Выбрать главу

Aragorn raakte hem niet aan, maar na een tijdje zwijgend te hebben gekeken stond hij op en zuchtte. ‘Hierheen zullen de bloemen van simbelmynë tot aan het einde van de wereld nooit komen,’ mompelde hij. ‘Negen grafheuvels en zeven zijn nu met groen gras bedekt, en door al die lange jaren heen heeft hij gelegen voor de deur die hij niet kon ontsluiten. Waarheen leidt zij? Waarom wilde hij erdoor? Niemand zal het ooit weten!

Maar dat is niet mijn taak!’ riep hij uit, terwijl hij terugkeerde en tegen de fluisterende duisternis achter hem sprak. ‘Houd jullie schatten en geheimen verborgen in de Vervloekte Jaren! Wij vragen alleen om spoed. Laat ons door, en kom dan! Ik ontbied u naar de Steen van Erech!’

Er kwam geen antwoord, tenzij het een volkomen stilte was, afschuwelijker dan het gefluister van eerst; en toen kwam er een koude windstoot waarin de toortsen flakkerden en uitdoofden, en ze konden niet weer worden ontstoken. Van de tijd die volgde, één uur of vele, herinnerde Gimli zich weinig. De anderen spoedden zich voort, maar hij was altijd de laatste, achtervolgd door een grijpende verschrikking, die hem telkens bijna te pakken scheen te krijgen; en er kwam hem een geluid achterna als het schimmengeluid van vele voeten. Hij wankelde verder tot hij als een beest over de grond kroop en voelde dat hij het niet meer kon verdragen: hij moest óf een uitweg vinden en ontsnappen, óf in waanzin terugrennen om de verschrikking die hem achtervolgde onder ogen te zien.

Plotseling hoorde hij het getinkel van water, een geluid hard en helder als een steen die in een droom van donkere schaduw viel. Het licht werd sterker en zie! Het gezelschap trok weer een poort door, met een hoge en brede boog, en er stroomde een beekje naast hen uit; en daarachter, schuin omlaag, liep een weg tussen steile rotswanden, met messcherpe randen tegen de hemel hoog daarboven. Zo diep en nauw was die spleet, dat de hemel donker was, en daarin schitterden kleine sterren. Maar, zoals Gimli later hoorde, was het nog twee uur vóór zonsondergang op de dag waarop zij uit Dunharg waren vertrokken; hoewel het, wat hem betrof, schemer in een later jaar of in een andere wereld had kunnen zijn.

Het gezelschap ging nu weer omhoog en Gimli keerde naar Legolas terug. Zij reden achter elkaar, en de avond viel met een diepblauwe schemering; maar angst achtervolgde hen nog steeds. Legolas, die zich omdraaide om met Gimli te spreken, keek achterom en de dwerg zag voor zijn gezicht de schittering in de heldere ogen van de elf. Achter hen reed Elladan, de laatste van het Gezelschap, maar niet de laatste van hen die de weg naar omlaag namen.

‘De Doden volgen ons,’ zei Legolas. ‘Ik zie de gedaanten van mensen en paarden en fletse banieren als wolkenflarden en speren als winterheesters in een mistige nacht. De Doden volgen.’

‘Ja, de Doden rijden achter ons aan. Zij zijn opgeroepen,’ zei Elladan.

Toen kwam het Gezelschap eindelijk uit het ravijn, even onverhoeds alsof zij door een spleet in een muur waren gekomen; en daar lagen de plateaus van een groot dal voor hen, en de stroom naast hen liep met een koude stem over vele stroomversnellingen naar omlaag.

‘Waar in Midden-aarde zijn we?’ vroeg Gimli, en Elladan antwoordde: ‘We zijn afgedaald van de oorsprong van de Morthond, de lange kille rivier die uiteindelijk naar de zee stroomt die tegen de wanden van Dol Amroth spoelt. Hierna hoef je niet meer te vragen waar zij haar naam aan ontleent: Zwartwortel noemen de mensen haar.’

Het Morthonddal vormde een grote baai die tegen de loodrechte zuidelijke wanden van de bergen golfde. De steile hellingen waren met gras begroeid, maar op dat uur was alles grijs, want de zon was ondergegaan en ver in de diepte flikkerden de lichtjes in de huizen van mensen. Het dal was vruchtbaar en er woonden vele lieden.

Toen, zonder zich om te draaien, riep Aragorn luid, zodat allen het konden horen: ‘Vrienden, vergeet jullie moeheid! Rijd nu, rijd! We moeten voor het einde van deze dag de Steen van Erech bereiken, en de weg is nog lang.’ Dus reden zij zonder om te ki jken over de berghellingen tot zij bij een brug over de steeds snellere bergstroom kwamen en een weg vonden die naar het land beneden liep.

Lichten gingen uit in huizen en stulpen toen zij eraan kwamen, en deuren werden gesloten en mensen die op het veld waren, schreeuwden van angst en renden wild weg als opgejaagde herten. Telkens weer steeg dezelfde kreet in de vallende nacht op: ‘De Koning der Doden! De Koning der Doden komt eraan!’

Ver beneden hen luidden klokken, en alle mensen vluchtten voor Aragorn; maar in zijn haast reed het Grijze Gezelschap als jagers, totdat hun paarden struikelden van vermoeidheid. En zo, vlak voor middernacht, en in een duisternis zo zwart als de grotten in de bergen, bereikten zij ten slotte de Heuvel van Erech.

Lang had de verschrikking van de Doden over die heuvel gelegen en op de verlaten velden eromheen. Want op de top stond een zwarte steen, rond als een grote bol, ter hoogte van een man, hoewel hij voor de helft in de grond was begraven. Onaards zag hij eruit, alsof hij uit de hemel was gevallen, zoals sommigen meenden; maar zij die zich de geschiedenis van Westernisse nog herinnerden, zeiden dat hij uit de ruïne van Númenor was meegenomen en daar door Isildur bij diens landing was neergezet. Geen van de bewoners van het dal durfde hem te naderen of in zijn nabijheid te wonen; want zij zeiden dat het een vergaderplaats was van de Schaduwmensen die daar in tijden van angst samenkwamen, zich rond de Steen verdringend en fluisterend.

Bij die Steen kwam het Gezelschap aan en hield halt in het holst van de nacht. Toen gaf Elrohir Aragorn een zilveren hoorn, en hij blies erop; en het scheen hun die dichtbij stonden toe dat zij daarop een geluid van andere hoorns hoorden als een echo in diepe grotten ver weg. Zij hoorden geen ander geluid, maar toch waren zij zich bewust van een groot leger dat rond de heuvel waarop zij stonden verzameld was; en een kille wind als de adem van geesten woei uit de bergen omlaag. Maar Aragorn steeg af, en terwijl hij bij de Steen ging staan, riep hij met een luide stem:

‘Eedschenners, waarom zijn jullie gekomen?’

En er kwam een stem in de nacht die hem antwoordde, als van heel ver:

‘Om onze eed gestand te doen en rust te vinden.’

Toen zei Aragorn: ‘Het uur is eindelijk aangebroken. Nu ga ik naar Pelargir aan de Anduin, en jullie zullen mij volgen. En wanneer heel dit land gezuiverd is van de dienaren van Sauron, zal ik de eed voor vervuld verklaren, en jullie zullen rust vinden en voor altijd heengaan. Want ik ben Elessar, Isildurs erfgenaam van Gondor.’

En hierop verzocht hij Halbarad de grote standaard die hij had meegebracht te ontplooien; en zie! Deze was zwart, en zo er een devies op stond, dan was het verborgen in de duisternis. Toen viel er een stilte, en geen fluistering of zucht werd in de hele lange nacht meer gehoord. Het Gezelschap sloeg zijn kamp naast de Steen op, maar zij sliepen weinig vanwege de verschrikking van de Schaduwen die hen omringden.

Maar toen de dageraad kwam, koud en bleek, stond Aragorn meteen op en leidde het Gezelschap verder op de snelste en vermoeiendste reis die iemand van hen ooit had meegemaakt, behalve hij alleen, en slechts zijn wil maakte dat zij verdergingen.

Geen andere sterfelijke mensen zouden het hebben kunnen overleven, alleen de Dúnedain uit het Noorden, en met hen Gimli de dwerg en Legolas van de elfen.

Zij passeerden de Engte van Tarlang en kwamen in Lamedon; en het Schimmenleger volgde en angst ging voor hen uit, tot zij bij Calembel aan de Ciril kwamen, en de zon bloedrood achter Pinnath Gelin in het westen onderging. Het stadje en de voorden van de Ciril troffen zij verlaten aan, want vele mannen waren ten strijde getrokken, en allen die waren achtergebleven, waren bij het gerucht van de komst van de Koning der Doden naar de heuvels gevlucht. Maar de volgende dag kwam er geen dageraad en het Grijze Gezelschap reed verder de duisternis van de Storm van Mordor in en werd aan het oog van stervelingen onttrokken; maar de Doden volgden hen.