Zo reden Gandalf en Peregrijn bij zonsopgang naar de Grote Poort van de mensen van Gondor, en haar ijzeren deuren werden voor hen geopend.
‘Mithrandir! Mithrandir!’ riepen mensen uit. ‘Nu weten wij dat de storm inderdaad ophanden is!’
‘Hij is er,’ zei Gandalf. ‘Ik heb op zijn vleugels gereden. Laat mij door! Ik moet uw Heer Denethor spreken, zolang zijn stadhouderschap nog duurt. Wat er ook gebeurt, u bent aan het einde gekomen van het Gondor dat u hebt gekend. Laat mij door!’ Toen trokken mensen zich op het gezag van zijn stem terug en ondervroegen hem niet meer, hoewel zij met verbazing staarden naar de hobbit die voor hem zat en naar het paard dat hen droeg. Want de bewoners van de Stad maakten heel weinig gebruik van paarden en die waren zelden in hun straten te zien, behalve die welke door de boodschappers van hun heer werden gebruikt. En zij zeiden: ‘Dit is zeker een van de grote rossen van de Koning van Rohan? Misschien zullen de Rohirrim ons spoedig komen versterken.’ Maar Schaduwvacht liep trots de lange, slingerende weg op.
Want de stijl van Minas Tirith was zodanig dat zij op zeven niveaus was gebouwd: elk ervan was in de heuvel uitgegraven, en om elk was een muur opgetrokken, en in iedere muur was een poort. Maar die poorten stonden niet op één lijn: de Grote Poort in de Stadsmuur lag op het oostelijke punt van de kring, maar de volgende lag half op het zuiden, de derde half op het noorden, enzovoort omhoog; zodat de geplaveide weg die naar de Citadel klom eerst naar de ene kant boog en dan weer naar de andere over de helling van de heuvel. En telkens wanneer hij de lijn van de Grote Poort sneed, ging hij door een gewelfde tunnel die door een grote rotspijler liep, waarvan de enorme vooruitstekende massa alle cirkels van de stad, behalve de eerste, in tweeën deelde. Want ten dele door de oervorm van de heuvel, ten dele door de machtige kunst en het handwerk van weleer, verrees op een wijde binnenplaats achter de Poort een hoog stenen bastion, waarvan de rand even scherp was als de kiel van een schip, op het oosten gericht. Het verrees zelfs tot aan de bovenste kring, en werd daar gekroond door een kanteel; zodat zij die zich in de Citadel bevonden, als zeelieden op een gigantisch schip, van de top ervan recht naar beneden op de Poort zevenhonderd voet lager konden neerkijken. De toegang tot de Citadel lag ook op het oosten, maar was in het hart van de rots gegraven; vandaar liep een lange door lampen verlichte helling naar de zevende poort. Zo bereikte men ten slotte de Hoge Hof en het Plein van de Fontein aan de voet van de Witte Toren; hoog en fraai van vorm was deze, vijftig vadem van de voet tot aan de top, waar de banier van de Stadhouders duizend voet boven de vlakte wapperde.
Het was inderdaad een sterke Citadel, onneembaar voor een vijandelijk leger, zolang daarbinnen nog lieden waren die wapens konden vasthouden; tenzij een vijand kon omtrekken en de lagere randen van de Mindolluin kon beklimmen, en zo bij de smalle rug kon komen die de Wachtheuvel met het bergmassief verbond. Maar die rug, die tot de hoogte van de vijfde muur reikte, was tot vlak bij de afgrond omgeven door grote vestingwallen die boven het westelijke uiteinde ervan oprezen; en op die plaats stonden de woningen en graftomben van vroegere koningen en heersers, voor altijd zwijgend tussen de berg en de toren.
Pepijn staarde met toenemende verbazing naar de grote stenen stad, indrukwekkender en schitterender dan iets waarvan hij gedroomd had; groter en sterker dan Isengard, en veel mooier. Toch, in werkelijkheid raakte zij van jaar tot jaar meer in verval; en nu al ontbeerde zij de helft van de mensen die er gemakkelijk hadden kunnen wonen. In iedere straat kwamen zij langs een groot huis of binnenplaats boven de poort of deuren waarvan vele mooie letters in vreemde oude vormen waren gebeeldhouwd; namen, vermoedde Pepijn, van grote mannen en geslachten die daar eens hadden gewoond; maar nu waren zij stil, en geen voetstap klonk op de brede paden, geen stem werd in de kamers gehoord en geen gezicht keek uit een deur of raam.
Eindelijk kwamen zij uit de schaduw bij de zevende poort, en de warme zon die achter de Rivier neerscheen, terwijl Frodo door de bosjes van Ithilien liep, brandde hier op de gladde muren en hoge pilaren, en de grote boog met de sluitsteen gebeeldhouwd als een gekroond en koninklijk hoofd. Gandalf steeg van zijn paard af, want paarden mochten de Citadel niet binnen, en Schaduwvacht liet zich met tegenzin op het zachte bevel van zijn meester wegleiden.
De schildwachten bij de poort waren in het zwart gekleed, en hun helmen waren vreemd van vorm: hoog gekroond, met lange wangbeschermers die het gezicht nauw omsloten, en boven de wangbeschermers zaten de witte vleugels van zeevogels; maar de helmen glansden met een zilveren vlam, want zij waren van mithril gemaakt, erfstukken van de glorie van vroeger tijden. De zwarte wapenrokken waren in het wit geborduurd met een boom bloesemend als sneeuw onder een zilveren kroon en veelpuntige sterren. Dit was de wapenrok van de erfgenamen van Elendil en in heel Gondor droeg niemand anders die dan de Wachters van de Citadel voor de Hof van de Fontein waar de Witte Boom eens had gestaan.
Het scheen dat het nieuws van hun komst hun al vooruit was gegaan, want zij werden onmiddellijk toegelaten, zwijgend, zonder vragen. Snel liep Gandalf de witgeplaveide binnenplaats over. Een lieflijke fontein klaterde er in de ochtendzon, en een fris groen grasveld lag eromheen, maar in het midden over de poel neerhangend, stond een dode boom, en de vallende druppels dropen droef van de kale, gebroken takken terug in het heldere water.
Pepijn wierp er een vluchtige blik op toen hij Gandalf snel achternaliep. Hij zag er treurig uit, dacht hij, en hij vroeg zich af waarom men de dode boom hier liet staan, terwijl al het andere goed onderhouden was.
Zeven sterren en zeven stenen en één witte boom.
De woorden die Gandalf had gemompeld, kwamen in zijn herinnering terug. En toen stond hij voor de deuren van de grote zaal aan de voet van de glinsterende toren en hij liep achter de tovenaar langs de grote stille deurwachters heen en betrad de koele galmende schaduwen van het stenen huis.
Zij liepen een betegelde gang door, lang en leeg, en onder het gaan fluisterde Gandalf zachtjes tegen Pepijn: ‘Pas goed op je woorden, meester Peregrijn! Dit is geen tijd voor hobbit-vrijpostigheid. Théoden is een vriendelijke oude man. Denethor is heel anders, trots en fijnbesnaard, een man van veel hogere afkomst en veel machtiger, hoewel hij geen koning wordt genoemd. Maar hij zal voornamelijk met jou praten en je veel vragen stellen, omdat jij hem over zijn zoon Boromir kunt vertellen. Hij hield veel van hem, te veel misschien; en des te meer omdat zij niet op elkaar leken. Maar onder het mom van zijn liefde zal hij denken dat het gemakkelijker is om van jou dan van mij te vernemen wat hij wil weten. Vertel hem niet meer dan nodig is en laat de kwestie van Frodo’s missie rusten. Die zal ik te zijner tijd ter sprake brengen. En zeg ook niets over Aragorn, tenzij het niet anders kan.’
‘Waarom niet? Wat is er aan de hand met Stapper?’ fluisterde Pepijn. ‘Hij was toch van plan om hierheen te gaan? En hij zal hier zelf in ieder geval ook gauw aankomen.’
‘Misschien, misschien,’ zei Gandalf. ‘Hoewel, als hij komt, zal dat vermoedelijk op een manier zijn die niemand verwacht, zelfs Denethor niet. Het zal beter zijn zo. In ieder geval moeten wij zijn komst niet aankondigen.’
Gandalf bleef voor een hoge deur van gepolijst metaal staan. ‘Zie je, meester Pepijn, er is nu geen tijd om je in de geschiedenis van Gondor te onderwijzen, hoewel het misschien beter zou zijn geweest als je er iets over had gehoord toen je nog vogelnestjes en kattenkwaad uithaalde in de bossen van de Gouw. Doe wat ik je vraag! Het is nauwelijks verstandig, wanneer je een machtig heer nieuws brengt over de dood van zijn erfgenaam, om al te veel te zeggen over de komst van iemand, die, als hij komt, het koningschap zal opeisen. Is dat genoeg?’
‘Koningschap?’ vroeg Pepijn verwonderd.