III. De wapenschouw van Rohan
Nu liepen alle wegen samen naar het oosten om de ophanden zijnde oorlog en de aanval van de Schaduw het hoofd te bieden. En terwijl Pepijn bij de Grote Poort van de Stad stond en de Prins van Dol Amroth met zijn vaandels zag binnenrijden, kwam de Koning van Rohan uit de heuvels omlaag.
De dag liep ten einde. In de laatste zonnestralen wierpen de Ruiters lange puntige schaduwen voor zich uit. De duisternis was al onder de fluisterende dennenbossen gekropen waarmee de steile berghellingen waren bedekt. De koning reed nu langzaam, aan het einde van de dag. Weldra liep het pad om een grote kale rotsheuvel heen en dook de schemering van de zacht zuchtende bomen in. Al verder en verder naar beneden gingen zij, in een lange slingerende rij. Toen zij eindelijk de bodem van het ravijn bereikten, merkten zij dat de avond in de laagten was gevallen. De zon was onder. Schemering lag over de watervallen.
De hele dag hadden zij ver beneden zich een springende stroom van de hoge pas achter hen omlaag zien lopen, zijn smalle baan tussen de met dennen begroeide wanden uitschurend; maar nu stroomde hij door een rotsachtige poort naar buiten, een breder dal in. De Ruiters volgden hem, en plotseling lag het Hargdal voor hen, vervuld met het luide gerucht van water in de avond. Daar snelde de witte Sneeuwborn, waar de kleinere stroom zich met hem verenigde, bruisend en schuimend over de stenen naar Edoras en de groene heuvels en de vlakten. In de verte, rechts, aan het begin van het grote dal, rees de machtige Sterkhorn boven zijn enorme schoren op, in de wolken verscholen; maar zijn gekartelde top, met eeuwige sneeuw bedekt, blonk ver boven de wereld, met blauwe schaduwen in het oosten, en in het westen door de zonsondergang rood gevlekt.
Merijn keek met verbazing naar dit vreemde landschap waarover hij op hun lange reis zoveel verhalen had gehoord. Het was een wereld zonder hemel waarin zijn oog, door vage afgronden van schimmige lucht, alleen maar immer stijgende hellingen zag, grote wanden van steen achter grote muren, en dreigende afgronden door mist omkranst. Hij zat een ogenblik half dromend naar het geluid van water te luisteren, het gefluister van donkere bomen, het scheuren van steen en de enorme afwachtende stilte die achter alle geluid dreigde. Hij hield van bergen, of hij had het heerlijk gevonden aan ze te denken zoals ze voorkwamen in verhalen die van ver waren meegebracht; maar nu werd hij door het ondraaglijke gewicht van Midden-aarde overweldigd. Hij verlangde ernaar de onmetelijkheid in een rustige kamer bij een vuur buiten te sluiten.
Hij was heel moe, want hoewel zij langzaam hadden gereden, hadden zij heel weinig gerust. Drie vermoeiende dagen lang had hij uren achtereen op en neer gehotst, over passen en door lange dalen, en over vele stromen. Soms, waar de weg breder was, had hij aan de zijde van de koning gereden zonder op te merken dat velen van de Ruiters glimlachten om dat tweetal samen te zien: de hobbit op zijn kleine ruige grijze pony, en de Heer van Rohan op zijn grote witte paard. Dan had hij met Théoden gesproken, hem vertellend van zijn thuis en het doen en laten van de bewoners van de Gouw, of had op zijn beurt geluisterd naar verhalen van de Mark en de machtige mensen van weleer. Maar meestentijds, vooral op deze laatste dag, had Merijn in zijn eentje achter de Koning aangereden, zonder iets te zeggen, maar trachtend de langzame sonore taal van Rohan die hij de mannen achter zich hoorde spreken te verstaan. Het was een taal die vele woorden scheen te bevatten die hij kende, hoewel zij warmer en krachtiger werden uitgesproken dan in de Gouw, maar toch kon hij ze niet begrijpen. Af en toe verhief een Ruiter zijn heldere stem in een roerend lied, en Merijn voelde zijn hart opspringen, ook al wist hij niet waar het over ging.
Maar toch was hij eenzaam geweest, en nooit meer dan nu aan het einde van de dag. Hij vroeg zich af waar in heel deze vreemde wereld Pepijn was heen gegaan, en wat er van Aragorn, Legolas en Gimli zou worden. Toen ineens, alsof iets kouds zijn hart aanraakte, dacht hij aan Frodo en Sam. ‘Ik vergeet hen!’ zei hij verwijtend tot zichzelf. ‘En toch zijn zij belangrijker dan wij allemaal. En ik ben meegegaan om hen te helpen; maar zij moeten nu honderden mijlen ver weg zijn, als ze nog leven.’ Hij huiverde.
‘Het Hargdal, eindelijk!’ zei Éomer. ‘Onze reis is bijna ten einde.’ Zij hielden halt. De paden uit het smalle ravijn liepen steil naar beneden. Slechts een glimp, als door een hoog venster, was er van het grote dal in de schemering beneden te zien. Eén k lein lichtje schitterde bij de rivier.
‘Misschien is de reis voorbij,’ zei Théoden, ‘maar ik heb nog ver te gaan. Gisteravond was het vollemaan, en morgenochtend rijd ik naar Edoras naar de samenkomst van de Mark.’
‘Maar als u mijn raad wilt aannemen,’ zei Éomer op zachte toon, ‘zou u daarna hier terugkeren tot de oorlog voorbij is, verloren of gewonnen.’
Théoden glimlachte. ‘Nee, mijn zoon, want zo zal ik je noemen, spreek niet de slappe woorden van Slangtong tot mijn oude oren!’ Hij richtte zich op en keek achterom naar de lange rij manschappen die in de schemering vervaagde. ‘Lange jaren in de spanne van dagen schijnt het mij toe sinds ik naar het westen reed; maar nooit meer zal ik op een staf leunen. Als de oorlog verloren is, wat voor nut heeft het dan voor mij om mij in de heuvels schuil te houden? En als hij gewonnen is, wat zal het er dan toe doen, ook al sneuvel ik terwijl ik mijn laatste krachten verbruik? Maar we zullen dit nu laten rusten. Vanavond zal ik in de Sterkte van Dunharg blijven. Eén avond van vrede is ons tenminste nog gelaten. Laat ons verder rijden!’
In de dichter wordende schemer kwamen zij in het dal. Hier stroomde de Sneeuwborn langs de westelijke wanden van het dal, en weldra leidde het pad hen naar een voorde, waar de ondiepe wateren luid over de stenen ruisten. De voorde was bewaakt. Toen de koning naderde, sprongen vele mannen uit de schaduwen van de rotsen te voorschijn; en toen zij de koning zagen, riepen zij met blijde stemmen: ‘Koning Théoden! Koning Théoden! De Koning van de Mark keert terug!’
Toen gaf iemand een langgerekte stoot op een hoorn. Hij schalde door het dal. Andere hoorns gaven antwoord, en lichten schenen van de overkant van de rivier.
En plotseling steeg een groot koor van trompetten van omhoog, die schalden uit een holle plek, naar het scheen, die hun tonen tot één stem verenigden en tegen de wanden van steen deden kaatsen en galmen.
Zo kwam de Koning van de Mark zegevierend uit het westen naar Dunharg aan de voet van de Witte Bergen terug. Daar vond hij de overgebleven strijdmacht van zijn volk al verzameld; want zodra zijn komst bekend was, reden aanvoerders hem naar de voorde met boodschappen van Gandalf tegemoet. Dúnhere, de hoofdman van het volk van het Hargdal, ging aan hun hoofd.
‘Bij het ochtendkrieken, drie dagen geleden, heer,’ zei hij, ‘kwam Schaduwvacht als een wind uit het westen naar Edoras, en Gandalf bracht nieuws van uw overwinning om onze harten te verblijden.
Maar hij bracht ook uw boodschap om de bijeenkomst van de Ruiters te verhaasten. En toen kwam de gevleugelde Schaduw.’
‘De gevleugelde Schaduw?’ zei Théoden. ‘Die hebben wij ook gezien, maar dat was in het holst van de nacht voordat Gandalf ons verliet.’
‘Dat kan wel zijn, heer,’ zei Dúnhere. ‘Maar dezelfde, of een andere die erop leek, een vliegende zwartheid in de gedaante van een monsterlijke vogel, trok die ochtend over Edoras, en alle mensen werden door angst aangegrepen. Want hij schoot neer op Meduseld, en toen hij daalde, bijna tot aan de gevelspits, klonk er een kreet die onze harten deed stilstaan. Toen gebeurde het dat Gandalf ons raadde ons niet in de velden te verzamelen, maar u hier in het dal, onder aan de bergen te ontmoeten. En ook vroeg hij ons niet meer lichten of vuren te ontsteken dan strikt noodzakelijk was. En zo is geschied. Gandalf sprak met groot gezag. Wij nemen aan dat dat is zoals u wenst. Niets is er meer in het Hargdal van deze boze dingen gezien.’