Выбрать главу

Aragorn zweeg een ogenblik. ‘Drie dagen,’ mompelde hij, ‘en de wapenschouw van Rohan zal dan pas begonnen zijn. Maar ik zie dat deze nu niet meer bespoedigd kan worden.’ Hij keek op en het scheen dat hij een besluit had genomen: zijn gezicht was minder verontrust. ‘Dan, met uw verlof, heer, moet ik nu een nieuw besluit nemen voor mijzelf en mijn verwanten. Wij moeten onze eigen weg gaan, en niet langer in het geheim. Voor mij is de tijd van heimelijkheid voorbij. Ik zal langs de snelste weg naar het oosten rijden, en over de Paden der Doden gaan.’

‘De Paden der Doden!’ riep Théoden uit en hij beefde. ‘Waarom spreekt u daarover?’ Éomer keerde zich om en staarde Aragorn aan, en het scheen Merijn toe dat de gezichten van de Ruiters die hem konden horen, bij deze woorden verbleekten. ‘Indien er werkelijk zulke paden bestaan,’ zei Théoden, ‘dan ligt hun poort in Dunharg; maar geen levend mens kan erdoor gaan.’

‘Helaas! Aragorn, mijn vriend,’ zei Éomer. ‘Ik had gehoopt dat wij samen ten strijde zouden trekken, maar als u de Paden der Doden kiest, dan scheiden zich onze wegen, en het is niet erg waarschijnlijk dat wij elkaar ooit zullen weerzien onder de zon.’

‘Niettemin zal ik die weg gaan,’ zei Aragorn. ‘Maar ik zeg u, Éomer, dat wij elkaar in de slag zullen weerzien, ook al zouden alle legers van Mordor tussen ons in staan.’

‘U moet doen wat u wilt, Heer Aragorn,’ zei Théoden. ‘Misschien is het uw noodlot om vreemde paden te betreden die anderen niet durven gaan. Dit afscheid doet mij leed en mijn kracht wordt erdoor verminderd; maar nu moet ik de bergwegen nemen en niet langer dralen. Vaarwel!’

‘Vaarwel, heer!’ zei Aragorn. ‘Moge uw rit roemrucht zijn! Vaarwel Merijn. Ik laat je in goede handen achter, beter dan wij hoopten toen wij de orks naar Fangorn dreven. Legolas en Gimli zullen nog met mij mee op jacht gaan, hoop ik, maar we zullen je niet vergeten.’

‘Vaarwel,’ zei Merijn. Hij wist niets anders te zeggen. Hij voelde zich heel klein, en hij was verwonderd en terneergeslagen door al deze sombere woorden. Meer dan ooit miste hij de onblusbare opgewektheid van Pepijn. De Ruiters waren gereed en hun paarden stonden te trappelen; hij wou dat ze op weg zouden gaan.

Nu sprak Théoden met Éomer en hij hief zijn hand op en slaakte een luide kreet, en hierop aanvaardden de Ruiters de tocht. Zij reden de Dijk over en de Kom in en toen, snel naar het oosten afslaand, namen zij een pad dat ongeveer een mijl langs de heuvels liep totdat het, naar het zuiden afbuigend, weer tussen de heuvels door liep en uit het zicht verdween. Aragorn reed naar de Dijk en bleef kijken totdat de manschappen van de Koning een heel eind de Kom in waren. Toen wendde hij zich tot Halbarad.

‘Daar gaan er drie van wie ik houd, de kleinste niet het minste,’ zei hij. ‘Hij weet niet naar welk doel hij rijdt; maar ook al wist hij het, dan zou hij toch verdergaan.’

‘Een klein volk, maar zeer verdienstelijk zijn de Gouwlieden,’ zei Halbarad. ‘Weinig weten zij van onze inspanningen om hun grenzen te beveiligen af, maar toch heb ik er geen spijt van.’

‘En nu is ons beider noodlot verweven,’ zei Aragorn. ‘Maar toch, helaas moeten wij hier afscheid nemen. Ik moet wat eten en dan moeten wij ook vlug weg. Kom, Legolas en Gimli! Ik moet met jullie praten terwijl ik eet.’

Samen keerden zij in de Burg terug, maar Aragorn bleef een tijdlang zwijgend aan de tafel in de zaal zitten terwijl de anderen wachtten tot hij zou spreken. ‘Kom!’ zei Legolas ten slotte. ‘Spreek en wees gerust. Schud de schaduw van je af! Wat is er gebeurd sinds wij in de grijze ochtend naar deze onverbiddelijke plaats terugkeerden?’

‘Een strijd die wat mij betreft enigszins harder was dan de slag van de Hoornburg,’ antwoordde Aragorn. ‘Ik heb in de Steen van Orthanc gekeken, vrienden.’

‘Heb je in die vervloekte toversteen gekeken?’ riep Gimli uit, met angst en verbazing op zijn gezicht. ‘Heb je iets tegen – hem gezegd? Zelfs Gandalf vreesde die ontmoeting.’

‘Je vergeet tegen wie je spreekt,’ zei Aragorn streng, en zijn ogen fonkelden. ‘Heb ik mijn titel niet openlijk voor de deuren van Edoras verkondigd? Wat vrees je dat ik tegen hem zou zeggen? Nee, Gimli,’ zei hij op zachtere toon, en de strengheid verdween van zijn gezicht en hij zag eruit als iemand die vele nachten lang in slapeloze pijn heeft gestreden. ‘Nee, mijn vrienden, ik ben de rechtmatige eigenaar van de Steen, en ik had zowel het recht als de kracht om hem te gebruiken, of zo oordeelde ik. Aan dat recht valt niet te twijfelen. De kracht was toereikend – maar ternauwernood.’

Hij haalde diep adem. ‘Het was een bittere worsteling en de vermoeidheid trekt slechts langzaam weg. Ik sprak geen woord tegen hem, en op het laatst dwong ik de Steen moeizaam te doen wat ik wilde. Dat alleen reeds zal hij moeilijk te verdragen vinden. En hij zag mij. Ja, meester Gimli, hij zag mij, maar in een andere gedaante dan jij mij hier ziet. Als dat hem zal helpen, dan heb ik er slecht aan gedaan. Maar dat denk ik niet. Te weten dat ik in leven was en over de aarde zwierf, was een slag voor zijn hart, veronderstel ik, want tot op heden wist hij dat niet. De ogen in Orthanc hebben niet door de wapenrusting van Théoden kunnen kijken; maar Sauron is Isildur en het zwaard van Elendil niet vergeten. Nu, op het uur van zijn grote plannen, worden de erfgenaam van Isildur en het Zwaard geopenbaard, want ik liet hem het opnieuw gesmede staal zien. Hij is nog niet zo machtig dat hij boven vrees verheven is; nee, de twijfel knaagt voortdurend aan hem.’

‘Maar niettemin heeft hij een grote macht,’ zei Gimli, ‘en nu zal hij des te sneller toeslaan.’

‘De haastige slag mist vaak doel,’ zei Aragorn. ‘We moeten onze Vijand belagen en niet langer wachten tot hij iets doet. Zie je, vrienden, toen ik de Steen de baas was geworden, vernam ik vele dingen. Ik zag dat een ernstig gevaar onverwachts uit het zuiden naar Gondor kwam, een gevaar dat een grote strijdmacht van Minas Tirith zal afleiden. Als dit niet spoedig het hoofd wordt geboden, denk ik dat de stad vóór er tien dagen zijn verstreken verloren zal zijn.’

‘Dan moet zij verloren gaan,’ zei Gimli. ‘Want wat voor hulp is er om erheen te sturen, en hoe zou die op tijd kunnen komen?’

‘Ik heb geen hulp om te zenden, daarom moet ik zelf gaan,’ zei Aragorn. ‘Maar er voert slechts één weg door de bergen die mij naar de kustlanden zal brengen voor alles verloren is. Dat zijn de Paden der Doden.’

‘De Paden der Doden!’ herhaalde Gimli. ‘Het is een verschrikkelijke naam en niet erg naar de zin van de mensen van Rohan, naar ik zag. Kunnen de levenden een dergelijke weg nemen zonder om te komen? En zelfs al overleef je die weg, wat kunnen zo weinigen uitrichten om de slagen van Mordor tegen te gaan?’

‘De levenden zijn die weg sinds de komst van de Rohirrim nooit meer gegaan,’ zei Aragorn, ‘want hij is voor hen gesloten. Maar in dit donkere uur mag de erfgenaam van Isildur hem gebruiken als hij durft. Luister! Dit is de boodschap die de zonen van Elrond mij brengen van hun vader in Rivendel, de wijste in kennis: Vraag Aragorn zich de woorden van de ziener te herinneren, en de Paden der Doden.

‘En wat zijn de woorden van de Ziener dan wel?’ vroeg Legolas. ‘Aldus sprak Malbeth de Ziener in de dagen van Arvedui, de laatste koning in Fornost,’ zei Aragorn:

Over het land ligt een lange schaduw, westwaarts reiken zwingen van zwartheid. De Toren trilt; noodlot nadert de koningsgraven. De Doden ontwaken; het uur voor de eedschenners heeft geslagen: voor de Steen van Erech zullen zij staan weer en daar een hoorn in de heuvels horen schallen. Wiens hoorn zal dat zijn? Wie zal hen roepen uit de grijze schemering, de vergeten lieden? De erfgenaam van hem wien de eed zij eens zwoeren. Uit het noorden zal hij komen, door noodzaak gedreven: Hij zal de Deur naar de Paden der Doden doorgaan.

‘Duistere wegen, ongetwijfeld,’ zei Gimli, ‘maar niet duisterder dan deze versregels mij voorkomen.’