‘Het is goed,’ zei Théoden. ‘Ik zal nu naar de Sterkte rijden en daar zal ik, voor ik mij ter ruste begeef, met mijn maarschalken en kapiteins spreken. Laat hen zo spoedig mogelijk bij mij komen!’
De weg leidde nu oostwaarts recht door de vallei, die op dat punt weinig meer dan anderhalve mijl breed was. Vlakten en weiden van hard gras, grijs nu in de vallende nacht, lagen overal in het rond, maar voor zich, aan de andere zijde van het dal, zag Merijn een dreigende wand, een laatste uitloper van de grote grondvesten van de Sterkhorn, in lang vervlogen eeuwen door de rivier doorsneden. Op alle vlakke plaatsen was een grote toeloop van mensen. Sommigen verdrongen zich langs de rand van de weg en begroetten de koning en de ruiters uit het westen met blijde uitroepen; maar in de verte daarachter strekten zich ordelijke rijen tenten en kramen uit, en rijen vastgebonden paarden en een grote wapenvoorraad en verzamelingen speren, die schitterden als bosjes pas geplante bomen. Nu verdween heel de grote menigte in de schaduw, maar toch, hoewel de kilte van de nacht ijzig van de hoogten woei, schenen er geen lantaarns en werden er geen vuren ontstoken. Schildwachten met zware mantels liepen heen en weer.
Merijn vroeg zich af hoeveel Ruiters er waren. Hij kon hun aantal in de vallende schemer niet raden, maar het leek hem een groot leger, vele duizenden sterk. Terwijl hij van de ene kant naar de andere tuurde, kwam het gezelschap van de koning onder de overhangende rotswand aan de oostzijde van het dal tevoorschijn; en daar begon het pad ineens te klimmen, en Merijn keek verbaasd omhoog. Hij bevond zich op een weg als hij nog nooit eerder had gezien, een groot werkstuk door mensenhanden gewrocht in jaren die niet door liederen te achterhalen waren. Omhoog slingerde hij zich, kronkelend als een slang, zich door de loodrechte rotsachtige helling borend. Steil als een trap, beschreef hij lussen naar achteren en voren terwijl hij hoger steeg. Paarden konden erop lopen, en wagens konden langzaam worden getrokken; maar geen vijand kon daar komen, behalve uit de lucht, als hij van boven werd verdedigd. Bij iedere bocht in de weg waren grote rechtopstaande stenen die waren gebeeldhouwd naar de gelijkenis van mensen, groot en met lompe ledematen, de benen gekruist en korte dikke armen over de buik gevouwen. Sommige hadden door de tand des tijds alle gelaatstrekken verloren, behalve de donkere kassen van hun ogen, die de voorbijgangers nog droevig aanstaarden. De Ruiters keken er nauwelijks naar. De Púkelmannen noemden zij ze, en zij schonken er weinig aandacht aan: zij bezaten niet langer het vermogen om angst aan te jagen, maar Merijn keek er met verbazing en bijna met een gevoel van medelijden naar, zoals zij daar treurig in de schemering stonden.
Na een tijdje keek hij achterom en merkte dat hij al enkele honderden voeten boven het dal uit was geklommen, maar heel in de diepte kon hij nog vaag een slingerende rij Ruiters de voorde zien oversteken en in een rij langs de weg gaan naar het kamp dat voor hen in gereedheid was gebracht. Alleen de koning en zijn lijfwacht reden omhoog naar de Sterkte.
Eindelijk kwam het gezelschap van de koning bij een scherpe rand, en de stijgende weg verdween in een spleet tussen rotswanden, en ging zo een korte helling op en kwam op een wijde hoogvlakte uit. Het Firienveld werd het genoemd, een groene bergvlakte van gras en heide, hoog boven de diep uitgesneden bedding van de Sneeuwborn in de schoot van de grote bergen daarachter gelegd; de Sterkhorn in het zuiden en in het noorden het gekartelde massief van Irensaga, waartussen de Ruiters de sombere zwarte muur van de Dwimorberg zagen, de Spookberg die uit de steile hellingen van sombere dennenbomen oprees. Een dubbele rij vormloze rechtopstaande stenen, die in de schemering vervaagden en tussen de bomen verdwenen, verdeelde het hoogland in tweeën. Zij die die weg durfden volgen, kwamen weldra bij de zwarte Dimholte onder de Dwimorberg, en de dreiging van de stenen zuil en de gapende schaduw van de verboden deur.
Zo was het donkere Dunharg, het werk van lang vergeten mensen. Hun naam was verloren en er leefde geen herinnering aan voort in liederen of legenden. Met welk doel zij deze plaats hadden gemaakt, als een stad of geheime tempel of een graftombe voor koningen, kon niemand vertellen. Hier zwoegden zij in de Duistere Jaren, voor er ooit een schip naar de westelijke stranden kwam of het Gondor van de Dúnedain was gebouwd; nu waren zij verdwenen en alleen de Púkelmannen waren overgebleven en zaten nog altijd bij de bochten in de weg.
Merijn keek naar de rijen stenen langs de weg; ze waren verweerd en zwart; sommige helden over, andere waren omgevallen en weer andere gebarsten of gebroken; ze zagen eruit als rijen oude en hongerige tanden. Hij vroeg zich af wat het konden zijn en hij hoopte dat de koning hen niet naar de gindse duisternis zou volgen.
Toen zag hij dat er groepjes tenten en kramen aan weerszijden van de rotsachtige weg stonden; maar die waren niet bij de bomen neergezet, en schenen er eerder van af te staan naar de rand van de rots. Het merendeel stond rechts, waar het Firienveld breder was; en links was een kleiner kamp met in het midden een hoog paviljoen. Van die kant kwam hun een ruiter tegemoet, en zij sloegen van de weg af. Toen ze dichterbij kwamen zag Merijn dat de ruiter een vrouw was met lang gevlochten haar dat in de schemering glansde; maar niettemin droeg zij een helm en was tot het middel als een krijger gekleed en met een zwaard omgord.
‘Heil, Heer van de Mark!’ riep zij uit. ‘Mijn hart is verheugd om uw terugkomst.’
‘En u, Éowyn,’ zei Théoden, ‘is alles goed met je?’
‘Alles is goed,’ antwoordde zij, maar toch scheen het Merijn toe dat haar stem daarmee in tegenspraak was, en hij zou hebben gemeend dat zij gehuild had als je dat kon geloven van iemand met zo’n streng gezicht. ‘Alles is goed. Het was een vermoeiende weg voor het volk om te gaan, zo plotseling aan hun haardsteden ontrukt. Er zijn harde woorden gevallen, want het is langgeleden sinds oorlog ons van de groene velden heeft verdreven, maar er zijn geen boze daden geschied. Alles is nu ordelijk, zoals u ziet. En uw verblijfplaats is voor u in gereedheid gebracht, want ik ben volledig over u ingelicht en was op de hoogte van het uur van uw komst.’
‘Dus Aragorn is gekomen,’ zei Éomer. ‘Is hij hier nog?’
‘Nee, hij is vertrokken,’ zei Éowyn, die zich omdraaide en naar de bergen keek, donker tegen het oosten en zuiden.
‘Waar is hij heen gegaan?’ vroeg Éomer.
‘Ik weet het niet,’ antwoordde zij. ‘Hij kwam bij avond en is gistermorgen weggereden voor de zon boven de bergtoppen uit was gestegen. Hij is weg.’
‘Je hebt verdriet, dochter,’ zei Théoden. ‘Wat is er gebeurd? Zeg mij, heeft hij over die weg gesproken?’ Hij wees langs de donker wordende rijen stenen naar de Dwimorberg. ‘Over de Paden der Doden?’
‘Ja, heer,’ zei Éowyn. ‘En hij is in de schaduwen verdwenen waaruit niemand ooit is weergekeerd. Ik kon hem niet tegenhouden. Hij is weg.’
‘Dan zijn onze paden gescheiden,’ zei Éomer. ‘Hij is verloren. Wij moeten zonder hem uitrijden, en onze hoop neemt af.’
Langzaam gingen zij door de korte heide en het berggras, en spraken niet meer tot ze bij het paviljoen van de koning kwamen. Daar zag Merijn dat alles in gereedheid was gebracht, en dat hijzelf niet vergeten was. Een kleine tent was voor hem naast het verblijf van de koning opgezet; en daar zat hij alleen terwijl mensen af en aan liepen en bij de koning binnengingen om met hem te beraadslagen. De nacht viel en de half zichtbare toppen van de bergen in het westen waren met sterren gekroond, maar het oosten was duister en ledig. De rij stenen vervaagde langzaam, maar daarachter, zwarter dan de duisternis, stond dreigend de enorme sluipende schaduw van de Dwimorberg.