Выбрать главу

‘Wanneer?’ vroeg Pepijn. ‘Hebt u enig idee? Want ik heb gisteravond de bakens gezien en de boodschappers te paard; en Gandalf zei dat het een teken was dat de oorlog was begonnen. Hij scheen een wanhopige haast te hebben. Maar nu schijnt alles weer minder dringend te zijn geworden.’

‘Alleen omdat alles nu in gereedheid is,’ zei Beregond. ‘Dit is slechts een diepe ademhaling voor de sprong.’

‘Maar waarom waren de bakens gisteravond ontstoken?’

‘Het is te laat om nog hulp te laten halen wanneer je al belegerd wordt,’ antwoordde Beregond. ‘Maar ik weet niet wat de Heer en zijn aanvoerders hebben besloten. Ze hebben vele manieren om nieuws te vergaren. En Heer Denethor is niet als andere mensen: hij kan ver zien. Sommigen zeggen dat als hij ’s nachts alleen in zijn hoge kamer in de Toren zit, en zijn gedachten naar alle richtingen laat gaan, hij iets van de toekomst kan zien; en dat hij nu en dan zelfs de geest van de Vijand doorvorst en met hem strijdt. En zo komt het dat hij oud is, op vóór zijn tijd. Maar hoe dan ook, mijn heer Faramir is weg, aan de overzijde van de Rivier met een gevaarlijke opdracht, en wellicht heeft hij nieuws gezonden. En als je wilt weten waarom ik denk dat de bakens zijn ontstoken, was het ’t nieuws dat gisteravond uit Lebennin kwam. Er verzamelt zich een grote vloot bij de monding van de Anduin, bemand door de kapers van Umbar in het zuiden. Zij vrezen allang de macht van Gondor niet meer, en ze hebben zich met de Vijand verbonden en delen nu een zware slag uit voor zijn zaak. Want deze aanval zal een groot deel van de hulp afleiden, die wij van Lebennin en Belfalas verwachtten, waar de mensen gehard en talrijk zijn. Des te meer gaan onze gedachten nu naar het noorden, naar Rohan uit; en des te verheugder zijn wij met de berichten van een overwinning die jij ons brengt.

En toch’ – hij zweeg en ging staan en keek om zich heen, naar het noorden, oosten en zuiden – ‘de gebeurtenissen in Isengard behoren een waarschuwing voor ons te zijn dat wij nu in een groot net en krijgslist verstrikt zijn. Dit is niet langer een sche rmutseling bij de voorden, invallen uit Ithilien en uit Anórien, hinderlagen en plunderingen. Dit is een grote oorlog die lang is voorbereid, en wij zijn er slechts een kleine pion in, hoe trots we ons ook mogen voelen. Er zijn berichten dat er dingen in het verre Oosten voorbij de Binnenzee in beweging zijn; en in het noorden in het Demsterwold en daarachter; en in het zuiden in Harad. En nu zullen alle rijken op de proef worden gesteld, om stand te houden of te vallen – onder de Schaduw.

Maar toch, meester Peregrijn, hebben wij deze eer: altijd moeten wij de spits afbijten van de grote haat van de Zwarte Vorst, want die haat welt op uit de afgronden van de tijd en over de diepten van de zee. Hier zal de mokerslag het hardst aankomen. E n om die reden is Mithrandir met zo’n haast hierheen komen rijden. Want als wij vallen, wie zal dan standhouden? En denk je dat er enige hoop op is dat wij stand zullen houden?’

Pepijn gaf geen antwoord. Hij keek naar de grote muren en de torens en dappere banieren, en de zon aan de hoge hemel, en toen naar de dichter wordende duisternis in het oosten; en hij dacht aan de lange vingers van die Schaduw; aan de orks in de bossen en de bergen, het verraad van Isengard, de vogels met het boze oog en de Zwarte Ruiters, zelfs op de landwegen van de Gouw – en aan de gevleugelde verschrikking, de Nazgûl. Hij huiverde, en hoop scheen te verschrompelen. En op datzelfde moment weifelde de zon een ogenblik en werd verduisterd, alsof er een donkere vleugel langs was getrokken. Bijna onhoorbaar meende hij hoog, heel hoog in de hemel, een kreet te horen: zacht, maar hartverscheurend, wreed en koud. Hij verbleekte en deinsde tegen de muur.

‘Wat was dat?’ vroeg Beregond. ‘Voelde jij ook iets?’

‘Ja,’ mompelde Pepijn. ‘Het is het teken van onze val, en de schaduw van het noodlot, een Boze Ruiter in de lucht.’

‘Ja, de schaduw van het noodlot,’ zei Beregond. ‘Ik vrees dat Minas Tirith zal vallen. Het wordt nacht. De warmte schijnt uit mijn bloed te zijn weggezogen.’

Zij bleven enige tijd samen met gebogen hoofden zitten en spraken niet. Toen keek Pepijn plotseling omhoog en zag dat de zon nog scheen en dat de banieren nog steeds in de wind wapperden. Hij vermande zich. ‘Het is voorbij,’ zei hij. ‘Nee, mijn hart zal nog niet versagen. Gandalf viel, en is teruggekeerd en is bij ons. Misschien zullen wij standhouden, al is het maar op één been, of tenminste op onze knieën.’

‘Goed gesproken!’ riep Beregond, terwijl hij opstond en heen en weer liep. ‘Nee, hoewel aan alle dingen eens finaal een eind moet komen, zal Gondor nog niet ten onder gaan. Ook al worden de muren door een roekeloze vijand ingenomen die een heuvel van kadavers ervoor zal optrekken. Er zijn nog altijd andere bolwerken en geheime ontsnappingswegen in de bergen. Hoop en herinnering zullen ergens in een verborgen vallei leven waar het gras groen is.’

‘Niettemin wou ik dat het voorbij was, ten goede of ten kwade,’ zei Pepijn. ‘Ik ben helemaal geen krijger en denk met afschuw aan strijd; maar dit wachten op de rand van een oorlog waaraan ik niet kan ontkomen, is het ergst van alles. Wat een lange dag lijkt het al! Ik zou meer op mijn gemak zijn als we niet hoefden af te wachten, zonder in actie te komen, zonder ergens de eerste stoot te geven. Als Gandalf er niet was geweest, zou er ook geen slag in Rohan geleverd zijn, denk ik.’

‘Ha, daar leg je je vinger op de wonde plek die velen voelen!’ zei Beregond. ‘Maar misschien verandert de toestand wanneer Faramir terugkomt. Hij is stoutmoedig, stoutmoediger dan velen denken; want in deze tijd dringt het besef slechts langzaam tot de mensen door dat een aanvoerder wijs en geleerd in de geschriften van kennis en liederen kan zijn als hij, en tegelijkertijd een geharde man op het slagveld, die snel beslissingen kan nemen. Maar zo is Faramir. Minder roekeloos en enthousiast dan Boromir, maar niet minder vastberaden. Maar wat kan hij uitrichten? Wij kunnen de bergen van – van het rijk daarginds niet aanvallen. Ons bereik is korter geworden, en wij kunnen niet toeslaan voordat sommige vijanden het binnendringen. Dan moet onze hand zwaar neerkomen!’ Hij sloeg op het gevest van zijn zwaard.

Pepijn keek hem aan: groot, trots en nobel, zoals alle mannen die hij tot dusver in dat land had gezien; en met een schittering in zijn oog als hij aan de strijd dacht. Helaas! Mijn eigen hand voelt licht aan als een veer, dacht hij, maar hij zei niets. Een pion, heeft Gandalf gezegd? Misschien, maar op het verkeerde schaakbord...

Zo spraken zij tot de zon haar hoogste stand bereikte, en plotseling werden de middagklokken geluid, en was er beroering in de Citadel, want allen, behalve de wachters, gingen eten.

‘Heb je zin om met mij mee te gaan?’ vroeg Beregond. ‘Vandaag mag je in mijn kantine mee-eten. Ik weet niet bij welke compagnie je zult worden ingedeeld; of misschien houdt de Heer je tot zijn eigen beschikking. Maar je zult welkom zijn. En het zal goed zijn om zoveel mogelijk mensen te ontmoeten als je kunt, zolang er nog tijd is.’

‘Ik ga graag mee,’ zei Pepijn. ‘Ik voel me eenzaam, om u de waarheid te zeggen. Ik heb mijn beste vriend in Rohan achtergelaten, en ik heb niemand gehad om mee te praten of te gekscheren. Misschien zou ik bij uw compagnie kunnen komen? Bent u de aanvoerder? Zo ja, dan zou u mij in dienst kunnen nemen of een goed woordje voor me kunnen doen.’

‘Nee, nee,’ zei Beregond lachend. ‘Ik ben geen aanvoerder. Ik heb geen enkele functie, rang of waardigheid; ik ben slechts een gewone wapendrager van de Derde Compagnie van de Citadel. Maar toch, meester Peregrijn, het wordt als eervol beschouwd in de Stad om alleen maar een wapendrager van de Garde van de Toren van Gondor te zijn, en dergelijke lieden worden in het land in ere gehouden.’