Выбрать главу

‘Ik in ieder geval!’ riep Legolas uit.

‘En Gimli gaat met hem mee!’ zei de dwerg.

‘Wat mijzelf betreft,’ zei Aragorn, ‘tast ik nog in het duister. Ik moet ook naar Minas Tirith gaan, maar ik zie de weg nog niet voor mij. Een lang voorbereid uur komt nader.’

‘Laat mij niet achter!’ zei Merijn. ‘Ik ben nog niet van veel nut geweest, maar ik wil niet opzij worden geschoven als bagage waar om gevraagd wordt wanneer alles voorbij is. Ik denk niet dat de Ruiters zich nu met mij bezig willen houden. Hoewel de koning natuurlijk heeft gezegd dat ik naast hem moest komen zitten als hij thuiskwam en hem alles over de Gouw vertellen.’

‘Ja,’ zei Aragorn, ‘en jouw weg is de zijne, denk ik, Merijn. Maar verwacht geen vrolijkheid aan het einde ervan. Het zal nog lang duren, vrees ik, voor Théoden weer rustig in Meduseld troont. Veler hoop zal in deze bittere lente verdorren.’

Weldra waren allen klaar om te vertrekken: vierentwintig paarden, met Gimli achter Legolas, en Merijn voorop bij Aragorn. Weldra reden zij snel door de nacht. Ze waren de heuvels bij de Voorden van de Isen nog niet lang gepasseerd, toen een Ruiter achter uit de rij naar voren kwam galopperen.

‘Mijn heer,’ zei hij tegen de koning, ‘er zijn ruiters achter ons. Toen wij de voorden overstaken meende ik hen te horen. Maar nu zijn we er zeker van. Zij halen ons in, want zij rijden snel.’

Théoden liet onmiddellijk halt houden. De Ruiters wendden hun paarden en namen hun speren ter hand. Aragorn steeg af en zette Merijn op de grond, en met getrokken zwaard ging hij naast de stijgbeugel van de koning staan. Éomer en zijn schildknaap reden naar de achterhoede. Merijn voelde zich meer dan ooit als onnodige bagage, en hij vroeg zich af wat hij moest doen als het op een gevecht zou uitdraaien. Veronderstel dat het kleine escorte van de Koning in de val zat en werd overrompeld, maar dat hij in de duisternis ontkwam – alleen in de woeste velden van Rohan zonder ook maar een flauw idee te hebben waar hij was in al deze eindeloze mijlen. Nutteloos, dacht hij. Hij trok zijn zwaard en haalde zijn riem aan.

De dalende maan werd door een grote drijvende wolk verduisterd, maar plotseling kwam zij weer helder tevoorschijn. Toen hoorden zij allen het geluid van hoeven, en op hetzelfde ogenblik zagen zij donkere gedaanten snel op het pad van de voorden op zich afkomen. Het maanlicht glinsterde hier en daar op speerpunten. Hoeveel achtervolgers er waren viel niet te zeggen, maar het schenen er zeker niet minder dan het escorte van de koning.

Toen ze op ongeveer vijftig passen afstand waren, riep Éomer op luide toon: ‘Halt, halt, wie rijdt er in Rohan?’

De achtervolgers brachten hun paarden plotseling tot stilstand. Er viel een stilte en toen kon men in het maanlicht een ruiter zien afstijgen en langzaam naar voren zien lopen. Zijn hand was wit toen hij die omhooghield, de palm buitenwaarts gekeerd als teken van vrede; maar de manschappen van de koning grepen hun wapens. Op tien passen afstand bleef de man staan. Hij was groot, een donkere rechtopstaande schaduw. Toen schalde zijn heldere stem.

‘Rohan? Zei u Rohan? Dat is goed nieuws. Wij zoeken dat land met spoed van heel ver.’

‘U hebt het gevonden,’ zei Éomer. ‘Toen u de Voorden ginder overstak, trok u het binnen. Maar het is het rijk van Koning Théoden. Niemand mag hier zonder zijn toestemming rijden. Wie bent u? En waarom die haast?’

‘Ik ben Halbarad Dúnadan, Doler uit het Noorden,’ riep de man uit. ‘Wij zoeken ene Aragorn, zoon van Arathorn, en wij hoorden dat hij in Rohan was.’

‘En u hebt hem gevonden ook!’ riep Aragorn. Na zijn teugels aan Merijn te hebben gegeven, rende hij naar voren en omhelsde de pas aangekomene. ‘Halbarad!’ zei hij. ‘Van alle vreugden is dit de minst verwachte.’

Merijn slaakte een zucht van verlichting. Hij had gedacht dat dit een laatste list van Saruman was om de koning uit een hinderlaag aan te vallen, terwijl hij slechts enkele manschappen bij zich had; maar het scheen dat het niet nodig zou zijn om bij de verdediging van Théoden te sneuvelen, nóg niet in elk geval. Hij stak zijn zwaard weer in de schede.

‘Alles is in orde,’ zei Aragorn, terwijl hij zich omkeerde. ‘Dit zijn enkelen van mijn eigen verwanten uit het verre land waar ik woonde. Maar waarom zij komen en met hoevelen zij zijn, zal Halbarad ons vertellen.’

‘Ik heb dertig man bij me,’ zei Halbarad. ‘Dat zijn de enigen van onze verwanten die ik inderhaast kon verzamelen; maar de broeders Elladan en Elrohir zijn met ons meegereden, omdat zij aan de oorlog deel wilden nemen. Wij reden zo snel als wij konden toen jouw oproep kwam.’

‘Maar ik heb je niet opgeroepen,’ zei Aragorn, ‘ik heb het alleen gewenst. Mijn gedachten zijn vaak naar je uitgegaan en zelden meer dan vanavond; toch heb ik geen boodschap gezonden. Maar kom! Al die dingen moeten wachten. Je treft ons aan terwijl wij in haast en gevaar rijden. Rijd met ons mee nu, als de koning zijn toestemming wil geven.’

Théoden was echt verheugd over het nieuws. ‘Het is goed,’ zei hij. ‘Als deze verwanten ook maar enigszins op u lijken, Heer Aragorn, zullen dertig van deze ridders een kracht vormen die niet in hoofden kan worden geteld.’

Toen gingen de Ruiters weer op weg, en Aragorn reed enige tijd met de Dúnedain; en toen zij over het nieuws in het noorden en zuiden hadden gesproken, zei Elrohir tegen hem:

‘Ik breng u een boodschap van mijn vader: De dagen zijn kort. Als u haast hebt, herinner u de Paden der Doden.’

‘Altijd hebben mijn dagen te kort geschenen om mijn verlangen vervuld te zien,’ antwoordde Aragorn. ‘Maar mijn haast moet werkelijk heel groot zijn voor ik die weg zal gaan.’

‘Dat zullen we gauw genoeg zien,’ zei Elrohir, ‘maar laat ons niet verder op open terrein over deze dingen spreken.’

En Aragorn vroeg aan Halbarad: ‘Wat draagt u daar, bloedverwant?’ Want hij zag dat hij in plaats van een speer een lange staf droeg, alsof het een standaard was, maar deze was stevig omwikkeld met een zwarte stof die er met vele riemen omheen was gebonden.

‘Het is een geschenk dat ik u van de Vrouwe van Rivendel breng,’ antwoordde Halbarad. ‘Zij heeft het in het geheim gemaakt, en heeft er lang over gedaan. Maar zij stuurt u ook een boodschap: De dagen zijn nu kort. Of onze hoop daagt, of het is het einde van alle hoop. Daarom stuur ik u wat ik voor u heb gemaakt. Vaarwel, Elfensteen!’

En Aragorn zei: ‘Nu weet ik wat je daar draagt. Draag het nog enige tijd langer voor me!’ En hij draaide zich om en keek naar het noorden onder de grote sterren, en zweeg toen en sprak niet meer zolang de nachtelijke reis duurde.

De nacht was oud en het oosten grijs toen zij eindelijk uit de Dieptekom omhoogreden en bij de Hoornburg terugkwamen. Daar zouden zij korte tijd blijven om uit te rusten en zich te beraden.

Merijn sliep tot hij door Legolas en Gimli werd gewekt. ‘De zon staat hoog aan de hemel,’ zei Legolas. ‘Alle anderen zijn al op en druk in de weer. Kom, meester Luilak, en bekijk deze plek zolang dat nog kan.’

‘Er is hier drie nachten geleden slag geleverd,’ zei Gimli, ‘en hier hebben Legolas en ik een spel gespeeld dat ik met één enkele ork verschil heb gewonnen. Kom eens kijken hoe het was! En er zijn grotten, Merijn, wonderbaarlijke grotten! Zullen we ze bezoeken, Legolas, wat vind je?’

‘Nee! Daar is geen tijd voor,’ zei de elf. ‘Bederf het wonder niet met haast! Ik heb je mijn woord gegeven om hier met je terug te keren als er weer tijd van vrede en vrijheid komt. Maar het is nu bijna middag, en op dat uur eten wij en gaan dan weer op weg, naar ik hoor.’

Merijn stond op en geeuwde. De paar uren slaap die hij had gehad waren niet half genoeg geweest; hij was moe en nogal neerslachtig. Hij miste Pepijn en voelde dat hij alleen maar tot last was, terwijl iedereen plannen maakte voor spoed in een zaak die hij niet volledig begreep. ‘Waar is Aragorn?’ vroeg hij.