Ze weifelden. Er verscheen twijfel in toen het licht dichterbij kwam. Een voor een doofden zij en langzaam trokken zij zich terug. Geen dodelijker kracht had hen ooit eerder bedreigd. Voor zon en maan en ster waren zij onder de grond veilig geweest, maar nu was een ster tot de ingewanden van de aarde afgedaald. En nog steeds kwam zij dichterbij en de ogen begonnen te versagen. Een voor een werden zij allemaal donker; ze wendden zich af en een grote massa, buiten het bereik van het licht, schoof zijn enorme schaduw ertussen. Ze waren verdwenen.
‘Meester, meester!’ riep Sam. Hij stond vlak achter hem, zijn eigen zwaard getrokken en gereed. ‘Sterren en glorie! Maar de elfen zouden daar een lied op maken als zij het ooit te horen kregen! En moge ik blijven leven om het hun te vertellen en te horen zingen. Maar ga niet verder, meester! Daal niet naar die schuilplaats af. Dit is onze enige kans. Laten we nu uit dit smerige hol gaan!’
En zo keerden zij opnieuw terug, eerst lopend, en toen rennend; want naarmate zij verdergingen liep de vloer van de tunnel steil omhoog en met iedere stap stegen zij hoger uit boven de stank van het onzichtbare hol en keerde de kracht in hun ledematen en hart terug. Maar de haat van de Wachter dreigde nog achter hen, een tijdje verblind misschien, maar niet verslagen, nog steeds op hun dood gericht. En nu kwam hun een luchtstroom tegemoet, koel en ijl. De opening, het einde van de tunnel, lag eindelijk voor hen. Hijgend, verlangend naar een plaats zonder dak, stortten zij zich naar voren; toen wankelden zij verbaasd en strompelden terug. De uitgang was geblokkeerd door een of ander obstakel, maar niet van steen; het scheen zacht en een beetje buigzaam, maar toch ook sterk en ondoordringbaar; lucht filterde erdoorheen, maar geen sprankje licht. Opnieuw vielen zij aan en werden teruggeworpen.
Terwijl hij de Fles voor zich uit hield, keek Frodo en hij zag een grijze massa voor zich, die de straling van het sterrenglas niet kon doorboren en niet verlichtte, alsof het een schaduw was die niet door licht werd geworpen en die geen licht kon doen verdwijnen. Over de hele breedte en hoogte van de tunnel was een enorm web gesponnen, ordelijk als het web van een of andere reuzenspin, maar dichter geweven en veel groter: iedere draad was dik als een touw. Sam lachte grimmig. ‘Spinnenwebben!’ zei hij. ‘Is dat alles? Spinnenwebben! Maar wat een spin! Vooruit, weg ermee!’
In een aanval van woede hakte hij er met zijn zwaard op in, maar de draad die hij trof brak niet. Hij gaf een beetje mee en sprong toen weer terug als een betokkelde snaar die het zwaard en de arm deed opveren. Drie keer sloeg Sam uit alle macht en eindelijk brak er één touw van de talloze die er waren en kronkelde zich; het krulde om en zwiepte door de lucht. Een uiteinde ervan striemde Sams hand, en hij schreeuwde het uit van de pijn, terwijl hij achteruitdeinsde en zijn hand voor de mond sloeg.
‘Er zullen dagen voor nodig zijn om de weg op deze manier vrij te maken,’ zei hij. ‘Wat moeten we doen? Zijn die ogen teruggekomen?’
‘Nee, nergens te zien,’ zei Frodo, ‘hoewel ik nog voel dat ze naar me kijken of over me denken, en een of ander plan uitbroeden, misschien. Als dat licht zou zakken, of als het uitdoofde, zouden ze gauw genoeg terugkomen.’
‘Op het laatst toch nog in de val!’ zei Sam bitter en zijn woede rees weer boven wanhoop en vermoeidheid uit. ‘Als muggen in een web. Moge de vloek van Faramir Gollem treffen, en vlug ook!’
‘Dat zou ons nu niet helpen,’ zei Frodo. ‘Kom, laten we eens kijken wat Prik kan doen. Het is een elfenzwaard. Er waren angstaanjagende webben in de donkere ravijnen van Beleriand waar het werd gesmeed. Maar jij moet de wacht houden en de ogen tegenhouden. Hier, neem het sterrenglas. Wees niet bang. Houd het omhoog en kijk goed!’
Toen ging Frodo naar het grote grijze net toe en hakte erop los met een brede zwaaiende slag, de scherpe kant vlug langs een ladder van dichtgeweven koorden halend, terwijl hij meteen achteruitsprong. Het blauwglanzende staal sneed erdoorheen als een zeis door gras, en zij sprongen, kronkelden en hingen toen slap neer. Er was een groot gat ontstaan. De ene slag na de andere bracht hij toe, totdat ten slotte het hele web binnen zijn bereik stuk was, en de bovenste helft golfde en zwaaide als een losse sluier in de binnenstromende wind. De val was geopend.
‘Kom!’ zei Frodo. ‘Verder! Verder!’ Een wilde vreugde om hun ontsnapping uit de muil van wanhoop vervulde plotseling heel zijn geest. Zijn hoofd tolde alsof hij een slok koppige wijn had gedronken. Hij sprong naar buiten en schreeuwde het uit.
Voor zijn ogen, die door het hol van de nacht waren gegaan, leek het licht in dat donkere land. De grote rookkolommen waren opgetrokken en ijler geworden en de laatste uren van een sombere dag gingen voorbij: de rode gloed van Mordor was in een akelige duisternis weggestorven. Toch scheen het Frodo toe dat hij een ochtend van plotselinge hoop aanschouwde. Bijna had hij de top van de muur bereikt. Nog een klein eind hoger. De Kloof, Cirith Ungol, lag voor hem, een vage inkeping in de zwarte rand en de rotspunten die aan weerskanten in de duisternis vervaagden. Een kleine spurt, de baan van een hardloper, en hij zou erdoorheen zijn!
‘De pas, Sam!’ riep hij uit, geen acht slaand op de schrilheid van zijn stem die, nu zij bevrijd was van de verstikkende atmosfeer van de tunnel, hoog en wild snerpte. ‘De pas. Ren, ren, dan zijn we erdoor – erdoor voor iemand ons kan tegenhouden!’
Sam kwam zo snel zijn benen hem konden dragen achter hem aan, maar hoewel hij blij was om vrij te zijn, was hij toch niet op zijn gemak, en terwijl hij rende bleef hij achteromkijken naar de donkere boog van de tunnel, bang dat hij ogen of een of andere onvoorstelbare gedaante zou zien die hem van achteren zou bespringen. Te weinig wist hij of zijn meester van de listen van Shelob af. Zij had te veel uitgangen uit haar leger.
Daar had zij eeuwenlang gewoond, een boosaardig wezen in de gedaante van een spin, precies zo een als vroeger in het Land van de elfen in het Westen had gewoond dat nu in zee is verzonken; zoals die waartegen Beren in de Bergen van Verschrikking in Doriath had gevochten en in het maanlicht lang geleden over het groene gras tussen de dennenbomen naar Lúthien was gekomen. Hoe Shelob daar gekomen was, vluchtend voor de ondergang, wordt in geen enkel verhaal beschreven, want uit de Donkere Jaren zijn weinig verhalen gekomen. Maar zij, die daar vóór Sauron was, was daar nog steeds, en voor de eerste steen van Barad-dûr; en zij diende niemand anders dan zichzelf, het bloed van elfen en mensen drinkend, opgeblazen en dik van het voortdurende nadenken over haar zwelgpartijen, webben van schaduw wevend; want al wat leefde diende haar tot voedsel, en haar braaksel was de duisternis. Wijd en zijd verspreidden zich haar lagere afstammelingen, bastaarden van ellendige gezellen, haar eigen kinderen, die zij meestal doodde, verspreidden zich van dal naar dal, van de Ephel Dúath naar de oostelijke heuvels, naar Dol Guldur en de uitgestrektheid van het Demsterwold. Maar geen kon haar, Shelob de Grote, de laatste nazaat van Ungoliant, die de ongelukkige wereld verontrustte, naar de kroon steken.
Jaren geleden al had Gollem haar gezien, Sméagol, die in alle donkere holen speurde, en in voorbije tijden had hij voor haar gebogen en haar aanbeden en de zwartheid van haar kwade wil vergezelde hem op al zijn vermoeiende wegen, hem afsnijdend van het licht en van berouw. En hij had beloofd haar voedsel te brengen. Maar haar begeerte was niet zijn begeerte. Weinig wist zij af van en weinig gaf ze om torens, of ringen of iets dat door de geest of de hand was ontworpen, zij die alleen belust was op de dood van alle anderen, naar lichaam en geest, en voor zichzelf op een zwelgend leven, alleen, gezwollen tot de bergen haar niet langer konden schragen en de duisternis haar niet langer kon omvatten.