Выбрать главу

Schaduwvacht hinnikte toen Pepijn de stal binnenkwam en draaide zijn hoofd om. ‘Goedemorgen!’ zei Pepijn. ‘Gandalf komt zo gauw hij kan. Hij heeft het druk, maar hij laat je groeten en ik moet ervoor zorgen dat je het goed maakt; en ik hoop dat je uitrust na je lange vermoeienissen.’

Schaduwvacht schudde zijn hoofd en stampte. Maar hij stond Beregond toe hem over het hoofd te strelen en hem op de grote flanken te kloppen.

‘Hij ziet eruit alsof hij klaar is voor een wedren, en niet alsof hij pas van een grote reis is aangekomen,’ zei Beregond. ‘Wat mooi en trots is hij! Waar is zijn tuig? Dat moet wel rijk en mooi zijn.’

‘Geen enkel tuig is rijk en mooi genoeg voor hem,’ zei Pepijn. ‘Hij verdraagt er geen. Als hij je wil dragen doet hij dat, en zo niet, dan kan geen bit, breidel, zweep of riem hem temmen. Vaarwel, Schaduwvacht! Heb geduld. De strijd is ophanden.’

Schaduwvacht lichtte zijn hoofd op en hinnikte, zodat de stal schudde, en zij sloegen de handen voor de oren. Toen namen zij afscheid na zich ervan overtuigd te hebben dat de ruif goedgevuld was.

‘En nu op naar onze ruif,’ zei Beregond, en hij leidde Pepijn terug naar de Citadel, en vandaar naar een deur aan de noordzijde van de grote toren. Daar liepen zij een grote koele trap af naar een brede door lampen verlichte steeg. In de muren opzij wa ren onderdeuren, en een ervan stond open.

‘Dit is de opslagplaats en provisiekamer van mijn Gardecompagnie,’ zei Beregond. ‘Gegroet, Targon!’ riep hij door het luik. ‘Het is nog vroeg, maar hier is een nieuweling die de Heer in dienst heeft genomen. Hij heeft lang en ver met een aangehaalde buikriem gereden en heeft vanmorgen een lastig karwei gehad, dus hij heeft honger. Geef ons wat je hebt!’

Ze kregen daar boter, brood en kaas en appels: de laatste van de wintervoorraad, gerimpeld, maar gaaf en zoet; en een leren fles met vers getapt bier, en houten borden en nappen. Zij deden dit alles in een rieten mand en klommen terug naar het zonlicht; en Beregond bracht Pepijn naar een plaats aan het oosteinde van het grote naar voren springende kanteel waar een inham in de muur was met een stenen zitplaats onder de vensterbank. Vandaar konden zij de ochtend over de wereld zien liggen.

Zij aten en dronken en spraken nu eens over Gondor en zijn zeden en gebruiken, dan weer over de Gouw en de vreemde landen die Pepijn had gezien. En hoe meer zij praatten, des te groter werd Beregonds verbazing, en hij keek met stijgende verwondering naar de hobbit die zijn korte benen liet bungelen terwijl hij op de bank zat, of op zijn tenen ging staan om over de vensterbank naar de landen beneden te kijken.

‘Ik wil je niet verhelen, meester Peregrijn,’ zei Beregond, ‘dat je er in onze ogen uitziet als een van onze kinderen, een knaap van negen zomers of daaromtrent; toch heb je gevaren doorstaan en wonderen gezien waar weinigen van onze grijsaards over zouden kunnen snoeven. Ik dacht dat het een gril van onze Heer was om een nobele page aan te nemen, zoals de koningen van weleer deden, naar men zegt. Maar ik zie dat dat niet zo is en je moet mij mijn dwaasheid vergeven.’

‘Dat doe ik,’ zei Peregrijn. ‘Hoewel u het niet ver mis hebt. Ik ben nog steeds weinig meer dan een jongen in de berekening van mijn eigen volk, en het zal nog vier jaar duren voor ik “meerderjarig” word, zoals we in de Gouw zeggen. Maar bekommer u niet om mij. Kom eens kijken en zeg mij wat ik kan zien.’

De zon steeg nu aan de hemel en de nevels in het dal beneden waren opgetrokken. De laatste flarden dreven weg, vlak boven hen, als sliertjes witte wolken die werden meegevoerd op een aanwakkerende bries uit het oosten, die nu de vlaggen en witte standaarden van de Citadel deed wapperen. In de verte, beneden, op de bodem van de vallei, op het oog zo’n vijftien mijl, was de Grote Rivier nu zichtbaar, grijs en glinsterend; zij stroomde uit het noordwesten en beschreef een machtige bocht in zuidelijke richting, en daarna weer naar het westen, tot zij in een waas en glinstering uit het zicht verdween en naar de zee liep die honderdvijftig mijl verder lag.

Pepijn kon de gehele Pelennor voor zich uitgespreid zien liggen, in de verte bespikkeld met boerderijen en kleine muurtjes, schuren en koestallen, maar hij kon nergens een koe of ander vee zien. Vele wegen en paden doorsneden de groene velden, en er was een druk komen en gaan: wagens die in rijen naar de Grote Poort reden, en andere die eruit kwamen. Nu en dan kwam er een ruiter aanrijden, die uit het zadel sprong en zich de Stad in spoedde. Maar het meeste verkeer ging langs de voornaamste straatweg, en die boog naar het zuiden en liep daarna, een kortere bocht beschrijvend dan de Rivier, langs de heuvels en verdween weldra uit het zicht. Hij was breed en goed geplaveid en langs de oostelijke rand ervan liep een breed groen ruiterpad, en daarachter een muur. Op het ruiterpad galoppeerden ruiters af en aan, maar de hele straat scheen verstopt door grote huifkarren die naar het zuiden gingen. Maar algauw zag Pepijn dat alles feitelijk goed geordend was: de wagens bewogen zich in drie rijen; een snelle die door paarden werd getrokken; een langzamere, vol grote wagens met mooie veelkleurige huiven, die door ossen werden getrokken; en langs de westelijke rand van de weg veel kleinere wagens, die door sjokkende mannen werden voortbewogen.

‘Dat is de weg naar de dalen van Tumladen en Lossarnach, en de bergdorpen, en vandaar naar Lebennin,’ zei Beregond. ‘Daar gaan de laatste van de wagens die de ouden van dagen, kinderen en vrouwen naar een veilige schuilplaats brengen. Ze moeten allen voor de middag van de Poort weg zijn, en de weg moet over een afstand van drie mijl vrij zijn; zo luidde het bevel. Het is een droeve noodzaak.’ Hij zuchtte. ‘Van de velen die nu worden gescheiden, zullen misschien weinigen elkaar weerzien. Er zijn altijd al te weinig kinderen in deze stad geweest, maar nu zijn er helemaal geen – behalve enkele jonge knapen die niet weg willen en misschien een taak zullen krijgen: mijn eigen zoon is er een van.’

Zij zwegen een poosje. Pepijn tuurde angstig naar het oosten alsof hij ieder ogenblik duizenden orks over de velden zou zien zwermen. ‘Wat zie ik daar?’ vroeg hij, terwijl hij naar omlaag wees, naar het midden van de grote bocht van de Anduin. ‘Is dat ook een stad, of wat is het?’

‘Het was een stad,’ zei Beregond, ‘de hoofdstad van Gondor, waarvan dit slechts een fort was. Want dat is de ruïne van Osgiliath aan weerskanten van de Anduin, die onze vijanden langgeleden innamen en in brand staken. Toch hebben wij haar in de dagen van Denethors jeugd heroverd, niet om in te wonen, maar om als vooruitgeschoven post te bezetten en de brug te herbouwen voor de doorvoer van onze wapenen. Maar toen kwamen de Boze Ruiters uit Minas Morgul!’

‘De Zwarte Ruiters?’ vroeg Pepijn, terwijl hij zijn ogen opensperde, en zij waren wijd en donker met een oude angst die opnieuw was gewekt.

‘Ja, ze waren zwart,’ zei Beregond, ‘en ik zie dat je iets van hen af weet, hoewel je in geen van je verhalen over hen hebt gesproken.’

‘Ik weet van hen,’ zei Pepijn zacht, ‘maar ik wil nu niet over hen spreken, zo dichtbij, zo dichtbij.’ Hij hield op en keek naar de overkant van de Rivier, en het scheen hem toe dat het enige wat hij nu kon zien een uitgestrekte en dreigende schaduw was. Misschien waren het bergen die aan de gezichtseinder opdoemden, hun gekartelde randen verzacht door bijna zestig mijlen van nevelige lucht; misschien was het slechts een muur van wolken en daarachter weer een nog diepere duisternis. En terwijl hij keek, scheen het zijn ogen toe dat de duisternis toenam en dichter werd, heel langzaam, langzaam opstijgend om in de regionen van de zon te verstikken.

‘Zo dicht bij Mordor?’ vroeg Beregond rustig. ‘Ja, daar ligt het. Wij noemen het zelden, maar wij hebben altijd in die schaduw geleefd; soms scheen zij vager en verder weg; soms dichterbij en donkerder. Nu groeit zij en wordt donkerder; en daarom worde n ook onze angst en onrust groter. En wat de Boze Ruiters betreft, nog geen jaar geleden heroverden zij de oversteekplaatsen, en velen van onze beste mensen werden gedood. Boromir was degene die de Vijand ten slotte van deze westelijke oever verdreef, en wij hebben nog bijna de linkerhelft van Osgiliath. Nog een korte tijd. Maar wij verwachten daar nu een nieuwe aanval. Misschien de hoofdaanval in de oorlog die komen gaat.’