Выбрать главу

‘In een hoog vertrek in de Burg,’ zei Legolas. ‘Hij heeft geslapen noch gerust, denk ik. Hij is daar een paar uur geleden naartoe gegaan en zei dat hij moest nadenken, en alleen zijn bloedverwant Halbarad is met hem meegegaan; maar een of andere duistere twijfel of zorg bedrukt hem.’

‘Deze nieuwelingen zijn een vreemd gezelschap,’ zei Gimli.

‘Stoere, vorstelijke mannen zijn het, en de Ruiters van Rohan lijken er wel kleine jongens bij; want het zijn mannen met barse gezichten, de meesten van hen, verweerd als rotsen, precies zoals Aragorn zelf; en zij zijn zwijgzaam.’

‘Maar evenals Aragorn zijn zij hoffelijk, als zij hun stilzwijgen verbreken,’ zei Legolas. ‘En heb je de broers Elladan en Elrohir gezien? Hun uitrusting is minder somber dan die van de anderen, en zij zijn mooi en statig als elfenvorsten, en dat is ook niet verwonderlijk voor de zonen van Elrond van Rivendel.’

‘Waarom zijn zij gekomen? Heb je dat gehoord?’ vroeg Merijn. Hij had zich nu aangekleed, en hij gooide zijn grijze mantel om zijn schouders; en het drietal ging samen naar buiten naar de verwoeste poort van de Burg.

‘Zij beantwoordden een oproep, zoals je hebt gehoord,’ zei Gimli. ‘Er is een boodschap naar Rivendel gekomen, zeggen zij: Aragorn heeft zijn verwanten nodig. Laat de Dúnedain naar hem toe rijden in Rohan! Maar zij weten nu niet zeker waar die boodschap vandaan kwam. Ik vermoed dat Gandalf hem gestuurd heeft.’

‘Nee – Galadriel,’ zei Legolas. ‘Heeft zij niet door middel van Gandalf gesproken over de rit van het Grijze Gezelschap uit het Noorden?’

‘Ja, dat is zo,’ zei Gimli. ‘De Vrouwe van het Bos! Zij doorschouwde vele harten en verlangens. Waarom hebben wij niet een paar van onze verwanten gewenst, Legolas?’

Legolas stond voor de poort en wendde zijn heldere ogen van het noorden en oosten af, en zijn knappe gezicht stond bezorgd. ‘Ik denk niet dat iemand zou komen,’ antwoordde hij. ‘Zij hoeven niet ten strijde te trekken; de oorlog trekt al over hun eigen landen.’

Een tijdlang liepen de drie metgezellen samen en spraken over de wisselvalligheden van de slag, en ze verlieten de ingestorte poort en kwamen langs de grafheuvels van de gesneuvelden op het grasveld naast de weg, tot zij op de Helmsdijk stonden en in de Kom neerkeken. De Dodenheuvel stond daar al, zwart, hoog en rotsachtig, en men kon duidelijk zien waar het gras door de Huorns was vertrapt en omgeploegd. De Donkerlanders en vele manschappen van het garnizoen van de Burg waren aan het werk aan de Dijk of in de velden en rondom de gehavende muren daarachter, maar alles scheen opmerkelijk rustig: een moede vallei die uitrustte na een zware storm. Weldra keerden zij terug om het middagmaal in de zaal van de Burg te gebruiken.

De Koning was daar al, en zodra zij binnenkwamen vroeg hij naar Merijn en liet een stoel voor hem naast zich neerzetten. ‘Het is niet zoals ik het graag zou willen,’ zei Théoden, ‘want dit lijkt niet erg op mijn mooie huis in Edoras. En uw vriend, die ook hier had moeten zijn, is weg. Maar het zou weleens lang kunnen duren voor wij, jij en ik, aan de hoofdtafel in Meduseld zitten; er zal geen tijd voor feestvieren zijn wanneer ik daar terugkeer. Maar kom nu! Eet en drink, en laat ons met elkaar praten zolang dat kan. En daarna zul je met mij meerijden.’

‘Mag dat?’ vroeg Merijn, verrast en opgetogen. ‘Dat zou geweldig zijn!’ Hij had zich nooit dankbaarder gevoeld voor vriendelijke woorden. ‘Ik ben bang dat ik iedereen alleen maar voor de voeten loop,’ stotterde hij, ‘maar ik zou graag alles willen doen wat in mijn vermogen ligt.’

‘Daar twijfel ik niet aan,’ zei de koning. ‘Ik heb een goede heuvelpony voor je in gereedheid laten brengen. Hij zal je even vlug dragen over de wegen die we zullen nemen als ieder ander paard. Want ik zal van de Burg langs bergpaden rijden, niet over de vlakte, en zo via Dunharg Edoras bereiken, waar Vrouwe Éowyn op mij wacht. Jij zult mijn schildknaap zijn, als je wilt. Is er hier een wapenrusting, Éomer, die mijn zwaarddrager zou kunnen gebruiken?’

‘Er zijn hier geen grote wapenvoorraden,’ antwoordde Éomer. ‘Misschien is er een lichte helm te vinden die hem past, maar wij hebben geen maliënkolder of zwaard voor iemand van zijn postuur.’

‘Ik heb een zwaard,’ zei Merijn, terwijl hij van zijn zetel opstond en zijn kleine fonkelende zwaard uit de zwarte schede trok. Plotseling vervuld van liefde voor deze oude man, knielde hij op één knie neer, pakte zijn hand en kuste die. ‘Sta mij toe het zwaard van Meriadoc van de Gouw op uw schoot te leggen, Koning Théoden!’ riep hij uit. ‘Aanvaard mijn diensten, zo u wilt.’

‘Gaarne aanvaard ik die,’ zei de koning; en terwijl hij zijn lange oude handen op het bruine haar van de hobbit legde, zegende hij hem. ‘Sta op nu, Meriadoc, schildknaap van Rohan van het huis van Meduseld!’ zei hij. ‘Neem je zwaard en draag het in voorspoed en geluk!’

‘Als een vader zult u voor mij zijn,’ zei Merijn.

‘Voor korte tijd slechts,’ zei Théoden.

Zij praatten toen met elkaar terwijl zij aten, totdat Éomer het woord nam. ‘Het tijdstip dat wij voor ons vertrek hadden bepaald, nadert, heer,’ zei hij. ‘Zal ik de mannen vragen de hoorns te steken?

Maar waar is Aragorn? Zijn plaats is leeg en hij heeft niet gegeten.’

‘We zullen ons gereedmaken om te vertrekken,’ zei Théoden. ‘Laat iemand heer Aragorn melden dat het uur nabij is.’

De koning en zijn lijfwacht, met Merijn aan zijn zijde, gingen van de poort van de Burg naar de plaats waar de Ruiters zich op het grasveld verzamelden. Velen waren al opgestegen. Het zou een groot gezelschap worden, want de koning liet slechts een kle in garnizoen op de Burg achter, en allen die konden worden gemist, reden naar de wapenschouw in Edoras. Duizend lansknechten waren ’s nachts al weggereden, maar nog vijfhonderd anderen zouden met de koning meegaan, voornamelijk mannen uit de velden en dalen van de Westfold.

De Dolers hielden zich een beetje terzijde, zwijgend, in een ordelijke compagnie, gewapend met speer, boog en zwaard. Zij waren gekleed in donkergrijze mantels en hun kappen waren nu over hun helmen en hoofden getrokken. Hun paarden waren sterk en trots van houding, maar ruwharig; en een stond daar zonder ruiter: Aragorns eigen paard dat zij uit het noorden hadden meegebracht. Roheryn luidde zijn naam. Er was geen glinstering van juwelen of goud op hun tuigage; ook droegen hun berijders geen insigne of teken, behalve dat op de linkerschouder van elke mantel een broche van zilver in de vorm van een stralende ster was gespeld.

De koning besteeg zijn paard, Sneeuwmaan, en Merijn ging naast hem zitten op zijn pony, Stybba genaamd. Weldra kwam Éomer de poort uit met Aragorn naast zich, en Halbarad, die de grote met zwart omwikkelde standaard droeg, en twee forse mannen die er jong noch oud uitzagen. Ze leken zoveel op elkaar, deze zonen van Elrond, dat weinigen hen van elkaar konden onderscheiden: met hun donkere haar, grijze ogen en hun gezichten mooi als van elfen, eender gekleed in schitterende maliën onder zilvergrijze mantels. Achter hen kwamen Legolas en Gimli. Maar Merijn had uitsluitend oog voor Aragorn, zo verbijsterend was de verandering die hij in hem zag, alsof hij in één nacht vele jaren ouder was geworden. Grimmig stond zijn gezicht, grauw van kleur en vermoeid.

‘Mijn geest is verontrust, heer,’ zei hij terwijl hij naast het paard van de koning ging staan. ‘Ik heb vreemde woorden gehoord en ik zie nieuwe gevaren in het verschiet. Ik heb lang en ernstig nagedacht, maar ik vrees nu dat ik mijn doel moet wijzigen. Zeg mij, Théoden, u rijdt nu naar Dunharg – hoelang zal het duren voor u daar aankomt?’

‘Het is nu een vol uur na de noen,’ zei Éomer. ‘Vóór de nacht van de derde dag moeten we bij de Schuilplaats zijn. Het zal dan één nacht na vollemaan zijn, en de wapenschouw die de koning heeft bevolen, zal de dag daarna worden gehouden. Vlugger kunnen wij niet gaan, als de strijdmacht van Rohan moet worden verzameld.’