‘Maar hij weet dat wij een volk zijn dat het liefst op een paard en op open terrein vecht, en dat wij bovendien een verspreid volk zijn en er tijd voor nodig is om onze Ruiters te verzamelen. Is het niet waar, Hirgon, dat de Heer van Minas Tirith meer weet dan hij in zijn boodschap doet uitkomen? Want wij zijn al in oorlog, zoals u misschien hebt gezien, en u treft ons hier niet helemaal onvoorbereid aan. Gandalf de Grijze heeft in ons midden verkeerd en op dit ogenblik maken wij ons op voor de strijd in het oosten.’
‘Wat de Heer Denethor van dit alles weet of vermoedt kan ik niet zeggen,’ antwoordde Hirgon. ‘Maar onze zaak staat er werkelijk wanhopig voor. Mijn heer geeft u geen enkel bevel, hij smeekt u alleen uw oude vriendschap en langgeleden gezworen eden te herinneren, en in uw eigen belang alles te doen wat in uw vermogen ligt. Men heeft ons bericht dat vele koningen uit het oosten naar Mordor zijn gereden om het te dienen. Vanuit het noorden tot het veld van Dagorlad zijn er schermutselingen en oorlogsgeruchten. In het zuiden rukken de Haradrim op, en al onze kustlanden zijn door angst overvallen, zodat wij vandaar weinig hulp zullen krijgen. Haast u! Want voor de muren van Minas Tirith zal het lot van onze tijd worden beslist, en als het tij daar niet wordt gekeerd, zal het over alle mooie velden van Rohan stromen en zelfs in deze Sterkte tussen de heuvels zal het niet veilig zijn.’
‘Sombere tijdingen,’ zei Théoden, ‘hoewel niet alle onvermoed. Maar zeg tegen Denethor dat ook al achtte Rohan zelf geen gevaar aanwezig, wij hem toch te hulp zouden komen. We hebben echter zware verliezen geleden in onze gevechten met Saruman de verrader, en wij moeten ook aan onze grens in het noorden en oosten denken, zoals zijn eigen berichten duidelijk maken. Zo’n grote macht als de Zwarte Heer nu schijnt te hebben zou ons misschien in een slag voor de Stad kunnen bedwingen en toch ook met groot geweld over de rivieren kunnen aanvallen, achter de Poort der Koningen. Maar wij zullen niet langer voorzichtige raad geven. Wij zullen komen. De wapenschouw was voor morgen vastgesteld. Wanneer alles is geregeld zullen wij vertrekken. Tienduizend speerruiters had ik over de vlakte kunnen laten rijden tot ontsteltenis van uw vijanden. Het zullen er nu minder zijn, vrees ik; want ik wil mijn vestingen niet alle onbewaakt laten. Maar toch zullen er minstens zesduizend achter mij aanrijden. Vertel Denethor dat de Koning van de Mark in dit uur zelf naar het land van Gondor zal komen, hoewel hij misschien niet zal terugkeren. Maar het is een lange weg en mens en dier moeten het einde bereiken met de kracht om te vechten. Misschien zal het een week na morgenochtend zijn voor u de kreet van de Zonen van Eorl uit het noorden hoort.’
‘Een week!’ zei Hirgon. ‘Als het niet anders kan, dan zij het zo. Maar waarschijnlijk zult u over zeven dagen alleen maar verwoeste muren vinden, tenzij er andere onverwachte hulp komt opdagen. Wellicht zult u dan hoogstens de zwelgpartijen van de orks en Donkere Lieden in de Witte Toren verstoren.’
‘Dat is het minste dat wij zullen doen,’ zei Théoden. ‘Maar ikzelf ben zojuist van de slag en een lange reis gekomen, en ik zal nu gaan rusten. Blijf hier vannacht. Dan zult u de wapenschouw van Rohan zien en opgewekter wegrijden, en ook vlugger. Het is het beste zich ’s ochtends te beraden, want de nacht verandert vele gedachten.’
Hierop stond de Koning op, en iedereen ging staan. ‘Gaat nu allen rusten,’ zei hij, ‘en slaap wel. En jou, meester Meriadoc, heb ik vanavond niet meer nodig. Maar houd je voor mij in gereedheid zodra de zon op is.’
‘Ik zal klaar zijn,’ zei Merijn, ‘ook al beveelt u mij met u over de Paden der Doden te rijden.’
‘Spreek geen onheilspellende woorden!’ zei de koning. ‘Want misschien zijn er meer wegen dan één die die naam dragen. Maar ik zei niet dat ik je zou vragen op enige weg met mij te rijden. Goedenacht!’
‘Ik wil niet worden achtergelaten om op de terugweg te worden opgehaald,’ zei Merijn. ‘Ik wil niet worden achtergelaten, ik wil het niet.’ En terwijl hij dit telkens weer bij zichzelf herhaalde, viel hij ten slotte in zijn tent in slaap.
Hij werd gewekt door iemand die hem porde. ‘Word wakker, word wakker, meester Holbytla!’ riep hij uit; en eindelijk ontwaakte Merijn uit diepe dromen en kwam met een schok overeind zitten. Het lijkt nog heel donker, dacht hij.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg hij.
‘De koning vraagt naar je.’
‘Maar de zon is nog niet op,’ zei Merijn.
‘Nee, en zij zal vandaag ook niet opkomen, meester Holbytla. En nooit meer, zou men denken onder deze wolken. Maar de tijd staat niet stil, ook al is de zon weg. Haast je.’
Terwijl hij wat kleren aanschoot, keek Merijn naar buiten. De wereld tekende zich donker af. De lucht leek wel bruin en alle dingen om hem heen waren zwart en grijs en schaduwloos; er heerste een grote stilte. Geen wolkenvorm was er te zien, tenzij ver weg in het westen, waar de verre grijpende vingers van de grote duisternis verder kropen en er een beetje licht door lekte.
Boven hun hoofden hing een zwaar dak, somber, vormloos, en het licht scheen eerder minder dan sterker te worden.
Merijn zag vele lieden staan, die omhoogkeken en mompelden; hun gezichten waren alle grijs en bedroefd, en sommigen waren bang. Met een moedeloos hart ging hij naar de koning. Hirgon, de ruiter van Gondor, stond daar voor hem, en naast hem stond nu een andere man, die op hem leek en eender gekleed was, maar korter en breder. Toen Merijn binnenkwam, sprak hij juist tegen de koning.
‘Het komt uit Mordor, heer,’ zei hij. ‘Het is gisteravond bij zonsondergang begonnen. Van de heuvels in de Oostfold van uw rijk zag ik het opstijgen en langs de hemel kruipen, en de hele nacht toen ik reed kwam het achter mij aan en slokte de sterren op. Nu hangt de grote wolk over het hele land van hier tot de Schaduwbergen; en het wordt steeds zwarter. De oorlog is al begonnen.’
Een tijdlang bleef de koning zwijgend zitten. Ten slotte sprak hij. ‘Dus het is eindelijk zover,’ zei hij. ‘De grote slag van onze tijd, waarin vele dingen zullen ondergaan. Maar het is tenminste niet langer nodig om ons schuil te houden. Wij zullen de re chte en de open weg nemen, zo vlug wij kunnen. De wapenschouw zal onmiddellijk beginnen, en op niemand wachten die draalt. Hebt u goede voorraden in Minas Tirith? Want als wij nu met grote haast moeten wegrijden, moeten wij zo licht mogelijk gaan, maar met proviand en water genoeg om tot in de slag mee toe te kunnen.’
‘Wij hebben lang geleden een zeer grote voorraad aangelegd,’ antwoordde Hirgon. ‘Rijd nu zo licht en zo snel als u kunt.’
‘Roep dan de herauten, Éomer,’ zei Théoden. ‘Laat de Ruiters zich verzamelen.’
Éomer ging naar buiten en weldra schalden de trompetten in de Sterkte en werden door vele andere van beneden beantwoord; maar hun stemmen klonken niet langer helder en dapper als ze Merijn de vorige avond hadden toegeschenen. Ze schenen dof en ruw in de zware lucht, onheilspellend blaffend.
De koning wendde zich tot Merijn. ‘Ik trek ten strijde, meester Meriadoc,’ zei hij. ‘Over een korte poos zal ik deze weg gaan. Ik ontsla je uit mijn dienst, maar niet van mijn vriendschap. Jij zult hier blijven en als je wilt mag je Vrouwe Éowyn dienen, die het volk in mijn plaats zal regeren.’
‘Maar, maar, heer,’ stotterde Merijn. ‘Ik heb mijn zwaard in uw dienst gesteld. Ik wil niet op deze manier van u worden gescheiden, Koning Théoden. En aangezien al mijn vrienden ten strijde zijn getrokken, zou ik mij schamen om achter te blijven.’
‘Maar wij rijden op grote, snelle paarden,’ zei Théoden, ‘en hoe moedig je hart ook mag zijn, je kunt zulke dieren niet berijden.’
‘Bind mij dan op de rug van een ervan vast, of laat me in een stijgbeugel hangen, of iets dergelijks,’ zei Merijn. ‘Het is een lange weg om te lopen, maar lopen zal ik als ik niet kan rijden, ook al verslijt ik mijn benen en kom ik weken te laat aan.’