‘Er zal wellicht spoedig een tijd komen,’ zei hij, ‘dat geen zal terugkeren. Dan zal er moed zonder roem nodig zijn, want niemand zal zich de daden herinneren die verricht zijn in de laatste poging om uw woonstede te verdedigen. En al worden zij niet geprezen, toch zullen deze daden er niet minder dapper om zijn.’
Maar zij antwoordde: ‘Al uw woorden komen slechts hierop neer: u bent een vrouw, en uw taak ligt in huis. Maar wanneer de mannen met ere in de slag zijn gevallen, hebt u verlof om in huis te worden verbrand, want de mannen zullen het niet meer nodig hebben. Maar ik behoor tot het Huis van Eorl en ben geen dienstmaagd. Ik kan rijden en het zwaard hanteren, en vrees pijn noch dood.’
‘Wat vreest u dan wel, vrouwe?’
‘Een kooi,’ zei ze. ‘Om achter tralies te blijven totdat gewoonte en ouderdom zich erbij neerleggen, en elke kans om grote daden te verrichten is verkeken en het verlangen ertoe gedoofd.’
‘Maar toch ried u mij aan mij niet op de weg te wagen die ik gekozen had, omdat hij levensgevaarlijk is?’
‘Zo kan de een de ander raad geven,’ zei ze. ‘Toch vraag ik u niet voor het gevaar te vluchten, maar naar de slag te rijden waar uw zwaard roem en glorie kan verwerven. Ik zou niet graag iets onnodig verspild zien dat aanzienlijk en voortreffelijk is.’
‘Ik evenmin,’ zei hij. ‘Daarom zeg ik tegen u, vrouwe: Blijf! Want u hebt geen boodschap in het zuiden.’
‘Dat hebben de anderen die met u meegaan evenmin. Zij gaan alleen maar omdat zij niet van u gescheiden willen worden – omdat ze van u houden.’ Toen draaide zij zich om en verdween in de nacht.
Toen het daglicht aan de hemel was gekomen, maar de zon nog niet boven de hoge bergkammen in het oosten was verschenen, maakte Aragorn zich gereed om te vertrekken. Zijn gezelschap zat al te paard, en hij stond op het punt in het zadel te springen toen Vrouwe Éowyn kwam om afscheid van hen te nemen. Zij was gekleed als een Ruiter en omgord met een zwaard. In haar hand droeg zij een beker, en ze zette die aan haar lippen en dronk een weinig, hun goede reis wensend; en toen gaf zij de beker aan Aragorn, en hij dronk en zei: ‘Vaarwel, Vrouwe van Rohan! Ik drink op het geluk van uw Huis en van u en van heel uw volk. Zeg tegen uw broer: voorbij de schaduwen zullen wij elkaar misschien weer ontmoeten.’ Toen scheen het Gimli en Legolas, die in de buurt stonden, toe dat zij huilde, en voor een zo ernstig en trots iemand scheen dat nog smartelijker. Maar ze zei: ‘Aragorn, gaat u werkelijk?’
‘Ja,’ zei hij.
‘Wilt u mij dan niet met dit gezelschap laten meerijden, zoals ik heb gevraagd?’
‘Dat wil ik niet, vrouwe,’ zei hij. ‘Want dat zou ik niet kunnen toestaan zonder toestemming van de koning en van uw broer; en zij zullen pas morgen terugkeren. Maar ik tel nu ieder uur, ja, iedere minuut. Vaarwel!’
Toen viel zij op haar knieën en zei: ‘Ik smeek u!’
‘Nee, vrouwe,’ zei hij en hij nam haar bij de hand en hielp haar op. Toen kuste hij haar hand, en sprong in het zadel en reed weg en keek niet weer om; en alleen zij die hem goed kenden en dicht bij hem waren, zagen hoeveel pijn het hem deed. Maar Éowyn stond stil als een stenen beeld; haar handen langs haar zijden gebald, en zij keek hen na tot zij in de schaduwen aan de voet van de zwarte Dwimorberg, de Spookberg, waar de Poort der Doden was, waren verdwenen. Toen ze niet meer te zien waren, keerde zij zich om, strompelend als een blinde, en ging terug naar haar woning. Maar geen van haar volk zag dit afscheid, want zij hielden zich angstig schuil en kwamen pas tevoorschijn toen de dag om was, en de roekeloze vreemdelingen weg waren.
En sommigen zeiden: ‘Het zijn elfgeesten. Laat hen gaan waar zij thuishoren, op de donkere plaatsen, en nooit meer terugkeren. De tijden zijn slecht genoeg.’
Het licht was grijs toen zij wegreden, want de zon was nog niet boven de zwarte randen van de Spookberg voor hen opgegaan. Een beklemming kwam over hen toen zij tussen de rijen oude stenen door reden en zo bij de Dimholte kwamen. Daar, onder de dreiging van de zwarte bomen die zelfs Legolas niet lang kon verdragen, vonden zij een holte die zich onder aan de berg opende, en midden op hun pad stond een machtige steen als een vinger van het noodlot.
‘Het bloed stolt bijna in mijn aderen,’ zei Gimli, maar de anderen zwegen en zijn stem werd gedempt door de vochtige sparrennaalden aan zijn voeten. De paarden weigerden de dreigende steen voorbij te gaan, totdat de ruiters afstegen en ze eromheen leid den. En zo kwamen zij ten slotte diep in het nauwe bergdal en daar verrees een steile rotswand, en in de wand gaapte een zwarte deur als de mond van de nacht. Tekens en figuren waren boven in de wijde boog gebeiteld, te donker evenwel om te kunnen duiden, en angst straalde ervan af als een grijze damp.
Het gezelschap bleef staan, en er was geen hart bij dat niet bang was, of het moest het hart van Legolas van de elfen zijn, voor wie de geesten der mensen geen verschrikking inhouden.
‘Dit is een boze deur,’ zei Halbarad, ‘en mijn dood ligt erachter, maar toch zal ik erdoor gaan; geen paard zal hier echter naar binnen durven.’
‘Maar wij moeten naar binnen gaan, dus de paarden ook,’ zei Aragorn. ‘Want als wij ooit door deze duisternis komen, liggen daarachter nog vele mijlen en ieder uur dat verloren gaat zal de overwinning van Sauron dichterbij brengen. Volg mij!’
Toen ging Aragorn de anderen voor en zo groot was zijn wilskracht, dat alle Dúnedain en hun paarden hem volgden. En de liefde die de paarden van de Dolers voor hun meesters hadden, was waarlijk zo groot, dat zij zelfs de verschrikking van de Deur onder ogen durfden te zien, als de harten van hun meesters maar standvastig waren terwijl zij naast hen liepen. Maar Arod, het paard van Rohan, weigerde en stond zo te zweten en te rillen van angst, dat het pijnlijk was om aan te zien. Toen legde Legolas zijn handen op de ogen van het dier en zong enkele woorden die in de duisternis zacht klonken, tot het zich ten slotte liet leiden, en Legolas ging naar binnen. En daar stond Gimli de dwerg die helemaal alleen was achtergelaten.
Zijn knieën beefden en hij was boos op zichzelf. ‘Dit is iets ongehoords!’ zei hij. ‘Een elf die onder de grond gaat en een dwerg die dat niet durft!’ Hierop stortte hij zich naar voren. Maar het scheen hem toe dat zijn voeten loodzwaar waren toen hij ze over de drempel sleepte; en onmiddellijk werd hij met blindheid geslagen, zelfs hij, Gimli, Glóins zoon, die onbevreesd vele diepe plaatsen op de wereld had betreden.
Aragorn had fakkels uit Dunharg meegebracht en liep nu voorop met een ervan geheven; Elladan sloot met nog één de rij, en Gimli, die achteraan strompelde, deed zijn uiterste best hem in te halen. Hij kon niets anders zien dan de flauwe vlam van de toortsen, maar als het gezelschap bleef staan, scheen er een eindeloos gefluister van stemmen om hem heen te zijn, een gemompel van woorden in een taal die hij nog nooit eerder had gehoord.
Niets belaagde het gezelschap of verhinderde hun doortocht, maar toch werd het de dwerg almaar banger te moede toen hij verderging, vooral omdat hij wist dat er nu geen terugkeer mogelijk was: alle paden achter hen waren overstroomd met een onzichtbaar leger dat in de duisternis volgde.
Zo ging een onbekende tijd voorbij tot Gimli iets zag dat hij zich naderhand altijd met tegenzin herinnerde. De weg was breed, voor zover hij kon zien, maar nu kwam het gezelschap plotseling bij een grote lege ruimte, en er waren niet langer muren aan weerskanten. De angst drukte zo zwaar op hem, dat hij nauwelijks kon lopen. Ergens links van hem schitterde iets in de duisternis toen Aragorns fakkel dichterbij kwam. Toen bleef Aragorn staan en ging kijken wat het kon zijn.
‘Voelt hij dan geen angst?’ mompelde de dwerg. ‘In iedere andere grot zou Gimli, Glóins zoon, de eerste zijn geweest om naar de glans van goud toe te rennen. Maar hier niet. Laat het maar liggen!’ Niettemin ging hij dichterbij en zag Aragorn knielen, t erwijl Elladan beide fakkels omhooghield. Voor zich zag hij de beenderen van een machtige man. Hij was in maliën gekleed geweest en zijn harnas lag daar nog heel; want de lucht in de grot was droog als stof, en zijn maliënkolder was verguld. Zijn gordel was van goud en granaten, en rijk met goud bezet was de helm op zijn benige hoofd, dat met het gezicht op de grond lag. Hij was bij de andere muur van de grot gesneuveld, zoals men nu kon zien, en voor hem stond een stenen deur die vast gesloten was: zijn vingerkootjes klauwden nog naar de scheuren. Een gekarteld en gebroken zwaard lag naast hem alsof hij in zijn laatste wanhoop op de steen had ingehakt.