‘Het Oog was ergens anders druk bezig, denk ik,’ zei Shagrat. ‘Grote dingen aan de gang in het westen, zegt men.’
‘Jazeker,’ gromde Gorbag. ‘Maar ondertussen zijn er vijanden de Trap opgekomen. En wat voerde jij in je schild? Jij wordt toch verondersteld de wacht te houden, nietwaar, of er bijzondere bevelen zijn of niet. Waar ben je voor?’
‘Dat is genoeg! Probeer mij niet te vertellen hoe ik m’n werk moet doen. We waren heus waakzaam. We wisten dat er rare dingen gebeurden.’
‘Heel raar.’
‘Ja, heel raar: lichten en geschreeuw en zo. Maar Shelob had de benen genomen. Mijn jongens zagen haar en haar Gluiperd.’
‘Haar Gluiperd, wie is dat?’
‘Je moet hem hebben gezien: klein mager zwart kereltje, lijkt zelf ook op een spin, of misschien nog meer op een uitgehongerde kikker. Hij is hier eerder geweest. Kwam uit Lugbúrz de eerste keer, jaren geleden en wij waren van Hogerhand gewaarschuwd dat we hem door moesten laten. Sindsdien is hij een paar keer de Trap op geweest, maar we hebben hem met rust gelaten. Hij schijnt een of andere verstandhouding met mevrouw Shelob te hebben. Ik veronderstel dat hij niet geschikt is om op te eten: zij zou zich niets van bevelen van Hogerhand aantrekken. Maar jij houdt mooi de wacht in het dal, moet ik zeggen: hij was hier al een dag vóór al deze herrie. Gisteravond vroeg hebben we hem gezien. In ieder geval berichtten mijn jongens dat mevrouw in d’r sas was en dat zei mij genoeg, totdat die boodschap kwam. Ik dacht dat haar Gluiperd haar een stuk speelgoed had gebracht, of dat jij haar misschien een presentje had gestuurd, een krijgsgevangene of iets dergelijks. Ik bemoei me er niet mee als ze aan het stoeien is. Niets ontkomt aan Shelob als ze op jacht is.’
‘Niets, zeg je! Heb je daar dan niet uit je doppen gekeken? Ik zeg je dat ik niet gerust ben. Wat er ook de Trap op is gekomen, is langs haar heen geglipt. Het heeft haar web stukgehakt en is heelhuids uit het hol ontsnapt. Dat is iets om over na te denken.’
‘Nou ja, maar ze heeft hem ten slotte toch gekregen, nietwaar?’
‘Hem gekregen ? Wie gekregen? Dit kleine kereltje? Maar als hij de enige was, zou ze hem al veel eerder naar haar provisiekamer hebben gesleept, en dan zou-ie daar nu zijn. En als Lugbúrz hem wilde hebben, dan had jij hem moeten gaan vangen. Leuk voor je. Maar het waren er meer dan een.’
Op dit punt begon Sam aandachtiger te luisteren en drukte zijn oor tegen de steen aan.
‘Wie sneed de koorden door die ze om hem heen had gebonden, Shagrat? Dezelfde die het web heeft stukgehakt. Heb je dat niet gezien? En wie heeft een priem in mevrouw gestoken? Dezelfde, denk ik. En waar is-ie? Waar is-ie, Shagrat?’
Shagrat gaf geen antwoord.
‘Je mag wel eens goed prakkeseren als je daartoe in staat bent. Het is helemaal niet om te lachen. Niemand, nee niemand heeft ooit een priem in Shelob gestoken, zoals je drommels goed zou moeten weten. Dat is niet iets om over te treuren – maar denk je eens in – er loopt hier iemand los die gevaarlijker is dan enige andere verdomde opstandeling die hier ooit sinds de slechte oude tijd heeft rondgelopen, sinds het grote Beleg. Er is iets voorbij geglipt.’
‘Maar wat is dat dan?’ gromde Shagrat.
‘Alles wijst erop, kapitein Shagrat, dat er een grote krijger losloopt, waarschijnlijk een elf, met een elfenzwaard in ieder geval, en misschien ook een bijclass="underline" en hij loopt bovendien los in jouw gebied en je hebt hem niet eens gezien. Werkelijk heel vreemd.’
Gorbag spoog. Sam glimlachte grimmig toen hij zich op die manier hoorde beschrijven.
‘Nou ja, je bent altijd een pessimist geweest,’ zei Shagrat. ‘Je kunt de dingen uitleggen zoals je wilt, maar misschien is er een andere verklaring voor. In ieder geval heb ik op elk punt wachters uitgezet en ik ben van plan één ding tegelijk te doen. Wanneer ik de kerel die we gevangen hebben eens goed heb bekeken, zal ik me pas zorgen om iets anders gaan maken.’
‘Ik durf te wedden dat je niet veel bij dat kleine kereltje zult vinden,’ zei Gorbag. ‘Misschien heeft hij niets met het echte kwaad te maken gehad. Die grote kerel met het scherpe zwaard schijnt hem in ieder geval niet veel waard gevonden te hebben – heeft hem gewoon laten liggen: een echte elfenstreek.’
‘We zullen zien. Kom nu maar mee! We hebben genoeg gepraat. Laten we de gevangene eens bekijken!’
‘Wat ga je met hem doen? Vergeet niet dat ik hem het eerst heb gezien. Als er wat te halen valt, dan doen ik en m’n jongens mee.’
‘Nou, nou,’ gromde Shagrat. ‘Ik heb mijn orders. En het is meer dan mijn buik of de jouwe waard om ze niet te gehoorzamen. Iedere overtreder die door de wacht wordt aangetroffen, moet in de toren worden opgesloten. Gevangene moet worden uitgekleed. Volledige beschrijving van elk voorwerp, kledingstuk, wapen, brief, ring of sieraad moet onmiddellijk naar Lugbúrz worden gezonden, en alleen naar Lugbúrz. En de gevangene moet veilig en gaaf worden bewaard, op straffe van de marteldood voor ieder lid van de wacht, tot hij iemand stuurt of zelf komt. Dat is duidelijk genoeg, en daar houd ik mij aan.’
‘Helemaal ontmanteld, hè?’ zei Gorbag. ‘Wat, tanden, nagels, de hele mikmak?’
‘Nee, niets van dat alles. Hij is voor Lugbúrz, zeg ik toch. Ze moeten hem veilig en heelhuids hebben.’
‘Dat zal je moeite kosten,’ zei Gorbag lachend. ‘Hij is nu niet meer dan een kadaver. Ik kan me niet indenken wat Lugbúrz daarmee aan moet. Je kunt hem net zo goed in de pot stoppen.’
‘Stommeling,’ grauwde Shagrat. ‘Je hebt heel knap gesproken, maar er is veel dat je niet weet en dat de meeste andere lui wel weten. Jij zult zelf nog in de pot of bij Shelob terechtkomen als je niet oppast. Kadaver! Is dat het enige wat je van mevrouwtje afweet? Wanneer ze met koorden bindt, dan is ze op vlees uit. Ze eet geen dood vlees en zuigt ook geen koud bloed. Deze kerel is niet dood!’
Sam viel bijna om en pakte de steen beet. Hij had het gevoel alsof de hele donkere wereld op zijn kop ging staan. Zo groot was de schok, dat hij bijna flauwviel, maar terwijl hij zich inspande om bij zijn positieven te blijven, was hij zich diep in zijn hart bewust van het commentaar: Stommeling, hij is niet dood, en in je hart wist je het. Vertrouw niet op je hoofd, Sam, het is niet het beste deel van je. De moeilijkheid met jou is dat je in werkelijkheid nooit enige hoop koesterde. Wat moet er nu gebeuren? Op het ogenblik niets, hij kon zich slechts tegen de onbeweeglijke steen aandrukken en luisteren, luisteren naar de verdorven orkstemmen.
‘Loop heen,’ zei Shagrat. ‘Zij heeft meer dan één vergif. Wanneer ze aan het jagen is, geeft zij ze eenvoudig een prik in de nek en dan worden ze slap als gefileerde vis, en dan doet ze met hen wat ze wil. Herinner je je de oude Ufthak nog? We waren hem dagenlang kwijt. Toen vonden we hem in een hoek: hij hing daar, maar hij was klaarwakker en z’n ogen puilden uit. Wat hebben we gelachen! Ze was hem misschien vergeten, maar wij hebben hem niet aangeraakt – ’t gaat niet aan je met haar zaken te bemoeien. Nou – dit stukkie vuil – over een paar uur zal hij wakker worden, en behalve dat-ie zich een beetje misselijk zal voelen, zal hij in orde zijn. Of dat zou-ie als Lugbúrz hem met rust zou laten. Natuurlijk zal hij zich ook afvragen waar hij is en wat er met hem gebeurd is.’
‘En wat gaat er met hem gebeuren?’ vroeg Gorbag lachend. ‘We kunnen hem in ieder geval een paar verhaaltjes vertellen, als dat het enige is. Ik veronderstel niet dat hij ooit in het mooie Lugbúrz is geweest, dus misschien zal-ie graag willen weten wat hem te wachten staat. Dit kan grappiger worden dan ik dacht. Laten we gaan!’
‘Het wordt helemaal niet grappig, zeg ik je,’ zei Shagrat. ‘En hij moet veilig worden opgesloten, of anders zijn we allemaal zo goed als dood.’
‘Goed dan! Maar als ik jou was, zou ik de grote vangen, die losloopt, voor je rapport naar Lugbúrz stuurt. Het klinkt niet zo best als je zegt dat je het kleine poesje gevangen hebt, maar de ouwe kat hebt laten ontsnappen.’