kunnen vinden, dan denk ik dat onze overeenkomst als beëindigd kan worden beschouwd. Jij hebt gedaan wat je beloofd hebt, en je bent vrij: vrij om terug te gaan naar eten en rust, waar je ook maar heen wilt, behalve naar de dienaren van de Vijand. En op een goede dag zal ik je misschien belonen, ik, of zij die zich mij herinneren.’

‘Nee, nee, nog niet,’ klaagde Gollem. ‘O nee! Ze kunnen de weg niet alleen vinden, wel? O nee, heus niet. De tunnel komt nog. Sméagol moet verdergaan. Geen rust. Geen eten. Nog niet.’

IX. Shelobs leger

Misschien was het nu inderdaad dag, zoals Gollem zei, maar de hobbits konden maar weinig verschil zien, of het moest zijn dat de zware hemel boven hun hoofden misschien minder roetzwart was, eerder een groot dak van rook, terwijl in plaats van de duisternis van de diepe nacht, die nog in spleten en holen hing, een grijze, verdoezelende schaduw de rotsachtige wereld rondom hen verhulde. Zij gingen verder, Gollem voorop en de hobbits nu naast elkaar, omhoog door het lange ravijn tussen de pijlers en zuilen van gebarsten en verweerde rots, die als enorme vormloze standbeelden aan weerskanten stonden. Er was geen geluid. Een eindje, een mijl of zo, voor hen uit stond een grote, grijze muur, een laatste enorme oprijzende massa bergsteen. Donkerder en gestadig hoger werd zijn dreiging toen zij dichterbij kwamen, totdat hij hoog boven hen oprees en het uitzicht op alles wat erachter lag, ontnam. Een diepe schaduw lag aan de voet ervan. Sam snoof de lucht op.

‘Jakkes. Die stank,’ zei hij. ‘Hij wordt almaar sterker.’

Weldra stonden zij in de schaduw, en daar middenin zagen zij de opening van een grot. ‘Dit is de weg naar binnen,’ zei Gollem zacht. ‘Dit is de ingang van de tunnel.’ De naam ervan sprak hij niet uit: Torech Ungol, Shelobs leger. Stank dreef naar buiten; niet de walgelijke geur van verrotting in de dreven van Morgul, maar een smerige lucht, alsof er in de duisternis daarbinnen ondefinieerbare vuiligheid lag opgehoopt en werd bewaard.

‘Is dit de enige weg, Sméagol?’ vroeg Frodo.

‘Ja, ja,’ antwoordde hij. ‘Ja, we moeten nu deze weg gaan!’

‘Wil je zeggen dat je door dit hol bent gegaan?’ vroeg Sam. ‘Bah! Maar misschien vind jij stank niet zo erg.’

Gollems ogen flikkerden. ‘Hij weet niet wat wij erg vinden, nietwaar, lieveling? Nee, dat weet-ie niet. Maar Sméagol kan dingen verdragen. Ja. Hij is erdoor geweest. O, ja, helemaal erdoor. Het is de enige weg.’

‘En wat veroorzaakt die stank, vraag ik me af,’ zei Sam. ‘Het lijkt – welnu, dat zeg ik liever niet. Een of ander beestachtig hol van de orks, wed ik, met hun afval van honderd jaar erin.’

‘Welaan,’ zei Frodo. ‘Orks of geen orks, als het de enige weg is, moeten wij hem gaan.’

Zij haalden diep adem voor zij erin gingen. Na een paar stappen bevonden ze zich in een volslagen en ondoordringbare duisternis. Sinds de duistere gangen van Moria had Frodo noch Sam een dergelijke duisternis meegemaakt, en zo mogelijk was deze nog dieper en dichter. Daar waren luchtstromingen geweest, en echo’s en een gevoel van ruimte. Hier was de lucht volkomen onbewogen, zwaar, en elk geluid werd gedempt. Zij liepen als in een zwarte damp, gemaakt van duisternis zelf die, wanneer zij werd ingeademd, blindheid veroorzaakte, niet alleen voor de ogen, maar ook voor de geest, zodat zelfs de herinneringen aan kleuren en vormen en licht uit het denken verdwenen. Het was altijd nacht geweest, en die zou er altijd heersen, en de nacht was het enige.

Maar een tijdlang konden zij nog voelen, en de gevoeligheid van hun voeten en vingers scheen eigenlijk eerst pijnlijk te zijn verscherpt. De muren voelden tot hun verbazing glad aan en de grond, met uitzondering van af en toe een trede, was recht en vlak en liep steeds onder dezelfde scherpe hoek omhoog. De tunnel was hoog en breed, zo breed, dat de hobbits, hoewel zij naast elkaar liepen en de wanden slechts met uitgestrekte handen konden aanraken, gescheiden waren, alleen, afgesneden in de duisternis.

Gollem was het eerste naar binnen gegaan en scheen maar een paar passen voor te liggen. Terwijl zij nog in staat waren dergelijke dingen op te merken, konden ze zijn adem vlak voor zich horen sissen en hijgen. Maar na een tijdje werden hun zintuigen matter; zowel het gevoel als het gehoor scheen verlamd te worden en zij gingen voort, tastend en lopend, al verder en verder, voornamelijk door de wilskracht waarmee zij naar binnen waren gegaan; de wil om door te zetten en het verlangen om ten slotte bij de hoge poort daarachter te komen.

Voordat zij misschien erg ver waren gegaan – maar hij verloor weldra alle gevoel voor tijd en afstand – werd Sam aan de rechterkant, toen hij de wand betastte, zich bewust van een opening opzij: een ogenblik hoorde hij het zachte suizen van minder zware lucht, en toen gingen ze erlangs.

‘Er is hier meer dan één gang,’ fluisterde hij met moeite; het scheen moeilijk om zijn adem enig geluid te doen geven. ‘Het is hier zo orkachtig als het maar zijn kan!’

Daarna – eerst hij rechts en toen Frodo links – kwamen zij langs drie of vier van dergelijke openingen, sommige wijder, andere smaller; maar er bestond nog geen twijfel aan de hoofdweg, want die was recht en beschreef geen enkele bocht, en liep nog steeds geleidelijk omhoog. Maar hoe lang was hij, hoeveel meer ervan zouden zij nog te verduren hebben, of konden zij verduren? De ademloosheid van de lucht nam toe naarmate zij stegen; en nu schenen zij vaak in de blinde duisternis een weerstand te voelen die dichter was dan de stinkende lucht. Toen zij zich voorwaarts worstelden, voelden zij dingen langs hun hoofd vegen of tegen hun handen; lange tentakels, of hangende vegetatie misschien; zij konden niet zeggen wat het was. En de stank werd steeds erger. Deze nam toe tot het hun bijna toescheen dat de reuk het enige overgebleven zintuig was, en dat was om hen te kwellen. Eén uur, twee uur, drie uur: hoeveel waren er in dit pikzwarte hol voorbijgegaan? Uren – dagen, weken leken het eerder. Sam verliet de tunnelwand en ging vlak naast Frodo lopen; hun handen raakten elkaar en grepen ineen, en zo gingen zij samen verder.