Shelob was verdwenen, en of zij lang in haar leger lag, haar boosaardigheid en ellende koesterend, en zich in trage jaren van duisternis van binnenuit herstelde, haar ogentrossen genezend, totdat zij met een dodelijke honger opnieuw haar afschuwelijke strikken in de uithoeken van de Schaduwbergen spande, vertelt dit verhaal niet.
Sam werd met rust gelaten. Toen de avond van het Naamloze Land op het slagveld daalde, kroop hij moe terug naar zijn meester.
‘Meester, beste meester!’ zei hij, maar Frodo sprak niet. Terwijl hij naar voren was gerend, verlangend, blij, omdat hij vrij was, was Shelob met verschrikkelijke snelheid achter Frodo aan gekomen, en had hem met een vlugge beweging in de nek gestoken. Hij lag nu bleek ter aarde, en hoorde geen stem, en bewoog zich niet.
‘Meester, beste meester!’ zei Sam en wachtte in een lange stilte, maar luisterde tevergeefs.
Toen sneed hij de koorden waarmee Frodo gebonden was zo snel mogelijk door en legde zijn hoofd op Frodo’s borst en mond, maar kon geen teken van leven vinden, en ook niet de flauwste hartklop horen. Vaak streelde hij de handen en voeten van zijn meester, maar alles was koud.
‘Frodo, meneer Frodo!’ riep hij. ‘Laat mij niet hier alleen! Uw Sam roept. Ga niet waar ik u niet kan volgen. Word wakker, meneer Frodo. O word wakker, Frodo, och gut, och gut. Word toch wakker!’
Toen kwam een golf van woede over hem, en hij rende in razernij om het lichaam van zijn meester heen, terwijl hij in de lucht priemde, de stenen striemde en uitdagingen schreeuwde. Maar al gauw kwam hij terug en keek voorovergebogen naar Frodo’s gezicht, bleek onder hem in de schemering. En plotseling zag hij waar hij zich bevond in het beeld dat hem in de spiegel van Galadriel in Lórien was onthuld: Frodo, die met een bleek gezicht vast in slaap lag aan de voet van een grote donkere rotswand. Vast in slaap, zo had hij destijds gemeend. ‘Hij is dood!’ zei hij. ‘Niet in slaap, maar dood!’ En terwijl hij dit zei, alsof de woorden het gif weer hadden geactiveerd, scheen het hem toe dat de kleur van het gezicht helgroen werd.
En toen overviel hem een zwarte wanhoop, en Sam boog zich naar de grond en trok zijn grijze kap over zijn hoofd, en de nacht drong in zijn hart, en hij wist niets meer.
Toen de zwartheid eindelijk voorbijging, keek Sam op en was omringd door schaduwen; maar hoeveel minuten of uren de wereld zich had voortgesleept kon hij niet zeggen. Hij was nog steeds op dezelfde plek en zijn meester lag nog altijd dood naast hem. De bergen waren niet verbrokkeld en de aarde was niet vergaan.
‘Wat moet ik doen, wat moet ik doen?’ vroeg hij. ‘Ben ik die hele weg met hem voor niets gegaan?’ En toen herinnerde hij zich zijn eigen stem die woorden sprak die hij toen, aan het begin van hun reis, zelf niet had begrepen: Ik moet iets volbrengen voor het einde. Ik moet het volbrengen, meneer, als u me vat.
‘Maar wat kan ik doen? Ik kan meneer Frodo niet dood, zonder hem te begraven, boven op de bergen achterlaten, en naar huis gaan. Of verdergaan? Verdergaan?’ herhaalde hij, en één ogenblik grepen twijfel en angst hem aan.
Toen eindelijk begon hij te huilen; hij ging naar Frodo toe en legde zijn lichaam recht, en vouwde zijn koude handen op zijn borst en wikkelde zijn mantel om hem heen; en hij legde zijn eigen zwaard aan één kant, en de staf die Faramir hem had gegeven aan de andere.
‘Als ik verder moet gaan,’ zei hij, ‘dan moet ik uw zwaard nemen, met uw permissie, meneer Frodo, maar ik zal dit naast u laten liggen, zoals het naast de oude koning in de grafheuvel lag; en u hebt uw mooie mithril jas van de oude meneer Bilbo. En uw sterrenglas, meneer Frodo, u hebt het mij geleend en ik zal het nodig hebben, want ik zal nu altijd in het donker zijn. Het is te goed voor mij, en de Vrouwe heeft het aan u gegeven, maar misschien zou ze het begrijpen. Begrijpt u het, meneer Frodo? Ik moet verdergaan.’
Maar hij kon niet gaan, nog niet. Hij knielde en hield Frodo’s hand vast en kon die niet loslaten. En de tijd verliep en nog steeds lag hij geknield, en hield de hand van zijn meester vast en in zijn hart wikte en woog hij.
Nu weer probeerde hij kracht te vinden om zich los te rukken en een eenzame reis te aanvaarden – om zich te wreken. Als hij eenmaal kon gaan, zou zijn woede hem langs alle wegen van de wereld voeren, hem achtervolgend, tot hij hem eindelijk had: Gollem. Dan zou Gollem in een hoekje sterven. Maar dat was niet wat hij zich ten doel had gesteld. Het zou niet de moeite waard zijn z’n meester daarvoor te verlaten. Het zou hem niet terugbrengen. Niets zou dat doen. Het was beter als ze allebei dood waren. En dat zou ook een eenzame reis zijn.
Hij keek naar de blinkende punt van het zwaard. Hij dacht aan de plaatsen waarachter een zwarte afgrond gaapte en een peilloze val in het niets. Op die manier was er geen ontsnapping. Dat stond gelijk met nietsdoen, niet eens treuren. Dat was niet wat hij zich ten doel had gesteld. ‘Wat moet ik dan doen?’ riep hij opnieuw, en nu scheen hij het harde antwoord duidelijk te kennen: doorzetten. Nog een eenzame reis, en wel de ergste.
‘Wat? Ik helemaal alleen naar de Doemspleet gaan?’ Hij weifelde nog, maar het besluit begon post te vatten. ‘Wat? Ik de Ring van hem afnemen? De Raad heeft ’m aan hém gegeven.’
Maar het antwoord kwam meteen. ‘En de Raad heeft hem reisgenoten gegeven, opdat de missie niet zou mislukken. En jij bent de laatste van het hele Gezelschap. De missie mag niet mislukken.’
‘Ik wou dat ik niet de laatste was,’ kreunde hij. ‘Ik wou dat de oude Gandalf hier was, of iemand anders. Waarom ben ik helemaal alleen overgebleven om een besluit te nemen? Ik zal het zeker verkeerd doen. En het is niet aan mij om de Ring te nemen, mezelf naar voren te schuiven.
Maar je hebt jezelf niet naar voren geschoven; je bént naar voren geschoven. En dat je niet de ware en juiste persoon bent, gossie, meneer Frodo was dat ook niet, zou je kunnen zeggen, en meneer Bilbo evenmin. Ze hebben zichzelf niet gekozen.
Nou goed, ik moet zelf besluiten. En dat zal ik ook doen. Maar ik zal het vast verkeerd doen: dat zal net iets voor Sam Gewissies zijn. Laat me eens zien: als wij hier worden gevonden, of als meneer Frodo wordt gevonden en hij dat Ding bij zich heeft, welnu, dan zal de Vijand het krijgen. En dat betekent het einde van ons allemaal, van Lórien en Rivendel, en de Gouw en de hele mikmak. En er is geen tijd te verliezen, of het zal in ieder geval het einde betekenen. De oorlog is begonnen en naar alle waarschijnlijkheid verloopt alles al zoals de Vijand het wil. Geen kans om ermee terug te gaan en raad of toestemming te krijgen. Nee, het is een kwestie van hier blijven zitten tot ze komen en me bij het lijk van m’n meester doden, en het Ding krijgen, of het nemen en weggaan.’ Hij haalde diep adem. ‘Nou, dat betekent dat ik het moet nemen!’
Hij boog zich voorover. Heel voorzichtig maakte hij de gesp aan de hals los en liet zijn hand in Frodo’s tuniek glijden; toen tilde hij met de andere hand het hoofd op en kuste het koude voorhoofd, en trok de ketting er voorzichtig overheen. Toen legde hij het hoofd weer zacht te rusten. Er kwam geen verandering op het onbewogen gezicht en dat, meer nog dan al het andere, gaf Sam ten slotte de overtuiging dat Frodo gestorven was en de Queeste had laten varen.
‘Vaarwel, lieve meester!’ mompelde hij. ‘Vergeef uw Sam. Hij zal naar deze plek terugkomen wanneer de klus is geklaard – als ’t hem lukt. En dan zal hij u niet meer verlaten. Rust in vrede tot ik terugkom; en moge geen enkel smerig creatuur in uw buurt komen. En als de Vrouwe mij zou kunnen horen en mij een wens zou toestaan, zou ik wensen dat ik terug mag keren en u weervinden. Vaarwel!’
En toen boog hij zijn eigen nek en deed de ketting eromheen en meteen werd zijn hoofd door het gewicht van de Ring naar de grond getrokken, alsof hem een grote steen was omgehangen. Maar langzaam, alsof het gewicht minder werd of een nieuwe kracht in hem opkwam, hief hij het hoofd op en ging toen met grote inspanning staan en merkte dat hij kon lopen en zijn last torsen. En gedurende één ogenblik hief hij het Flesje op en keek neer op zijn meester, en het licht straalde nu vriendelijk met de zachte sch ittering van de zomerse avondster, en in dat licht had Frodo’s gezicht weer een mooie kleur, bleek maar mooi, elfenschoon, als van iemand die de schaduwen al lang geleden is voorbijgegaan. En met de bittere troost van die laatste aanblik draaide Sam zich om, borg het licht weg en liep strompelend de steeds dichter wordende duisternis in.