Выбрать главу

Eindelijk kwam Frodo, die de linkerwand aftastte, plotseling bij een leegte. Hij viel bijna opzij in het niets. Er was een of andere opening in de rots die veel wijder was dan de andere waar zij langs waren gekomen, en daaruit kwam zo’n hevige stank en een zo intense sfeer van dreigende kwaadaardigheid, dat Frodo wankelde. En op hetzelfde ogenblik wankelde Sam ook en viel voorover.

Terwijl hij tegen de misselijkheid en de angst vocht, greep Frodo Sams hand. ‘Sta op,’ zei hij met een hese geluidloze ademtocht. ‘Het komt allemaal hiervandaan, de stank en het gevaar. Nu erop af! Vlug.’

Al zijn resterende kracht en beslistheid verzamelend, trok hij Sam overeind en dwong zijn eigen ledematen te bewegen. Sam strompelde naast hem. Eén stap, twee stappen, drie stappen – ten slotte zes stappen. Misschien waren ze de afschuwelijke onzichtbare opening voorbij, maar of dat zo was of niet, ineens was het gemakkelijker om te bewegen, alsof een vijandige wil hen een ogenblik had losgelaten. Zij strompelden voort, nog steeds hand in hand.

Maar vrijwel onmiddellijk kwamen zij weer voor een nieuwe moeilijkheid te staan. De tunnel vertakte zich naar het scheen, en in het donker konden zij niet zeggen welke de breedste weg of welke de rechte was. Welke moesten zij nemen, de linkse of de rechtse? Er was niets waar zij houvast aan hadden, en een verkeerde keus zou hoogstwaarschijnlijk noodlottig zijn.

‘Welke kant is Gollem uitgegaan?’ vroeg Sam hijgend. ‘En waarom heeft hij niet gewacht?’

‘Sméagol!’ zei Frodo in een poging om te roepen. ‘Sméagol!’ Maar zijn stem kraste en de naam verstierf bijna op het moment dat hij over zijn lippen kwam. Er was geen antwoord, geen echo, zelfs geen trillinkje in de lucht.

‘Deze keer is hij werkelijk weg, denk ik,’ mompelde Sam. ‘Ik vermoed dat dit uitgerekend de plaats is waar hij ons heen heeft willen brengen. Gollem! Als ik je ooit nog eens te pakken krijg, zal het je berouwen.’

Weldra, terwijl zij in het donker rondtastten en zochten, merkten zij dat de opening links was geblokkeerd; óf zij was geblindeerd, óf er was een grote steen in de gang gevallen. ‘Dit kan de weg niet zijn,’ fluisterde Frodo. ‘Of het de goede is of niet, we moeten de andere nemen.’

‘En vlug,’ zei Sam hijgend. ‘Er is nog iets ergers dan Gollem in de buurt. Ik voel dat wij door iets worden gadegeslagen.’

Ze waren nauwelijks enkele meters verder toen er achter hen een geluid kwam, verrassend en angstaanjagend in de zware doffe stilte: een gorgelend, borrelend geluid en een lang venijnig gesis. Ze draaiden zich om, maar er was niets te zien. Ze stonden stokstijf te staren en wachtten, maar wisten niet waarop.

Het is een val!’ zei Sam en hij legde de hand op het gevest van zijn zwaard; en terwijl hij dat deed, dacht hij aan de donkerte van de grafheuvel waaruit het afkomstig was. Ik wou dat ouwe Tom nu in de buurt was, dacht hij. Toen, terwijl hij zo stond, duisternis rondom hem en een zwartheid van wanhoop en woede in zijn hart, scheen het hem toe dat hij een licht zag: een licht in zijn geest, eerst bijna onverdraaglijk helder, als een zonnestraal in de ogen van iemand die zich lang in een schacht zonder vensters heeft schuilgehouden. Toen werd het licht gekleurd: groen, goud, zilver, wit. In de verte, als op een kleine afbeelding die door elfenvingers was getekend, zag hij Vrouwe Galadriel op het gras in Lórien staan, en zij had geschenken in de handen. En voor jou, Ringdrager, hoorde hij haar zeggen, ver weg, maar duidelijk, voor jou heb ik dit gemaakt.

Het borrelende gesis kwam naderbij, en er klonk gekraak als van een enorm scharnierend voorwerp, dat met een trage doelbewustheid in het donker bewoog. Er ging stank aan vooraf. ‘Meester, meester!’ riep Sam, en zijn stem kwam tot leven en werd dwingend. ‘Het geschenk van de Vrouwe! Het sterrenglas!’

‘Het sterrenglas?’ mompelde Frodo, als iemand die in zijn slaap antwoordt en nauwelijks iets begrijpt. ‘Ja, natuurlijk. Waarom was ik het vergeten? Een licht voor wanneer alle andere lichten uitgaan! En nu kan inderdaad alleen licht ons helpen.’

Langzaam ging zijn hand naar zijn borst en langzaam haalde hij het Flesje van Galadriel tevoorschijn. Een ogenblik schitterde het, vaag als een opgaande ster in de zware aardse nevels, maar toen zijn sterkte toenam en de hoop in Frodo’s geest herleefde, begon het te branden en wakkerde aan tot een zilveren vlam, een kleine kern van verblindend licht alsof Eärendil zelf van de hoge zonovergoten paden was neergedaald met de laatste Silmaril op het voorhoofd. De duisternis verdween eruit tot zij scheen te stralen midden in een bol van luchtig kristal, en de hand die haar vasthield glinsterde door wit vuur.

Frodo keek met verwondering naar dit wonderbaarlijke geschenk, dat hij zo lang met zich had meegedragen zonder de volle waarde en macht ervan te vermoeden. Zelden had hij er onderweg aan gedacht, tot zij aan het Morguldal waren gekomen, en hij had het nooit gebruikt uit vrees om het onthullende licht ervan te doen schijnen. ‘Aiya Eärendil Elenion Ancalima! ’ riep hij uit, maar wist niet wat hij had gezegd; want het scheen dat een andere stem door middel van de zijne sprak, helder, onbelemmerd door de smerige atmosfeer in de gang.

Maar er zijn andere machten in Midden-aarde, machten van de nacht en zij zijn oud en sterk. En zij die in de duisternis rondwaarde, had de elfen die verre kreet in de diepten van de tijd horen slaken, en zij had er geen aandacht aan geschonken, en deze deed haar ook nu niet terugdeinzen. Op hetzelfde ogenblik dat Frodo sprak, voelde hij dat er een grote boosaardigheid op hem was gericht, en een dodelijke blik hem opnam. Niet ver in de tunnel, tussen hen en de opening waar zij hadden gewankeld en gestro mpeld, werd hij ogen gewaar die zichtbaar werden, twee grote trossen ogen met vele vensters – de komende dreiging was eindelijk ontmaskerd. De schittering van het sterrenglas werd gebroken en teruggekaatst door hun duizenden facetten, maar achter het geschitter begon binnenin geleidelijk een bleek dodelijk vuur te gloeien, een vlam die in de een of andere afgrond van euvele gedachten werd ontstoken. Monsterlijke en afzichtelijke ogen waren het, dierlijk, maar toch vervuld van een doel en een afschuwelijke verrukking, een kwaadaardig genoegen scheppend in hun prooi, die in de val zat zonder enige hoop op ontsnapping.

Frodo en Sam, die door angst waren bevangen, begonnen achteruit te deinzen, terwijl hun eigen blik werd vastgehouden door de afgrijselijke starende blik van die onheilspellende ogen; maar terwijl zij achteruitgingen, kwamen de ogen naar voren. Frodo’s han d zakte en langzaam zakte ook de Fles. Toen ineens, bevrijd van de dwingende betovering, die hen had losgelaten om hen even in ijdele paniek tot vermaak van de ogen te zien rennen, keerden zij zich beiden om en vluchtten samen; maar onder het rennen keek Frodo om en zag tot zijn schrik dat de ogen meteen achter hen aansprongen. De stank van de dood omringde hen als een wolk.

‘Blijf staan, blijf staan!’ riep hij wanhopig. ‘Vluchten heeft geen zin.’

Langzaam kwamen de ogen naderbij gekropen.

‘Galadriel!’ riep hij, en terwijl hij zijn moed verzamelde, hief hij de Fles nogmaals omhoog. De ogen hielden stil. Heel even ontspande zich hun blik, alsof een vlaag van twijfel ze verontrustte. Toen vatte Frodo’s hart vlam en zonder te denken bij wat hij deed, of het dwaasheid, wanhoop of moed was, nam hij het flesje in de linkerhand en trok met de rechter zijn zwaard. Prik glinsterde terwijl hij hem trok en het elfenstaal schitterde in het zilveren licht, maar aan de randen flikkerde een blauw vuur. Toen, de ster omhooghoudend en het vlammende zwaard naar voren gestoken, liep Frodo, de hobbit uit de Gouw, vastberaden naar voren om de ogen te weerstaan.