‘Dan is dat voor mij onbereikbaar,’ zei Pepijn. ‘Breng me terug naar onze kamer, en als Gandalf daar niet is, zal ik gaan waar u wilt – als uw gast.’
Gandalf was niet in de kamer en had geen boodschap gestuurd; dus ging Pepijn met Beregond mee en werd aan de manschappen van de Derde Compagnie voorgesteld. En het scheen dat Beregond er evenveel eer mee inlegde als zijn gast, want Pepijn was bijzonder welkom. Er was al veel gesproken in de Citadel over Mithrandirs metgezel en zijn lange onderhoud met de Heer, en het gerucht wilde dat een Prins van de halflingen uit het Noorden was gekomen om Gondor een bondgenootschap en vijfduizend zwaarden aan te bieden. En sommigen zeiden dat als de Ruiters uit Rohan kwamen, ze ieder een halflingkrijger zouden meebrengen, klein misschien, maar dapper.
Hoewel Pepijn dit hoopvolle verhaal tot zijn spijt moest ontkennen, kon hij zijn nieuwe rang niet kwijtraken die, naar de mannen vonden, alleen maar paste bij iemand die een vriend van Boromir was geweest en eer werd bewezen door Heer Denethor; en zij bedankten hem dat hij bij hen was gekomen en hingen aan zijn lippen en luisterden met overgave naar verhalen over de buitengewesten, en gaven hem zoveel te eten en te drinken als hij maar wilde. Zijn enige zorg was eigenlijk dat hij ‘voorzichtig’ moest zijn, zoals Gandalf hem had aangeraden, en zijn tong niet al te vrij te roeren zoals een hobbit gewoon was onder vrienden te doen.
Ten slotte stond Beregond op. ‘Vaarwel voor deze keer!’ zei hij. ‘Ik heb nu tot zonsondergang dienst, zoals alle anderen hier, denk ik. Maar als je je eenzaam voelt, zoals je zegt, vind je het misschien wel plezierig als een vrolijke gids je de stad laat zien. Mijn zoon zal graag met je meegaan. Een goeie jongen, al zeg ik het zelf. Als je er zin in hebt, ga dan naar de onderste kring en vraag naar het Oude Gasthuis in de Rath Celerdain, de Lampenmakersstraat. Daar zul je hem en de andere knapen vinden die in de Stad blijven. Misschien zijn er dingen bij de Grote Poort die de moeite waard zijn om te zien voordat deze gesloten wordt.’
Hij ging naar buiten en weldra volgden alle anderen. Het was nog steeds een mooie dag, hoewel het mistig begon te worden, en het was warm voor maart, ook zo ver in het zuiden. Pepijn voelde zich slaperig, maar de barak leek opeens nogal naargeestig, en hij besloot naar beneden te gaan en de Stad te verkennen. Hij bracht een paar hapjes die hij had bewaard naar Schaduwvacht en die werden dankbaar aanvaard, hoewel het paard niets tekort scheen te komen. Toen liep hij langs vele bochtige wegen verder naar beneden.
Mensen staarden hem herhaaldelijk in het voorbijgaan aan. In zijn gezicht waren mensen uiterst beleefd en groetten hem, volgens het gebruik van Gondor, met gebogen hoofden en handen op de borst; maar achter zich hoorde hij veel geroep toen zij tegen anderen binnen schreeuwden om naar de Prins van de halflingen, de metgezel van Mithrandir, te komen kijken. Velen gebruikten een andere taal dan de Gemeenschappelijke Spreektaal, maar het duurde niet lang voor hij in elk geval ontdekte wat er bedoeld werd met Ernil i Pheriannath, en wist dat zijn titel hem in de stad vooruit was gegaan.
Ten slotte kwam hij bij straten met bogen en vele mooie paden en trottoirs in de onderste en breedste kring, en daar wees men hem de weg naar de Lampenmakersstraat, een brede weg die naar de Grote Poort liep. Daarin vond hij het Oude Gasthuis, een groot gebouw van grijze verweerde steen, met twee vleugels die van de straatzijde naar achteren liepen, en daartussenin een smal grasveld, waarachter het huis met vele ramen lag, met over de gehele lengte aan de voorkant een zuilengalerij en enkele treden omlaag naar het gras. Jongens speelden tussen de zuilen: de enige kinderen die Pepijn in Minas Tirith had gezien, en hij bleef staan om naar ze te kijken. Weldra merkte een van hen hem op, en met een schreeuw sprong hij over het gras en rende de straat op, door verscheidene anderen gevolgd. Daar bleef hij vlak voor Pepijn staan en bekeek hem van top tot teen.
‘Gegroet!’ zei de knaap. ‘Waar kom je vandaan? Je bent een vreemdeling in de Stad.’
‘Dat was ik,’ zei Pepijn, ‘maar men zegt dat ik nu een man van Gondor ben geworden.’
‘Ach, kom,’ zei de jongen. ‘Dan zijn we hier allemaal mannen. Maar hoe oud ben je en hoe heet je? Ik ben al tien, en zal weldra vijf voet lang zijn. Ik ben groter dan jij. Maar mijn vader is een Gardesoldaat, een van de langsten. Wat is jouw vader?’
‘Welke vraag moet ik het eerst beantwoorden?’ vroeg Pepijn. ‘Mijn vader bebouwt de landerijen rond Witbron bij Toekburg in de Gouw. Ik ben bijna negenentwintig, dus daarin ben ik je de baas, hoewel ik maar vier voet ben en het onwaarschijnlijk is dat ik nog verder zal groeien, behalve in de breedte.’
‘Negenentwintig!’ riep de jongen uit en hij floot. ‘Hemeltje, je bent behoorlijk oud! Net zo oud als mijn oom Iorlas. Maar toch,’ zo voegde hij er hoopvol aan toe, ‘wed ik dat ik je op je hoofd kan zetten of op je rug kan leggen.’
‘Misschien wel, als ik je je gang liet gaan,’ zei Pepijn lachend. ‘En misschien zou ik hetzelfde met jou kunnen doen: we kennen een paar aardige worstelkunstjes in mijn kleine land. Waar ik, dat kan ik je wel vertellen, als ongewoon groot en sterk wordt beschouwd; en ik heb me nog nooit door iemand op mijn hoofd laten zetten. Dus als het tot een krachtmeting zou komen en niets anders zou baten, zou ik je misschien moeten doden. Want wanneer je ouder bent, zul je leren dat mensen niet altijd zijn wat ze schijnen; en hoewel je mij misschien voor een slap vreemd jongetje en een gemakkelijke prooi hebt gehouden, moet ik je waarschuwen: dat ben ik niet; ik ben een halfling, hard, stoutmoedig en boosaardig!’ Pepijn trok zo’n gemeen gezicht, dat de jongen een stap achteruit deed, maar hij kwam meteen met gebalde vuisten en een vechtlustig licht in de ogen terug.
‘Nee,’ zei Pepijn lachend. ‘Geloof ook maar niet wat vreemdelingen van zichzelf zeggen! Ik ben geen vechtersbaas. Maar het zou in ieder geval beleefder van een uitdager zijn om te zeggen wie hij is.’
De jongen ging trots rechtop staan. ‘Ik ben Bergil, zoon van Beregond van de Garde,’ zei hij.
‘Dat dacht ik al,’ zei Pepijn, ‘want je lijkt op je vader. Ik ken hem en hij heeft me gestuurd om je te zoeken.’
‘Waarom heb je dat dan niet meteen gezegd?’ zei Bergil en plotseling verscheen er een verslagen uitdrukking op zijn gezicht. ‘Zeg me niet dat hij van gedachten is veranderd en me met de meisjes wil wegsturen! Ach nee, de laatste wagens zijn vertrokken.’
‘Zijn boodschap is minder slecht dan dat, zo niet goed,’ zei Pepijn. ‘Hij laat je weten dat je me, als je dat liever doet dan me op mijn hoofd zetten, een tijdje door de Stad rond zou kunnen leiden en mijn eenzaamheid verlichten. Ik kan je op mijn beurt wat verhalen over verre landen vertellen.’
Bergil klapte in zijn handen en lachte opgelucht. ‘Alles is goed,’ riep hij uit. ‘Kom op dan! We waren van plan een kijkje bij de Poort te gaan nemen. We gaan meteen.’
‘Wat is daar dan te zien?’
‘De Kapiteins van de Buitenlanden worden voor het vallen van de avond op de Zuiderweg verwacht. Kom met ons mee, dan zul je het zien.’
Bergil bleek een goede kameraad te zijn, het beste gezelschap dat Pepijn had gehad sinds hij van Merijn was gescheiden, en weldra waren zij vrolijk aan het lachen en praten terwijl ze door de straten liepen, zich niet bewust van de vele blikken die men op hen wierp. Het duurde niet lang of zij bevonden zich te midden van een menigte die naar de Grote Poort ging. Daar steeg Pepijn een heel eind in de achting van Bergil, want toen hij zijn naam noemde en het wachtwoord gaf, salueerde de wacht voor hem en liet hem door; en bovendien stond hij hem toe zijn metgezel mee te nemen.