Hij hoefde niet ver te gaan. De tunnel lag een eind achter hem, de Kloof een paar honderd meter, of minder, voor hem. Het pad was zichtbaar in de schemering: een diepe voor, uitgesleten door eeuwen van komen en gaan, die nu geleidelijk omhoogliep in een lange sleuf met rotswanden aan weerskanten. De sleuf werd snel smaller. Weldra kwam Sam bij een lange reeks smalle treden. De orktoren bevond zich nu recht boven hem, een zwarte dreiging, en daarin gloeide het rode oog. Nu was hij in de donkere schaduw onder aan de toren verscholen. Hij kwam boven aan de trap en was eindelijk in de Kloof.
‘Mijn besluit staat vast,’ zei hij voortdurend bij zichzelf. Maar dat was niet zo. Hoewel hij zijn best had gedaan om het uit te denken, was hetgeen hij deed in tegenspraak met zijn karakter. ‘Heb ik het mis?’ mompelde hij. ‘Wat had ik moeten doen?’
Toen de steile wanden van de Kloof zich om hem heen sloten, voor hij de eigenlijke top bereikte, voor hij eindelijk op het pad neerkeek dat in het Naamloze Land afdaalde, draaide hij zich om. Hij keek één ogenblik om, bewegingloos, in een onverdraaglijke twijfel. Hij kon de opening van de tunnel nog als een kleine vlek in de dichte duisternis zien, en hij dacht dat hij kon zien of raden waar Frodo lag. Hij verbeeldde zich dat er een schittering op de grond daarbeneden was, maar misschien speelden zijn tranen hem parten toen hij naar die hoge rotsachtige plek keek waar zijn hele leven was verwoest.
‘Als mijn wens, mijn enige wens maar vervuld werd,’ verzuchtte hij, ‘om terug te komen en hem te vinden!’ Toen eindelijk wendde hij zich naar de weg die voor hem lag en deed een paar stappen: de zwaarste en moeilijkste die hij ooit had genomen.
Nog maar een paar stappen; en nu nog een paar meer en hij zou naar omlaag gaan en die hoge plek nooit meer zien. Maar toen hoorde hij plotseling geschreeuw en stemmen. Hij bleef stokstijf staan. Orkstemmen. Ze waren achter hem en voor hem.
Een geluid van stampende voeten en rauwe kreten; uit de verte kwamen orks in de richting van de Kloof, van de een of andere ingang tot de toren misschien. Stampende voeten en geschreeuw achter hem. Hij draaide zich om. Hij zag kleine rode lichtjes, toortsen, die beneden hem knipperden toen zij de tunnel uit kwamen. Eindelijk was de jacht in volle gang. Het rode oog van de toren was niet blind geweest. Hij was erbij.
Nu waren het geflikker van naderende toortsen en het gekletter van staal heel dichtbij. Over een minuut zouden ze de top bereiken en voor hem staan. Het had lang geduurd voor hij een besluit had genomen, maar nu had die geen zin meer. Hoe kon hij ontsnappen of zichzelf redden, of de Ring redden? De Ring? Hij was zich niet bewust van enige gedachte of besluit. Hij merkte eenvoudig dat hij de ketting tevoorschijn haalde en de Ring in zijn hand nam. De aanvoerder van de orkcompagnie verscheen in de Kloof rechts voor hem. Toen stak hij hem om zijn vinger.
De wereld veranderde en één enkel ogenblik van de tijd werd gevuld met een uur van nadenken. Meteen merkte hij dat zijn gehoor gescherpt was, terwijl zijn gezichtsvermogen was verminderd, maar op een andere manier dan in Shelobs leger. De dingen om hem heen waren nu niet donker, maar vaag: terwijl hij daar zelf in een grijze, nevelige wereld stond, alleen, als een kleine zwarte solide rots, en de Ring, die zwaar aan zijn linkerhand woog, als een bol van heet goud. Hij voelde zich helemaal niet onzichtbaar, maar afschuwelijk en uniek zichtbaar; en hij wist dat ergens een Oog naar hem zocht.
Hij hoorde het barsten van steen en het gemurmel van water ver weg in het Morguldal; en beneden onder de rots de borrelende ellende van Shelob, tastend, verloren in een doodlopende gang; en stemmen in de kerkers van de toren; en de kreten van de orks toen zij uit de tunnel kwamen; en oorverdovend het gestamp van de voeten en de verscheurende herrie van de orks voor hem. Hij deinsde tegen de rotswand aan. Maar zij marcheerden als een geestenleger, grijze, verwrongen gestalten in een mist, slechts angstdromen met bleke vlammen in de handen. En zij gingen langs hem heen. Hij drukte zich tegen de rots aan en probeerde zich in een spleet te wringen en zich te verschuilen.
Hij luisterde. De orks uit de tunnel en de anderen die naar omlaag kwamen marcheren hadden elkaar in de gaten gekregen, en beide troepen haastten zich en schreeuwden. Hij hoorde ze allebei duidelijk en begreep wat zij zeiden. Misschien gaf de Ring hem het vermogen andere talen te verstaan, of alleen maar het vermogen om te begrijpen, vooral waar het de dienaren van Sauron, de maker ervan, betrof, zodat hij, wanneer hij er aandacht aan schonk, de gedachte voor zichzelf begreep en vertaalde. Ongetwijfeld was de macht van de Ring aanzienlijk toegenomen toen hij de plek waar hij gemaakt was naderde, maar één ding gaf hij niet, en dat was moed. Op dit ogenblik dacht Sam alleen maar aan zich verschuilen, zich gedeisd te houden tot alles weer rustig was, en hij luisterde angstig. Hij kon niet zeggen hoe dichtbij de stemmen waren: de woorden schenen bijna in zijn oren te zitten.
‘Hola, Gorbag! Wat doe jij hierboven? Heb je nu al genoeg van de oorlog?’
‘Orders, lummel. En wat doe jij hier, Shagrat? Heb je er genoeg van om daarboven rond te hangen? Ben je van plan naar beneden te komen om te vechten?’
‘Orders voor jou. Ik voer het bevel over de pas. Dus kalm aan een beetje. Wat heb je te melden?’
‘Niets.’
‘Hé, hé, kom ’s!’ Er barstte een geschreeuw los dat de woorden van de leiders overstemde. De orks die verder beneden waren, hadden plotseling iets ontdekt. Ze begonnen te rennen. En de anderen holden hen achterna.
‘Hé, hola! Hier is iets. Ligt midden op de weg. Een spion, een spion!’ Er was een getoeter van snerpende trompetten en een chaos van blaffende stemmen.
Sam werd met een afschuwelijke schok uit zijn angstige stemming opgeschrikt. Zij hadden zijn meester gezien. Wat zouden ze doen? Hij had verhalen over orks gehoord, die het bloed in zijn aderen hadden doen stollen. Hij sprong overeind. Hij gooide de Queeste en al zijn besluiten overboord, en daarmee ook zijn angst en twijfel. Hij wist nu waar zijn plaats was en was geweest: aan zijn meesters zijde, hoewel het niet duidelijk was wat hij daar kon uitrichten. Hij rende terug de trappen af, het pad langs naar Frodo.
Met z’n hoevelen zijn ze? dacht hij. Minstens dertig of veertig uit de toren, en heel wat meer van beneden nog, denk ik. Hoeveel kan ik er doden voor ze mij te grazen nemen? Ze zullen de vlam van het zwaard zien zodra ik het trek, en ze zullen mij ook vroeg of laat te pakken krijgen. Ik vraag me af of er ooit een lied gewag van zal maken: Hoe Sam Gewissies in de Hoge Pas sneuvelde en een muur van lijken rondom zijn meester optrok. Nee, geen lied. Natuurlijk niet, want ze zullen de Ring vinden en dat betekent het einde van alle liederen. Ik kan er niets aan doen. Mijn plaats is bij meneer Frodo. Dat moeten ze begrijpen – Elrond en de Raad, en de Hoge Heren en Vrouwen met al hun wijsheid. Hun plannen zijn misgelopen. Ik kan niet hun Ringdrager zijn. Niet zonder meneer Frodo.
Maar de orks bevonden zich nu buiten zijn schimmige gezichtsveld. Hij had geen tijd gehad om aan zichzelf te denken, maar besefte nu dat hij moe was, moe, de uitputting bijna nabij: zijn benen weigerden hem te dragen zoals hij dat wilde. Hij was te langzaam. Het pad scheen mijlenlang. Waar waren ze allemaal gebleven in de mist?