‘De Paden der Doden,’ mompelde hij bij zichzelf. ‘De Paden der Doden? Wat betekent dit allemaal? Zij hebben mij nu allen verlaten. Zij zijn allen op weg naar een of ander noodlot: Gandalf en Pepijn naar de oorlog in het oosten; Sam en Frodo naar Mordor; Stapper, Legolas en Gimli naar de Paden der Doden. Maar ik neem aan dat mijn beurt weldra komt. Ik vraag me af waar ze allemaal over praten, en wat de koning van plan is te doen. Want ik moet nu gaan waar hij gaat.’
Te midden van deze naargeestige gedachten herinnerde hij zich plotseling dat hij erge honger had, en hij stond op om te kijken of iemand anders in dit vreemde kamp hetzelfde gevoel had. Maar op datzelfde ogenblik klonk een trompet en kwam er iemand die hem, de schildknaap van de koning, ontbood om de koning aan tafel te bedienen.
In het binnenste gedeelte van het paviljoen was een kleine ruimte die met geborduurde wandtapijten was afgeschermd en met huiden bezaaid was; en daar zaten aan een kleine tafel Théoden met Éomer en Éowyn, en Dúnhere, heer van het Hargdal. Merijn stond naast de zetel van de koning en bediende hem, tot de oude man, na uit diepe gedachten te zijn ontwaakt, zich naar hem omdraaide en glimlachte.
‘Kom, meester Meriadoc,’ zei hij. ‘Je moet niet staan. Je moet naast mij zitten zolang ik in mijn eigen land ben, en mijn hart met verhalen opbeuren.’
Er werd plaats gemaakt voor de hobbit aan de linkerzijde van de koning, maar niemand vroeg om een verhaal. Er werd eigenlijk weinig gesproken, en zij aten en dronken voornamelijk zwijgend, totdat Merijn ten slotte, na al zijn moed te hebben verzameld, de vraag stelde die hem kwelde.
‘Twee keer, heer, heb ik nu over de Paden der Doden gehoord,’ zei hij. ‘Wat zijn dat? En waar is Stapper, ik bedoel Heer Aragorn, waar is hij heen gegaan?’
De koning zuchtte, maar niemand antwoordde, tot Éomer ten slotte sprak. ‘Wij weten het niet en onze harten zijn bezwaard,’ zei hij. ‘Maar wat de Paden der Doden betreft, je hebt er zelf de eerste stappen op gezet. Nee, ik spreek geen onheilspellende woorden! De weg die wij hebben bestegen, is de toegang tot de Deur, ginds in de Dimholte. Maar wat daarachter ligt weet niemand.’
‘Niemand weet het,’ zei Théoden, ‘maar een oude legende, die tegenwoordig zelden wordt verteld, zegt er iets over. Indien deze oude verhalen, die in het Huis van Eorl van vader op zoon zijn overgegaan, waar zijn, dan leidt de Deur onder de Dwimorberg naar een geheime weg die onder de berg naar een vergeten einde loopt. Maar niemand heeft het ooit gewaagd zijn geheimen te onderzoeken, sinds Baldor, zoon van Brego, de Deur doorging en nooit meer onder mensen werd gezien. Hij legde een overhaaste eed af toen hij de hoorn leegdronk op het feest dat Brego gaf om het herbouwde Meduseld in te huldigen, en hij kwam nooit op de hoge zetel waarvan hij de erfgenaam was.
Men zegt dat dode mensen uit de Donkere Jaren de weg bewaken en geen levend wezen toestaan hun geheime burchten te bereiken; maar af en toe ziet men ze zelf als schimmen de deur uit komen en het rotsachtige pad langsgaan. Dan grendelen de bewoners van het Hargdal hun deuren en bedekken hun ramen en zijn bang. Maar de Doden komen zelden tevoorschijn en alleen in tijden van grote onrust en naderende dood.’
‘Toch wordt in het Hargdal gezegd,’ zei Éowyn op zachte toon, ‘dat in de maanloze nachten nog maar kortgeleden een groot leger in vreemde uitrusting is voorbijgereden. Niemand wist waar het vandaan kwam, maar zij gingen de rotsachtige weg op en verdwenen in de heuvel, alsof zij naar een bijeenkomst gingen.’
‘Waarom is Aragorn die weg dan gegaan?’ vroeg Merijn. ‘Weet u niets dat het zou verklaren?’
‘Tenzij hij woorden tegen jou, als zijn vriend, heeft gesproken die wij niet gehoord hebben,’ zei Éomer, ‘kan niemand in het land der levenden nu zeggen wat zijn bedoeling was.’
‘Hij leek heel erg veranderd, sinds ik hem voor het eerst in het huis van de koning zag,’ zei Éowyn, ‘somberder en ouder. Ten dode gedoemd kwam hij mij voor, en als iemand wie de Doden roepen.’
‘Misschien werd hij geroepen,’ zei Théoden, ‘en mijn hart zegt me dat ik hem niet zal weerzien. Toch is hij een koninklijk mens met hoge bestemming. En laat dit je tot troost zijn, dochter, nu je troost nodig schijnt te hebben in je smart om deze queeste. Men zegt dat toen de Eorlingas uit het noorden kwamen en uiteindelijk de Sneeuwborn op voeren om in tijd van nood sterke schuilplaatsen te zoeken, Brego en zijn zoon Baldor de Trap van de Sterkte beklommen en zo voor de Deur kwamen. Op de drempel zat een man die zo oud was, dat men zijn leeftijd niet meer kon gissen; groot en koninklijk was hij geweest, maar nu was hij verschrompeld als een oude steen. Zij dachten werkelijk dat het een steen was, want hij bewoog niet, en zei geen woord, tot ze probeerden langs hem heen te komen en naar binnen te gaan. En toen kwam er een stem uit hem, als het ware uit de grond, en tot hun verbazing sprak die in de westerse taaclass="underline" De weg is gesloten.
Toen bleven ze staan, en keken naar hem en zagen dat hij nog leefde, maar hij keek niet naar hen. De weg is gesloten, zei zijn stem weer. Hij werd gemaakt door hen die Dood zijn en de Doden houden hem bezet, totdat de tijd komt. De weg is gesloten.
En wanneer zal dat zijn ? vroeg Baldor. Maar hij kreeg nooit antwoord. Want de oude man stierf op dat ogenblik en viel op zijn gezicht; en geen ander nieuws van de oude bewoners van de bergen heeft ons volk ooit vernomen. Maar misschien is de voorzegde tijd eindelijk aangebroken, en mag Aragorn passeren.’
‘Maar hoe kan men ooit te weten komen of die tijd al dan niet is aangebroken dan door die Deur te trotseren?’ vroeg Éomer. ‘En die weg zou ik niet gaan, al stonden alle legers van Mordor voor mij, en was ik alleen en had ik geen andere toevlucht. Verhoede dat een vege stemming een zo dapper man in dit uur van grote nood zal overvallen. Zijn er geen kwade dingen genoeg in de wereld zonder ze onder de grond te zoeken? De oorlog is ophanden!’
Hij zweeg, want op dat ogenblik klonk er buiten gerucht, een mannenstem die de naam van Théoden sprak, en de vraag van de schildwacht om zich bekend te maken.
Meteen daarop schoof de kapitein van de Garde het gordijn opzij. ‘Er is hier een man, heer,’ zei hij, ‘een koerier te paard uit Gondor. Hij wenst onmiddellijk voorgeleid te worden.’
‘Laat hem komen!’ zei Théoden.
Er kwam een grote man binnen en Merijn onderdrukte een kreet: een ogenblik scheen het hem toe dat Boromir weer leefde en was teruggekomen. Toen zag hij dat het niet zo was: de man was een vreemdeling, hoewel hij evenzeer op Boromir leek alsof hij aan hem verwant was, lang, met grijze ogen, en trots. Hij was gekleed als een ruiter met een donkergroene mantel over een jas van fijne maliën; voor op zijn helm was een kleine zilveren ster gesmeed. In zijn hand droeg hij een enkele pijl met zwarte veren en voorzien van stalen weerhaken, en de punt was rood geschilderd.
Hij zeeg op één knie neer en bood de pijl aan Théoden aan. ‘Heil, Heer van de Rohirrim, vriend van Gondor!’ zei hij. ‘Hirgon is mijn naam, koerier van Denethor, die u dit teken van oorlog brengt. Gondor is in grote nood. Vaak hebben de Rohirrim ons geholpen, maar nu verzoekt Heer Denethor om heel uw strijdmacht en de grootst mogelijke snelheid opdat Gondor niet valt.’
‘De Rode Pijl!’ zei Théoden, terwijl hij hem vasthield, als iemand die een oproep ontvangt die hij lang heeft verwacht, maar niettemin vreselijk is wanneer hij komt. Zijn hand beefde. ‘De Rode Pijl is in al mijn jaren niet in de Mark gezien! Is het werkelijk zover gekomen? En waar denkt Heer Denethor dat al mijn kracht en snelheid op neerkomt?’
‘Dat zult u zelf het beste weten, heer,’ zei Hirgon. ‘Maar het zal niet lang meer duren voor Minas Tirith is omsingeld, en tenzij u de kracht hebt om een beleg van vele machten te doorbreken, smeekt Heer Denethor mij te zeggen dat hij van mening is dat de sterke legers van de Rohirrim beter binnen dan buiten zijn muren zouden zijn gelegerd.’