Выбрать главу

‘Ja,’ zei Gandalf. ‘Als je al die dagen met dichte oren en slaperige geest hebt rondgelopen, moet je nu maar eens wakker worden!’ Hij klopte op de deur.

De deur ging open, maar er was niemand te zien die haar opende. Pepijn keek in een grote zaal. Deze was verlicht door diepe vensters in de brede gangpaden aan weerskanten, achter de rijen hoge zuilen die het dak schraagden. Monolieten van zwart marmer stegen op naar grote kapitelen, gebeeldhouwd in vele vreemde figuren van dieren en bladeren; en hoog boven in schaduw glansde het doffe goud van de brede gewelven, met daartussenin vloeiende lijnen in vele kleuren. Geen draperieën, geen met verhalen verluchte weefsels of iets anders van stof of hout waren er te zien in die lange plechtige zaal; maar tussen de zuilen stond een zwijgend gezelschap van hoge beelden uitgehakt in koude steen.

Plotseling werd Pepijn herinnerd aan de uitgehakte rotsen van de Argonath, en vrees vervulde hem toen hij de rij lang gestorven koningen langs keek. Helemaal aan het einde op een verhoging met vele treden stond een hoge troon onder een baldakijn van marmer in de vorm van een gekroonde helm; daarachter was op de muur een bloesemende boom gebeeldhouwd en met edelstenen bezet. Maar de troon was leeg. Aan de voet van de verhoging, op de onderste trede, die breed en diep was, stond een stenen zetel, zwart en zonder versiering, en daarop zat een oude man in zijn schoot te staren. In zijn hand hield hij een witte staf met een gouden knop. Hij keek niet op. Plechtig liepen zij over de lange vloer naar hem toe, totdat zij drie passen van zijn voetenbankje verwijderd waren. Toen sprak Gandalf.

‘Heil, Heer en Stadhouder van Minas Tirith, Denethor, zoon van Ecthelion! Ik ben gekomen met raad en nieuws in dit donkere uur.’ Toen keek de oude man op. Pepijn zag zijn scherp gesneden gezicht met de trotse beenderen en huid als ivoor, en de lange gebogen neus tussen de donkere diepliggende ogen; en hij werd niet zozeer aan Boromir als wel aan Aragorn herinnerd. ‘Voorwaar, het uur is donker,’ zei de oude man, ‘en op zulke tijden pleeg je gewoonlijk te komen, Mithrandir. Maar hoewel alle tekenen erop wijzen dat het lot van Gondor op het punt staat te worden voltrokken, is die duisternis mij nu minder zwart dan mijn eigen duisternis. Men heeft mij verteld dat je iemand bij je hebt die mijn zoon heeft zien sterven. Is hij dat?’

‘Jazeker,’ zei Gandalf. ‘Een van de twee. De andere is bij Théoden van Rohan en komt wellicht later. Het zijn halflingen, zoals u ziet, maar dit is niet degene van wie de voortekenen gewaagden.’

‘Maar toch een halfling,’ zei Denethor somber, ‘en weinig liefde draag ik die naam toe, sinds die vervloekte woorden onze beraadslagingen kwamen verstoren en mijn zoon op de wilde missie naar zijn dood wegvoerde. Mijn Boromir! Nu we je zo nodig hebben! Faramir had in zijn plaats moeten gaan.’

‘Hij zou gegaan zijn,’ zei Gandalf. ‘Wees niet onrechtvaardig in uw smart! Boromir eiste die missie op en wilde niet dat iemand anders zou gaan. Hij was een dominerend man en iemand die nam wat hij begeerde. Ik heb ver met hem gereisd en ben veel over zijn stemmingen te weten gekomen. Maar u spreekt over zijn dood. Hebt u daar nieuws over gehad voordat wij kwamen?’

‘Ik heb dit ontvangen,’ zei Denethor; hij legde zijn staf neer en pakte het voorwerp uit zijn schoot waar hij naar had zitten kijken. In iedere hand hield hij de helft van een grote hoorn die in tweeën was gekliefd: een wilde-ossenhoorn met zilveren banden eromheen.

‘Dat is de hoorn die Boromir altijd bij zich droeg!’ riep Pepijn uit.

‘Inderdaad,’ zei Denethor. ‘En ik heb hem op mijn beurt gedragen, en dat heeft iedere oudste zoon van ons huis gedaan, tot in het verre verleden van de verloren jaren voor het uitsterven der koningen, sinds Vorondil, vader van Mardil, op de wilde koeien van Araw in de verre velden van Rhûn joeg. Ik hoorde hem heel flauw op de noordelijke vlakte schallen, dertien dagen geleden, en de Rivier bracht hem mij, gebroken; hij zal niet meer klinken.’ Hij zweeg en er viel een drukkende stilte. Plotseling richtte hij zijn donkere blik op Pepijn. ‘Wat heb je daarop te zeggen, halfling?’

‘Dertien dagen, dertien dagen,’ stamelde Pepijn. ‘Ja, dat klopt, denk ik. Ja, ik stond naast hem toen hij de hoorn stak. Maar er kwam geen hulp. Alleen maar nog meer orks.’

‘Zo,’ zei Denethor, die Pepijn scherp aankeek. ‘Was jij daar? Vertel mij er meer van! Waarom kwam er geen hulp? En hoe ben jij ontsnapt en hij niet, machtig als hij was, met slechts orks om hem tegen te houden?’

Pepijn liep rood aan en vergat zijn angst. ‘De machtigste man kan door één pijl worden gedood,’ zei hij, ‘en Boromir werd door vele doorboord. Toen ik hem voor het laatst zag, zonk hij naast een boom neer en trok een zwartgevederde pijl uit zijn zijde. Toen bezwijmde ik en werd gevangengenomen. Ik heb hem nooit meer gezien, en weet niet meer. Maar ik eer zijn nagedachtenis, want hij was heel dapper. Hij stierf om ons te redden, mijn familielid Meriadoc en mijzelf, in de bossen overvallen door de soldaten van de Zwarte Heer; en hoewel hij sneuvelde en faalde, is mijn dankbaarheid er niet minder om.’

Toen keek Pepijn de oude man in de ogen, want een vreemde trots welde in hem op, nog geërgerd door het misprijzen en de achterdocht in die koude stem. ‘Ongetwijfeld zal een zo groot Heer over mensen weinig dienstbetoon van een hobbit, een halfling uit de Gouw in het noorden, verwachten, maar niettemin bied ik u mijn diensten aan, ter delging van mijn schuld.’ Hij sloeg zijn grijze mantel open en trok zijn kleine zwaard en legde het aan Denethors voeten.

Een flauwe glimlach, als een koude zonnestraal op een winteravond, trok over het gezicht van de oude man, maar hij boog zijn hoofd en strekte zijn hand uit, terwijl hij de stukken van de hoorn opzij legde. ‘Geef mij het wapen,’ zei hij. Pepijn pakte het op en overhandigde hem het gevest. ‘Waar komt dit vandaan?’ vroeg Denethor. ‘Het is vele, vele jaren oud. Dit is zonder twijfel een zwaard dat in het verre verleden door onze stamverwanten in het noorden is gesmeed?’

‘Het is afkomstig uit de grafheuvels die aan de grenzen van mijn land liggen,’ zei Pepijn. ‘Maar nu huizen daar alleen maar boze geesten, en ik wil liever niet meer over hen vertellen.’

‘Ik zie dat er vreemde verhalen over jullie gesponnen worden,’ zei Denethor, ‘en opnieuw wordt getoond dat schijn kan bedriegen. Ik aanvaard je diensten. Want je wordt niet door woorden afgeschrikt en je spreekt hoffelijke taal, hoe vreemd de klank ervan ons in het zuiden ook in de oren moge klinken. En wij zullen alle hoffelijke lieden nodig hebben, of ze groot zijn of klein, in de dagen die komen. Leg nu de eed voor mij af.’

‘Neem het gevest,’ zei Gandalf, ‘en zeg de Heer na, als je bij je woorden blijft.’

‘Dat doe ik,’ zei Pepijn.

De oude man legde het zwaard op zijn schoot en Pepijn strekte de hand uit naar het gevest en herhaalde langzaam Denethors woorden:

‘Hierbij zweer ik trouw en dienstbaarheid aan Gondor en aan de Heer en Stadhouder van het Rijk, en beloof te spreken en te zwijgen, te doen en na te laten, te komen en te gaan, in nood of overvloed, in vrede of oorlog, in leven of dood, van dit uur af, totdat mijn heer mij ontslaat, of de dood mij tot zich neemt of de wereld vergaat. Aldus zweer ik, Peregrijn, zoon van Paladijn uit de Gouw van de halflingen.’

‘En dit hoor ik, Denethor, zoon van Ecthelion, Heer van Gondor, Stadhouder van de Hoge Koning, en ik zal het niet vergeten of nalaten dat wat wordt geschonken te belonen: trouw met liefde, dapperheid met eer, eedbreuk met wraak.’ Toen kreeg Pepijn zijn zwaard terug en stak het in de schede.

‘En nu,’ zei Denethor, ‘mijn eerste bevel aan jou: spreek, en zwijg niet! Vertel mij je hele geschiedenis en zorg ervoor dat je alles vertelt wat je je over mijn zoon Boromir kunt herinneren. Ga nu zitten en begin!’ Terwijl hij sprak, sloeg hij op een kleine zilveren gong die bij zijn voetenbankje stond en onmiddellijk traden bedienden naar voren. Pepijn zag toen dat zij in nissen aan weerskanten van de deur hadden gestaan, onzichtbaar toen hij en Gandalf waren binnengekomen.