‘Breng wijn en eten en zetels voor de gasten,’ zei Denethor, ‘en zorg ervoor dat wij een uur lang door niemand worden gestoord.’
‘Dat is alle tijd die ik voor je heb, want vele andere zaken vereisen mijn aandacht,’ zei hij tegen Gandalf. ‘Veel dat naar het schijnt van groter gewicht lijkt, maar toch minder dringend voor mij. Maar misschien kunnen wij aan het einde van de dag nog een gesprek hebben.’
‘En eerder, hoop ik,’ zei Gandalf. ‘Want ik ben niet uit Isengard hierheen komen rijden – vierhonderdvijftig mijl, met de snelheid van de wind – om u alleen maar één kleine krijger te brengen, hoe hoffelijk ook. Zegt het u niets dat Théoden een grote slag geleverd heeft, en dat Isengard is omvergeworpen, en dat ik de staf van Saruman heb gebroken?’
‘Dat betekent veel voor mij. Maar ik weet al voldoende van deze daden af om mij tot raad te strekken tegen de dreiging van het Oosten.’ Hij richtte zijn donkere ogen op Gandalf, en nu zag Pepijn een gelijkenis tussen beiden, min of meer alsof hij een lijn van smeulend vuur zag, die van oog tot oog liep en plotseling in vlammen kon uitbarsten.
Denethor zag er eigenlijk veel meer als een grote tovenaar uit dan Gandalf, koninklijker, mooi en machtig; en ook ouder. Maar toch gaf een ander zintuig dan het gezicht Pepijn het gevoel dat Gandalf een grotere macht en diepere wijsheid bezat en een versluierde majesteit. En hij was ouder, veel ouder. Hoeveel ouder? vroeg hij zich af, en toen dacht hij ineens hoe vreemd het was dat hij daar nog nooit eerder bij had stilgestaan. Boombaard had iets over tovenaars gezegd, maar ook toen had hij Gandalf niet als een van hen beschouwd. Wat was Gandalf? In welke verre tijd en waar was hij ter wereld gekomen, en wanneer zou hij deze verlaten? Maar toen werd zijn gedachtestroom afgebroken, en hij zag dat Gandalf en Denethor elkaar nog steeds strak aankeken alsof zij elkaars gedachten lazen. Maar Denethor was degene die de blik het eerst afwendde.
‘Ja,’ zei hij, ‘want al zijn, naar men zegt, de Stenen verloren gegaan, de heren van Gondor hebben toch een scherpere blik dan mindere mensen, en vele boodschappen komen tot hen. Maar ga nu zitten!’
De mannen kwamen een stoel en een laag krukje aandragen, en een bracht een dienblad met een zilveren fles, en bekers en witte koeken. Pepijn ging zitten, maar hij kon zijn ogen niet van de oude vorst afhouden. Was het zo, of had hij het zich alleen maar verbeeld dat, terwijl hij over Stenen sprak, een plotselinge glans van zijn oog op Pepijns gezicht was gevallen?
‘Vertel mij nu je verhaal, mijn vazal,’ zei Denethor, half vriendelijk, half spottend. ‘Want de woorden van iemand die zo met mijn zoon bevriend was, zullen waarlijk welkom zijn.’
Pepijn vergat dat uur in die grote zaal onder de doordringende blik van de vorst van Gondor nooit meer, voortdurend belaagd door zijn slimme vragen, en zich voortdurend bewust van Gandalf aan zijn zijde, die hem gadesloeg en luisterde en (zo meende Pepijn) een opkomende woede en ongeduld bedwong. Toen het uur om was en Denethor de gong weer luidde, voelde Pepijn zich afgemat. Het kan niet later zijn dan negen uur, dacht hij. Ik zou nu drie ontbijten achter elkaar kunnen eten.
‘Wijs de Heer Mithrandir de weg naar de vertrekken die voor hem in gereedheid zijn gebracht,’ zei Denethor, ‘en zijn metgezel mag voorlopig bij hem intrekken, als hij dat wil. Maar weet dat hij nu officieel in mijn dienst is en dat hij bekend zal staan als Peregrijn, zoon van Paladijn, en hem de mindere wachtwoorden moeten worden geleerd. Deel de Kapiteins mede dat zij hier bij mij moeten komen, meteen nadat het derde uur heeft geslagen.
En u, Heer Mithrandir, zult ook komen wanneer en indien u dat wilt. Niemand zal u beletten om bij mij te komen wanneer u dat verkiest, behalve op de weinige uren dat ik slaap. Laat uw woede om de dwaasheid van een oude man bekoelen, en kom dan terug om mij gerust te stellen.’
‘Dwaasheid?’ vroeg Gandalf. ‘Nee, mijn heer, wanneer u een kindse grijsaard bent, zult u sterven. U kunt zelfs uw verdriet als dekmantel gebruiken. Denkt u dat ik niet weet met welk doel u hem, die het minste weet, een uur lang in mijn tegenwoordigheid ondervraagt?’
‘Als u het begrijpt, wees dan tevreden,’ antwoordde Denethor. ‘Trots die hulp en raad in nood versmaadde zou dwaasheid zijn, maar u deelt dergelijke geschenken naar eigen verkiezing uit. Toch laat de Heer van Gondor zich niet als werktuig voor de doeleinden van andere mensen gebruiken, hoe waardig zij ook zijn. En voor hem is er geen hoger doel in de wereld, zoals de zaken nu staan, dan het welzijn van Gondor; en de heerschappij over Gondor, mijn heer, behoort aan mij, en geen ander, tenzij de koning zou weerkeren.’
‘Tenzij de koning zou weerkeren?’ vroeg Gandalf. ‘Welnu, heer Stadhouder, het is uw taak om althans een deel van het koninkrijk te beschermen tegen de gebeurtenissen waar weinigen nu naar uitzien. Bij die taak zult u alle hulp krijgen die het u behaagt te vragen. Maar ik zeg u dit: ik bezit geen heerschappij over enig koninkrijk, Gondor noch enig ander, groot of klein. Maar alle dingen die waarde hebben, zijn in gevaar zoals de wereld er nu voor staat; dat is mijn zorg. En wat mij betreft, ik zal niet volledig falen in de uitvoering van mijn taak, ook al wordt Gondor vernietigd, zo er iets door deze nacht gaat dat nog schoon kan worden of vrucht dragen en weer bloeien in de tijd die komt. Want ik ben ook stadhouder. Wist u dat niet?’ En hierop draaide hij zich om en schreed de zaal uit terwijl Pepijn naast hem voortholde.
Gandalf keek niet naar Pepijn en sprak geen woord tegen hem terwijl zij gingen. Hun gids bracht hen naar de deuren van de zaal, en leidde hen toen over de Binnenplaats van de Fontein naar een weg tussen hoge stenen gebouwen. Na verschillende hoeken te zijn omgeslagen kwamen zij bij een huis dicht bij de muur van de noordzijde van de Citadel, niet ver van de uitloper die de heuvel met de berg verbond. Daarbinnen, op de eerste verdieping boven de straat, via een brede gebeeldhouwde trap, wees hij hun een mooie kamer, licht en luchtig, met mooie wandtapijten van dof goud zonder figuren. Deze was spaarzaam gemeubileerd met alleen maar een kleine tafel, twee stoelen en een bank, maar aan weerskanten waren alkoven met gordijnen ervoor en goed opgemaakte bedden, met kannen en waskommen. Er waren drie hoge smalle ramen, die op het noorden over de wijde bocht van de Anduin uitkeken, die nog steeds in de nevels verscholen was, in de richting van de Emyn Muil en de Rauros ver weg. Pepijn moest op de bank klimmen om over de brede stenen vensterbank naar buiten te kunnen kijken.
‘Ben je boos op me, Gandalf?’ vroeg hij, toen hun gids vertrok en de deur sloot. ‘Ik heb mijn uiterste best gedaan.’
‘Dat heb je inderdaad gedaan!’ zei Gandalf, en hij begon ineens te lachen; toen kwam hij naast Pepijn staan, legde zijn arm om de schouders van de hobbit en keek uit het raam. Pepijn keek enigszins verbaasd naar het gezicht dat nu vlak naast het zijne was, want het geluid van die lach was vrolijk en opgewekt geweest. Maar toch zag hij in het gezicht van de tovenaar aanvankelijk alleen groeven van zorgen en verdriet; hoewel hij, toen hij aandachtiger keek, merkte dat er onder dit alles een grote vreugde schuilging: een fontein van vrolijkheid, genoeg om een koninkrijk aan het lachen te maken, als deze tot uitbarsting zou komen.
‘Inderdaad heb je je best gedaan,’ zei de tovenaar, ‘en ik hoop dat het lang zal duren voordat je je weer zo in het nauw gedreven zult voelen tussen twee van zulke vreselijke oude mannen. Maar toch is de Heer van Gondor meer van je te weten gekomen dan je misschien vermoedt, Pepijn. Je kon het feit niet verbergen dat Boromir het Gezelschap niet uit Moria heeft geleid, en dat er iemand van hoge afkomst bij jullie was, die naar Minas Tirith ging, en dat hij een beroemd zwaard voerde. De mensen denken veel na over de verhalen van de vroegere tijd in Gondor; en Denethor heeft lang nagedacht over het rijm en de woorden Isildurs Vloek, sinds Boromir wegging.
Hij is niet zoals andere mensen van deze tijd, Pepijn, en welke ook zijn afstamming van vaderskant moge zijn, door een toeval stroomt het bloed van Westernisse vrijwel onverdund door zijn aderen, evenals bij zijn andere zoon Faramir; maar toch was dat niet zo bij Boromir, van wie hij het meeste hield. Hij kan ver vooruitzien. Hij kan, indien hij zijn wil erop richt, veel van wat er in de geesten van mensen omgaat waarnemen, zelfs bij hen die ver weg wonen. Het is moeilijk hem te misleiden en gevaarlijk om het te proberen.