‘Dat is fijn,’ zei Bergil. ‘Wij, jongens, mogen de Poort niet langer door zonder een volwassene.
Nu zullen we alles beter zien.’ Aan de andere kant van de poort stond een menigte langs de kant van de weg en van de grote gebaande vlakte waar alle wegen naar Minas Tirith samenkwamen. Aller ogen waren op het zuiden gericht, en weldra steeg er een gemompel op: ‘Daarginds is een stofwolk. Ze komen eraan!’
Pepijn en Bergil drongen zich door de menigte naar voren en wachtten. In de verte klonk hoorngeschal en het gejuich golfde als een opstekende wind naar hen toe. Toen klonk er een luide trompetstoot, en overal om hen heen begon men te schreeuwen.
‘Forlong! Forlong!’ hoorde Pepijn mensen roepen. ‘Wat zeggen ze?’ vroeg hij.
‘Forlong is gekomen,’ antwoordde Bergil, ‘de oude Forlong de Dikke, de Heer van Lossarnach. Daar woont mijn grootvader. Hoera! Daar is-ie. Die goeie ouwe Forlong!’
Voorop in de rij stapte een groot, zwaar paard, en daarop zat een breedgeschouderde, omvangrijke man; hij was oud en had een grijze baard, maar hij droeg een maliënkolder, en een zwarte helm en hield een lange zware speer in de hand. Achter hem liep trots een rij stoffige mannen, goed bewapend en met grote strijdbijlen in de hand. Hun gezichten stonden grimmig en ze waren iets kleiner en donkerder dan alle andere mannen die Pepijn tot nu toe in Gondor had gezien.
‘Forlong!’ schreeuwde men. ‘Trouwhartige ware vriend! Forlong!’ Maar toen de mannen van Lossarnach voorbij waren, mompelden zij: ‘Wat weinig! Tweehonderd, wat kunnen die uitrichten? Wij hoopten op tien keer dit aantal. Dat zal het laatste nieuws van de zwarte vloot zijn. Ze staan ons slechts een tiende van hun sterkte af. Maar goed, alle beetjes helpen.’
En zo kwamen de compagnieën en werden ingehaald en toegejuicht en trokken de Poort door; mannen uit de Buitenlanden die kwamen om de Stad van Gondor in een donker uur te verdedigen: maar altijd te weinig; altijd minder dan de hoop verwachtte of de noodzaak vereiste. De mensen van Ringelo-dal achter de zoon van hun heer, Dervorin, die te voet gingen: driehonderd. Uit de hooglanden van Morthond, het grote Zwartworteldal, de rijzige Duinhir met zijn zonen, Duilin en Derufin, en vijfhonderd boogschutters. Uit de Anfalas, het verre Langestrand, een lange bonte rij, jagers en herders en mannen uit kleine dorpen, spaarzaam uitgerust, met uitzondering van de lijfwachten van Golasgil, hun vorst. Uit Lamedon een paar sombere heuvelbewoners zonder aanvoerder. Vissersvolk uit de Ethir, ongeveer honderd die op de schepen konden worden gemist. Hirluin de Schone uit de Groene Heuvels van Pinnath Gelin met driehonderd dappere, in het groen gestoken mannen. En als laatste en fierste, Imrahil, de Prins van Dol Amroth, bloedverwant van de Heer, met vergulde banieren waarop zijn wapen met het Schip en de Zilveren Zwaan, en een compagnie ridders in volle wapenrusting, op grijze paarden; en daarachter zevenhonderd soldaten, groot als vorsten, met grijze ogen, donker haar, die zongen terwijl zij kwamen aanrijden.
En dat was alles, bij elkaar nog geen drieduizend. Meer zouden er niet komen. Hun kreten en het gedreun van hun voeten verstierven toen zij de Stad binnentrokken. De toeschouwers bleven een tijdje zwijgend staan. Stof hing in de lucht, want de wind was gaan liggen en de avond was drukkend. Het sluitingsuur van de Poort naderde al en de rode zon was achter de Mindolluin ondergegaan. Schaduw viel op de Stad.
Pepijn keek op, en het scheen hem toe dat de hemel asgrauw was geworden, alsof er een grote rookmassa boven hen zweefde, waar het licht dof doorheen drong. Maar in het westen had de stervende zon alle damp in vlam gezet en nu stond de Mindolluin zwart tegen een brandende gloed gevlekt met vonken. ‘Zo eindigt een mooie dag in toorn!’ zei hij, de knaap aan zijn zijde vergetend.
‘Dat zal hij zeker als ik niet voor de avondklok binnen ben,’ zei Bergil. ‘Kom! Daar klinkt de trompet voor het sluiten van de Poort.’
Hand in hand gingen zij naar de stad terug, de laatsten die de Poort doorgingen voordat deze werd gesloten; en toen zij de Lampenmakersstraat bereikten, luidden alle klokken in de torens plechtig. Achter vele ramen werden lichten ontstoken, en uit de huizen en barakken van de wapendragers langs de muren klonk gezang.
‘Vaarwel voor vandaag,’ zei Bergil. ‘Doe mijn vader de groeten, en bedank hem voor het gezelschap dat hij heeft gestuurd. Kom alsjeblieft gauw terug. Ik zou nu bijna wensen dat er geen oorlog was, want we hadden samen veel plezier kunnen hebben. We had den naar Lossarnach kunnen gaan, naar het huis van mijn grootvader; het is fijn om daar in het voorjaar te zijn, de bossen en velden zijn vol bloemen. Maar misschien gaan we daar nog weleens samen naartoe. Ze zullen onze Heer nooit overwinnen, want mijn vader is heel dapper. Vaarwel, en kom terug!’
Zo scheidden zich hun wegen en Pepijn spoedde zich naar de Citadel terug. Het leek nog een heel eind, en hij had het warm en kreeg erge honger; en de nacht viel snel. Geen ster schitterde aan de hemel. Hij was laat voor het avondmaal in de kantine en Beregond begroette hem blij, en liet hem naast zich zitten om het nieuws over zijn zoon te horen. Na de maaltijd bleef Pepijn nog een poosje en nam toen afscheid, want er was een vreemde neerslachtigheid over hem gekomen, en hij verlangde er nu heel erg naar Gandalf weer te zien.
‘Kun je de weg vinden?’ vroeg Beregond bij de deur van de kleine zaal aan de noordzijde van de Citadel waar zij hadden gezeten. ‘Het is een zwarte nacht en des te zwarter nu het bevel is gekomen dat de lichten in de Stad moeten worden gedoofd, en dat e r geen licht uit de muren mag stralen. En ik kan je nog een bevel melden: je zult morgenvroeg bij Heer Denethor worden ontboden. Ik vrees dat je niet bij de Derde Compagnie zult komen. Maar toch mogen wij hopen elkaar weer te zien. Vaarwel, en slaap in vrede.’
De kamer was donker, op een kleine lantaarn op tafel na. Gandalf was er niet. Pepijn voelde zijn neerslachtigheid nog zwaarder drukken. Hij klom op de bank en probeerde uit een raam te kijken, maar het was alsof hij in een inktplas keek. Hij liet zich zakken, deed het luik dicht en ging naar bed. Een tijdje bleef hij liggen luisteren of hij Gandalf terug hoorde komen, en viel toen in een onrustige slaap.
In de nacht werd hij wakker van een licht, en hij zag dat Gandalf was teruggekeerd en door de kamer heen en weer liep achter het gordijn van de alkoof. Er stonden kaarsen op de tafel en er lagen perkamentrollen. Hij hoorde de tovenaar zuchten en mompelen: ‘Wanneer zal Faramir terugkomen?’
‘Hallo,’ zei Pepijn terwijl hij zijn hoofd om het gordijn stak. ‘Ik dacht dat je me helemaal vergeten was. Ik ben blij je terug te zien. Het is een lange dag geweest.’
‘Maar de nacht zal te kort zijn,’ zei Gandalf. ‘Ik ben hier teruggekomen, want ik moest wat rust hebben, alleen. Jij behoort te slapen, in een bed, zolang je dat nog kunt doen. Bij zonsopgang zal ik je weer bij Heer Denethor brengen. Nee, wanneer het bevel komt, niet bij zonsopgang. De Duisternis is begonnen. Er zal geen dageraad zijn.’
II. Het Grijze Gezelschap trekt voorbij
Gandalf was weg en de stampende hoeven van Schaduwvacht waren in de nacht verloren gegaan toen Merijn bij Aragorn terugkwam. Hij had slechts een licht pak bij zich, want hij was zijn ransel bij Parth Galen verloren, en het enige dat hij bezat waren wat nuttige voorwerpen, die hij te midden van de verwoesting van Isengard had opgeraapt. Hasufel stond al gezadeld. Legolas en Gimli stonden vlakbij met hun paard.
‘Dus er zijn nog vier leden van het Genootschap over,’ zei Aragorn. ‘We zullen samen verder rijden. Maar we zullen niet alleen gaan, zoals ik had gedacht. De koning is nu vastbesloten om meteen op weg te gaan. Sinds de komst van de gevleugelde Schaduw wil hij onder dekking van de nacht naar de heuvels terugkeren.’
‘En waarheen dan?’ vroeg Legolas.
‘Dat kan ik nog niet zeggen,’ antwoordde Aragorn. ‘Wat de koning betreft, hij gaat naar de wapenschouw die hij in Edoras heeft bevolen, over vier nachten. En daar, denk ik, zal hij nieuws over de oorlog horen, en de Ruiters van Rohan zullen naar Minas Tirith gaan. Behalve ikzelf en wie er met mij mee wil gaan.’