De stemmen begonnen zich te verwijderen. Sam hoorde het geluid van voetstappen die zich terugtrokken. Hij herstelde zich van de schok, en nu werd hij door een wilde woede aangegrepen. ‘Ik had het helemaal mis!’ riep hij uit. ‘Ik wist dat dat zou gebeuren. Nu hebben ze hem, de duivels, de smeerlappen. Laat je meester nooit alleen, nooit, nooit; dat was mijn goede stelregel. En ik wist het in mijn hart. Moge men mij vergeven! Nu moet ik naar hem terug zien te komen. Op wat voor manier dan ook.’
Hij trok zijn zwaard weer en sloeg met het gevest tegen de stenen, maar het maakte slechts een dof geluid. Het zwaard vlamde nu echter zo hel op, dat hij vaag bij het licht ervan kon zien. Tot zijn verbazing merkte hij dat het grote blok de vorm had van een zware deur en minder dan twee keer zo hoog was als hijzelf. Erboven was een donkere, open ruimte tussen de bovenkant en de lage boog van de opening. Waarschijnlijk was het alleen bedoeld om Shelob te verhinderen naar binnen te gaan, aan de binnenkant afgesloten met een sleutel of grendel, waar zij niet bij kon komen. Met alle kracht die nog in hem was sprong Sam, greep de top, klauterde omhoog en liet zich vallen; en toen rende hij wild, het zwaard vlammend in de hand, een bocht om en omhoog door een slingerende tunnel.
Het nieuws dat zijn meester nog leefde, zette hem aan tot een laatste krachtsinspanning die hem zijn moeheid deed vergeten. Hij kon geen hand voor ogen zien, want deze nieuwe gang draaide en slingerde voortdurend, maar hij meende dat hij de twee orks inhaalde: hun stemmen kwamen weer dichterbij. Nu schenen ze vlak voor hem.
‘Dat ga ik doen,’ zei Shagrat op nijdige toon. ‘Hem helemaal in de bovenste kamer zetten.’
‘Waarvoor?’ gromde Gorbag. ‘Heb je beneden geen cellen?’
‘Hij wordt veilig opgeborgen, zeg ik je,’ antwoordde Shagrat. ‘Zie je, hij is kostbaar. Ik vertrouw niet al m’n jongens, en niet een van de jouwe; en jou ook niet als je op lol uit bent. Hij gaat waar ik hem wil hebben en waar jij niet zult komen, als je je gemak niet houdt. Naar de bovenste verdieping, zeg ik. Daar zal hij veilig zijn.’
‘Dat had je maar gedacht,’ zei Sam. ‘Je vergeet de grote elfenkrijger die vrij rondloopt!’ En hierop rende hij de laatste hoek om, maar merkte dat hij, óf door een eigenaardigheid van de tunnel óf door het gehoor dat de Ring hem gaf, de afstand verkeerd had geschat.
De twee orkfiguren waren nog een eindje van hem vandaan. Hij kon ze nu zien, zwart en gehurkt tegen een rode gloed. De gang liep nu eindelijk recht, een helling op; en aan het einde, wijdopen, waren grote dubbele deuren, die waarschijnlijk naar diepe kamers ver onder de grote hoorn van de toren liepen. De orks waren al met hun last naar binnen gegaan. Gorbag en Shagrat naderden de poort.
Sam hoorde een uitbarsting van rauw gezang, het schetteren van trompetten en het gegalm van gongen, een afschuwelijke herrie. Gorbag en Shagrat stonden al op de drempel.
Sam schreeuwde en zwaaide met Prik, maar zijn kleine stem ging in het tumult verloren. Niemand schonk aandacht aan hem.
De grote deuren vielen dicht. Boem. De ijzeren grendels vielen aan de binnenkant in de sloten. Klang. De poort was dicht. Sam wierp zich tegen de vergrendelde koperen platen en viel bewusteloos op de grond. Hij was buiten in de duisternis. Frodo leefde, maar was door de Vijand gevangengenomen.
Vijfde boek
I. Minas Tirith
Pepijn keek uit de beschutting van Gandalfs mantel naar buiten. Hij vroeg zich af of hij wakker was of nog sliep, nog steeds in de snelbewegende droom waarin hij zo lang ingekapseld was geweest sinds de grote rit was begonnen. De donkere wereld schoot voorbij en de wind zong luid in zijn oren. Hij kon niets anders zien dan de wentelende sterren, en rechts van hem enorme schaduwen tegen de hemel, waar de bergen van het zuiden voorbijtrokken. Slaperig probeerde hij de tijden en etappen van hun reis na te gaan, maar zijn herinnering was soezerig en onzeker.
Daar was de eerste rit met vreselijke snelheid zonder stoppen geweest, en toen bij de dageraad, had hij een bleekgouden schittering gezien, en waren ze bij de stille stad en het grote lege huis op de heuvel aangekomen. En nauwelijks hadden zij de beschutting ervan bereikt toen de gevleugelde schaduw opnieuw over was gevlogen, en mensen van angst waren bezwijmd. Maar Gandalf had hem zacht toegesproken, en hij had in een hoek geslapen, moe maar onrustig, zich vaag bewust van het komen en gaan van pratende mensen, en Gandalf die bevelen gaf. En daarna weer rijden, rijden door de nacht. Dit was de tweede, nee, de derde nacht sinds hij in de Steen had gekeken. En met die afschuwelijke herinnering werd hij wakker en huiverde, en het geluid van de wind werd vervuld van dreigende stemmen.
Een licht gloeide op aan de hemel, een vlam van geel vuur achter donkere barrières. Pepijn deinsde terug, een ogenblik bang, en vroeg zich af naar welk afgrijselijk land Gandalf hem bracht. Hij wreef in zijn ogen en zag toen dat het de maan was die boven de schaduwen in het oosten opging en nu bijna helemaal vol was. Dus de nacht was nog niet oud en de donkere reis zou nog urenlang doorgaan. Hij ging verzitten en sprak.
‘Waar zijn we, Gandalf?’ vroeg hij.
‘In het rijk Gondor,’ antwoordde de tovenaar. ‘Het land Anórien vliegt nog onder ons door.’
Er heerste weer een tijdlang stilte. ‘Wat is dat?’ riep Pepijn plotseling uit, terwijl hij zich aan Gandalfs mantel vastgreep. ‘Kijk! Vuur, rood vuur! Zijn er draken in dit land? Kijk, daar is er nog een!’
Bij wijze van antwoord riep Gandalf luid tegen zijn paard: ‘Voort, Schaduwvacht! Wij moeten ons haasten. De tijd dringt. Kijk! De bakens van Gondor zijn verlicht en roepen om hulp. De oorlog is ontbrand. Kijk, er is vuur op de Amon Dîn, en vlammen op Eilenach; en daar snellen ze naar het westen: Nardol, Erelas, Min-Rimmon, Calenhad en de Halifirien aan de grenzen van Rohan!’
Maar Schaduwvacht vertraagde zijn gang tot een stap en toen lichtte hij het hoofd op en hinnikte. En uit de duisternis klonk het hinnikend antwoord van andere paarden; en weldra hoorden zij het geroffel van hoeven en verschenen er drie ruiters, die als vliegende geesten in het maanlicht voorbijschoten en in het westen verdwenen. Toen verzamelde Schaduwvacht zijn krachten weer en sprong naar voren, en de nacht stroomde over hem heen als een brullende wind.
Pepijn werd weer slaperig en schonk weinig aandacht aan Gandalf, die hem vertelde van de gewoonten van Gondor, en dat de Heer van de Stad op de toppen van de buitenste heuvels langs de grenzen van de grote bergketen bakens had laten bouwen, en op deze plaatsen posten had ingericht waar verse paarden altijd in gereedheid werden gehouden om zijn boodschappers naar Rohan in het noorden, of naar Belfalas in het zuiden te dragen. ‘Het is langgeleden sinds de bakens in het noorden ontstoken waren,’ zei hij, ‘en in de oude tijd van Gondor waren ze niet nodig, want toen hadden ze de Zeven Stenen.’ Pepijn schoof onrustig heen en weer.
‘Ga maar weer slapen en wees niet bang,’ zei Gandalf. ‘Want je gaat niet naar Mordor, zoals Frodo, maar naar Minas Tirith, en daar zul je zo veilig zijn als maar mogelijk is in deze tijden. Als Gondor valt of als de Ring wordt afgenomen, zal de Gouw ook geen toevlucht bieden.’
‘Je stelt me niet gerust,’ zei Pepijn, maar toch overmande de slaap hem. Het laatste wat hij zich herinnerde voordat hij in een diepe droom verzonk, was een glimp van hoge witte bergtoppen, die als drijvende eilanden boven de wolken schitterden toen het licht van de ondergaande maan erop scheen. Hij vroeg zich af waar Frodo was, en of hij al in Mordor was, of dat hij dood was – maar hij wist niet dat Frodo ver weg naar diezelfde maan keek toen deze in Gondor onderging voor het aanbreken van de dag.
Pepijn werd wakker van het geluid van stemmen. Weer was een dag van schuilen en een nacht van reizen voorbijgegaan. Het was schemer: de koude dageraad stond weer op het punt om aan te breken, en kille grijze nevels omringden hen. Schaduwvacht stond te dampen van het zweet, maar zijn nek was trots opgeheven en hij vertoonde geen spoor van vermoeidheid. Vele in zware mantels gehulde mannen stonden naast hem en achter hen in de mist doemde een stenen muur op. Deze scheen gedeeltelijk vervallen, maar al voor het einde van de nacht was het geluid van haastige arbeid te horen: het geklop van hamers, het gerinkel van troffels en het knarsen van wielen. Hier en daar in de mist gloeiden toortsen en fakkels dof op. Gandalf was in gesprek met de mannen die hem de weg versperden, en toen hij luisterde, merkte Pepijn dat hijzelf het onderwerp van het gesprek was.