Выбрать главу

‘Jazeker kennen we u, Mithrandir,’ zei de leider van de mannen, ‘en u kent de wachtwoorden van de Zeven Poorten en het staat u vrij uw weg te vervolgen. Maar we kennen uw metgezel niet. Wat is hij? Een dwerg uit de bergen in het noorden? Wij willen in deze tijd geen vreemdelingen in ons land hebben, tenzij het machtige krijgers zijn op wier goede trouw en hulp wij staat kunnen maken.’

‘Ik sta borg voor hem voor de zetel van Denethor,’ zei Gandalf. ‘En wat dapperheid betreft, die kan niet aan postuur worden afgemeten. Hij heeft meer veldslagen en gevaren doorstaan dan jij, Ingold, hoewel je twee keer zo groot bent als hij en hij komt nu van de bestorming van Isengard, waarover wij nieuws hebben, en een grote vermoeidheid heeft hem overvallen, anders zou ik hem wakker maken. Zijn naam is Peregrijn, een bijzonder dapper mens.’

‘Mens?’ zei Ingold twijfelend, en de anderen lachten.

‘Mens!’ riep Pepijn uit, die nu klaarwakker was. ‘Mens! Helemaal niet! Ik ben een hobbit en evenmin dapper als ik een mens ben, behalve misschien af en toe in geval van nood. Laat Gandalf u niet misleiden.’

‘Menige doener van grote daden zou niet meer hoeven te zeggen,’ zei Ingold. ‘Maar wat is een hobbit?’

‘Een halfling,’ antwoordde Gandalf. ‘Nee, niet degene waar sprake van was,’ voegde hij eraan toe toen hij de verbazing op de gezichten van de mannen zag. ‘Niet hij, maar wel een van zijn geslacht.’

‘Ja, en een die met hem is meegereisd,’ zei Pepijn. ‘En Boromir van uw Stad was bij ons, en hij redde mij in de sneeuwvelden van het noorden, en ten slotte werd hij gedood toen hij mij tegen vele vijanden verdedigde.’

‘Stil!’ zei Gandalf. ‘Het nieuws van dat verdriet had eerst aan de vader verteld behoren te worden.’

‘Het werd reeds vermoed,’ zei Ingold, ‘want er hebben zich hier de laatste tijd vreemde voortekenen voorgedaan. Maar ga nu vlug verder! Want de Heer van Minas Tirith zal verlangend zijn om iemand te zien die de laatste berichten over zijn zoon brengt, of hij mens is of –’

‘Hobbit,’ zei Pepijn. ‘Ik kan uw Heer van weinig nut zijn, maar ik zal doen wat ik kan, Boromir de dappere indachtig.’

‘Het ga u goed!’ zei Ingold, en de mannen maakten ruim baan voor Schaduwvacht, en hij ging door een smalle poort in de muur. ‘Moge u Denethor in zijn nood goede raad schaffen, en ons allemaal, Mithrandir!’ riep Ingold uit. ‘Maar u brengt berichten van smart en gevaar, zoals gewoonlijk, zegt men.’

‘Omdat ik vrijwel alleen kom wanneer mijn hulp vereist wordt,’ antwoordde Gandalf. ‘En wat raad betreft, u zou ik willen zeggen dat u veel te laat bent met het herstellen van de muur van de Pelennor. Moed zal nu uw beste verdediging zijn tegen de ophanden zijnde storm – dat en de hoop die ik breng. Want niet al het nieuws dat ik breng is slecht. Maar laat uw troffels rusten en wet uw zwaarden!’

‘Het werk zal voor de avond zijn gedaan,’ zei Ingold. ‘Dit is het laatste gedeelte van de muur dat in staat van verdediging wordt gebracht: het deel dat het minst blootstaat aan een aanval, omdat het naar onze vrienden van Rohan is gekeerd. Weet u iets van hen af? Zullen zij gehoor geven aan de oproep, denkt u?’

‘Ja, zij zullen komen. Maar zij hebben vele slagen voor u in uw rug gevochten. Deze weg en geen enkele weg is nog langer veilig. Wees op uw hoede. Als Gandalf Stormkraai er niet was geweest, zou u een leger van vijanden uit Anórien hebben zien komen en geen Ruiters uit Rohan. En misschien gebeurt dat nog wel. Vaarwel, en slaap niet!’

Gandalf reed nu het wijde land achter de Rammas Echor in. Zo noemden de mensen van Gondor de buitenste muur die zij met grote inspanning hadden opgetrokken, nadat Ithilien onder de schaduw van hun Vijand was gevallen. Over een afstand van dertig mijl of meer liep hij van de voet van de bergen en zo weer terug, de velden van de Pelennor in zijn beschutting omsluitend: mooie, vruchtbare stadslanden op de lange hellingen en terrassen die naar de diepe vlakten van de Anduin afliepen. Op het verste punt van de Grote Poort van de Stad, naar het noordoosten, lag de muur op twaalf mijl afstand, en daar keek hij van een hoge berm over de vlakke laaglanden langs de rivier uit; mensen hadden hem hoog en sterk gemaakt, want op dat punt, op een ommuurde straatweg, kwam de weg van de voorden en bruggen van Osgiliath door een bewaakte poort tussen versterkte torens door. Op het dichtstbijzijnde punt was de muur minder dan drie mijl van de stad verwijderd, en dat was in het zuidoosten. Daar boog de Anduin, die met een brede lus om de heuvels van de Emyn Arnen in Zuid-Ithilien heen liep, scherp naar het westen, en de buitenste muur liep vlak langs de rand ervan omhoog; en daaronder lagen de kaden en aanlegplaatsen van de Harlond voor vaartuigen die uit de zuidelijke lenen stroomopwaarts kwamen.

De stadslanden waren rijk, met wijde akkers en vele boomgaarden, en er waren hofsteden met eesten en graanschuren, schaapskooien en koestallen en vele stroompjes, die door het groen uit de hooglanden naar de Anduin liepen. Maar toch waren de veeboeren en landbouwers die daar woonden niet groot in aantal, want het grootste deel van het volk van Gondor woonde in de zeven cirkels van de Stad of in de hooggelegen dalen van de berggrenzen, in Lossarnach, of verder naar het zuiden in het mooie Lebennin met zijn vijf snelle stromen. Daar woonde een dapper volk tussen de bergen en de zee. Zij werden als mensen van Gondor beschouwd, maar waren van gemengd bloed, en er waren kleine donkere lieden onder, wier voorvaderen waarschijnlijk afstamden van de vergeten mensen die in de Zwarte Jaren voor de komst van de Koningen in de schaduw van de heuvels hadden gewoond. Maar nog verder, in het grote leen Belfalas, woonde Prins Imrahil in zijn kasteel Dol Amroth bij de zee, en hij was van nobelen bloede, evenals zijn volk: grote, trotse mensen, met zeegrijze ogen.

Nadat Gandalf een eind had gereden, begon het licht aan de hemel te dagen, en Pepijn ging rechtop zitten en keek omhoog. Links van hem dreef een zee van mist, die naar een sombere schaduw in het oosten opsteeg; maar aan zijn rechterzijde verhieven zich de toppen van grote bergen, die van het westen liepen en tot een plotseling en steil eind kwamen, alsof de Rivier toen het land geschapen was door een grote barrière was gebroken en een machtige vallei had uitgeschuurd om in toekomstige tijden een slagveld en omstreden gebied te worden. En daar waar de Witte Bergen van de Ered Nimrais eindigden zag hij, zoals Gandalf had beloofd, de donkere massa van de Berg Mindolluin; de diep purperen schaduwen van zijn hoge dalen en zijn hoge wand wit oplichtend in de aanbrekende dag. En op de uitloper stond de Bewaakte Stad, met haar zeven muren van steen, zo sterk en oud, dat zij niet scheen te zijn gebouwd, maar door reuzen uit de ribben der aarde te zijn gehouwen.

Terwijl Pepijn er verbaasd naar keek, veranderden de muren van dreigend grijs in wit, flauw blozend in de dageraad; en plotseling steeg de zon boven de oostelijke schaduwen uit en zond een straal die op de stad weerkaatste. Toen slaakte Pepijn een luide kreet, want de Toren van Ecthelion, die hoog binnen de bovenste muur stond, straalde tegen de hemel, schitterend als een piek van parels en zilver, hoog, mooi en welgevormd, en zijn pinakel fonkelde alsof hij van kristal was gemaakt; en witte banieren werden gehesen en wapperden in de ochtendbries van de kantelen, en hoog en in de verte hoorde hij een helder geschetter als van zilveren trompetten.