Выбрать главу

‘Als je ze beter wilt begrijpen, verzoek ik je met mij mee te gaan,’ zei Aragorn, ‘want die weg zal ik nu nemen. Maar ik ga niet voor mijn genoegen; ik word slechts door noodzaak gedreven. Daarom wil ik dat je alleen uit eigen vrije wil meegaat, want je zult zowel voor grote inspanning, als voor grote angst en misschien nog erger komen te staan.’

‘Ik zal zelfs op de Paden der Doden met je meegaan, en naar welk einde ze mogen leiden,’ zei Gimli.

‘Ik ga ook mee,’ zei Legolas, ‘want ik vrees de Doden niet.’

‘Ik hoop dat de vergeten lieden niet vergeten zullen zijn hoe ze moeten vechten,’ zei Gimli, ‘want anders zie ik niet in waarom we hen lastig zouden vallen.’

‘Dat zullen we weten als we Erech ooit bereiken,’ zei Aragorn. ‘Maar de eed die zij braken, was om tegen Sauron te vechten, en daarom moeten zij vechten als zij hem willen naleven. Want in Erech staat nog altijd een zwarte steen die er, zegt men, uit Númenor door Isildur werd gebracht; en deze werd op een heuvel gezet, en daarbij zwoer de Koning van de Bergen hem trouw aan het begin van het rijk van Gondor. Maar toen Sauron terugkeerde en zijn macht weer toenam, beval Isildur de mensen van de Bergen hun eed gestand te doen, maar zij weigerden, want zij hadden Sauron in de Zwarte Jaren aanbeden.

Toen zei Isildur tegen hun koning: “Gij zult de laatste koning zijn. En als het Westen machtiger blijkt dan uw Zwarte Meester, spreek ik deze vloek uit over u en uw volk: dat ge nooit zult rusten voor uw eed is vervuld. Want deze oorlog zal ontelbare jaren duren en ge zult voor het einde opnieuw worden opgeroepen.” En zij vluchtten voor de toorn van Isildur en durfden niet meer voor Sauron ten strijde te trekken. En zij hielden zich schuil op geheime plaatsen in de bergen en hadden geen omgang met andere mensen, maar verminderden langzaam in de kale heuvels. En de verschrikking van de Slaaploze Doden omgeeft de heuvel van Erech en alle plaatsen waar dat volk woonde. Maar die weg moet ik gaan, aangezien er geen levenden zijn om mij te helpen.’

Hij stond op. ‘Kom!’ riep hij en hij trok zijn zwaard en het fonkelde in de schemerige zaal van de Burg. ‘Naar de Steen van Erech! Ik zoek de Paden der Doden. Kome met mij die komen wil!’

Legolas en Gimli gaven geen antwoord, maar stonden op en volgden Aragorn de zaal uit. Op het grasveld wachtten, stil en zwijgend, de Dolers met hun kappen. Legolas en Gimli stegen op. Aragorn sprong op Roheryn. Toen stak Halbarad een grote hoorn en de stoot weerkaatste in de Helmsdiepte; en daarop schoten zij naar voren en denderden de Kom in, terwijl alle mannen die op de Dijk of in de Burg achterbleven hen met verbazing nastaarden.

En terwijl Théoden de langzame paden in de heuvels volgde, trok het Grijze Gezelschap snel over de vlakte, en in de middag van de volgende dag bereikten zij Edoras; daar gunden zij zich slechts een kort oponthoud voordat zij het dal in reden, en zo bereikten zij Dunharg bij het vallen van de duisternis.

Vrouwe Éowyn begroette hen en was verheugd over hun komst; want nog nooit had zij machtiger mannen gezien dan de Dúnedain en de knappe zonen van Elrond; maar haar blik ging vooral naar Aragorn uit. En toen ze met haar aan het avondmaal zaten, spraken zij samen en zij hoorde alles dat er was voorgevallen sinds Théoden was uitgereden, waarover haar slechts vluchtige berichten hadden bereikt; en toen zij van de slag in de Helmsdiepte hoorde en de grote slachting die onder hun vijanden was aangericht en van de charge van Théoden en zijn ridders, straalden haar ogen.

Maar ten slotte zei ze: ‘Heren, u bent vermoeid en moet nu naar uw bed gaan en zo lang rusten als inderhaast mogelijk is. Maar morgen zal een fraaiere behuizing voor u worden gevonden.’

Maar Aragorn zei: ‘Nee, vrouwe, doe geen moeite voor ons! Als wij hier vannacht mogen blijven en morgen ontbijten is dat genoeg. Want ik heb een dringende boodschap, en bij het ochtendkrieken moeten wij vertrekken.’

Zij glimlachte tegen hem en zei: ‘Dan was het wel heel vriendelijk van u, heer, om zovele mijlen om te rijden om Éowyn nieuws te brengen en met haar in haar ballingschap te spreken.’

‘Geen man, voorwaar, zou een dergelijke reis als verloren beschouwen,’ zei Aragorn, ‘maar toch, vrouwe, had ik niet hierheen kunnen gaan, ware het niet dat de weg die ik moet nemen mij naar Dunharg voert.’

En zij antwoordde als iemand die het niet prettig vindt wat er gezegd wordt: ‘Dan, heer, bent u verdwaald, want uit het Hargdal voert geen enkele weg naar het zuiden of oosten; en u kunt het beste teruggaan zoals u gekomen bent.’

‘Nee, vrouwe,’ zei hij, ‘ik ben niet verdwaald; want ik ben door dit land getrokken voor u werd geboren om het luister te verlenen. Er is een weg die uit dit dal leidt, en die weg zal ik nemen. Morgen zal ik langs de Paden der Doden rijden.’

Toen keek zij hem aan met ontstelde blik, en haar gezicht verbleekte, en lange tijd kon zij geen woord meer uitbrengen, terwijl de anderen zwegen. ‘Maar, Aragorn,’ zei ze ten slotte, ‘is uw opdracht dan om de dood te zoeken? Want dat is het enige dat u op die weg zult vinden. Zij laten de levenden niet door.’

‘Misschien zullen ze mij wél doorlaten,’ zei Aragorn, ‘maar in elk geval zal ik het erop wagen. Geen andere weg staat mij open.’

‘Maar dat is waanzin,’ zei ze. ‘Want hier zijn befaamde en moedige mannen, die u niet met u mee de schaduwen in zou moeten nemen, maar naar de oorlog zou moeten leiden, waar mannen nodig zijn. Ik smeek u te blijven en met mijn broer mee te rijden; want dan zullen al onze harten zich verheugen en zal onze hoop des te levendiger zijn.’

‘Het is geen waanzin, vrouwe,’ antwoordde hij, ‘want ik ga op een pad dat mij is aangewezen. Maar zij die mij volgen doen dat uit vrije wil; en als zij nu hier willen blijven en met de Rohirrim mee willen rijden, mogen zij dat doen. Maar ik zal de Paden der Doden gaan, alleen, zo nodig.’

Toen spraken zij niet meer en aten in stilte; maar haar ogen bleven voortdurend op Aragorn rusten, en de anderen zagen dat zij zeer gekweld werd. Eindelijk stonden zij op en namen afscheid van de Vrouwe, en bedankten haar voor haar zorgen en legden zich te rusten.

Maar toen Aragorn bij de kamer kwam waar hij samen met Legolas en Gimli zou slapen, en zijn metgezellen naar binnen waren gegaan, kwam Vrouwe Éowyn hem achterop en riep hem. Hij draaide zich om en zag haar als een schittering in de nacht, want zij was in het wit gekleed, maar haar ogen schoten vonken.

‘Aragorn,’ zei zij, ‘waarom wilt u deze dodelijke weg gaan?’

‘Omdat ik moet,’ zei hij. ‘Alleen op die manier is er enige hoop op dat ik mijn rol in de oorlog tegen Sauron kan vervullen. Ik kies geen gevaarlijke paden, Éowyn. Als ik zou gaan waar mijn hart is, dan zou ik nu in het hoge Noorden zwerven, in de mooie vallei van Rivendel.’

Een tijdje zweeg zij alsof zij nadacht over wat dit kon betekenen. Toen legde zij plotseling haar hand op zijn arm. ‘U bent een streng en vastberaden heer,’ zei ze, ‘en zo worden mannen beroemd.’ Zij zweeg. ‘Heer,’ zei ze, ‘als u moet gaan, laat mij dan in uw gevolg meerijden. Want ik ben het moe om in de heuvels te schuilen, en wil het gevaar en de strijd onder ogen zien.’

‘Het is uw plicht bij uw volk te blijven,’ antwoordde hij.

‘Te vaak heb ik dat woord plicht gehoord,’ riep zij uit. ‘Maar behoor ik niet tot het Huis van Eorl, een schildmaagd en geen droge min? Ik heb lang genoeg op wankelende voeten gewacht. Maar nu zij niet langer wankelen, schijnt het, mag ik dan nu mijn leven niet doorbrengen zoals ik verkies?’

‘Weinigen kunnen dat met ere doen,’ antwoordde hij. ‘Maar wat u betreft, vrouwe: hebt u niet de opdracht aanvaard om over het volk te regeren tot zijn meesters terugkeer? Als u niet was gekozen, zou een of andere maarschalk of kapitein op deze post zijn gesteld, en hij zou zijn verantwoordelijkheid niet kunnen verzaken, of hij die moe was of niet.’

‘Zal ik altijd worden gekozen?’ vroeg zij bitter. ‘Zal ik altijd worden achtergelaten wanneer de Ruiters vertrekken, om op het huis te passen terwijl zij roem verwerven, en eten en bedden vinden wanneer zij terugkomen?’