Théoden glimlachte. ‘Ik zou je liever op Sneeuwmaan mee laten rijden,’ zei hij. ‘Maar in ieder geval zul je met mij meerijden naar Edoras, en Meduseld zien; want die weg zal ik gaan. Tot zover kan Stybba je dragen; de grote wedloop zal pas beginnen als we de vlakten bereiken.’
Toen stond Éowyn op. ‘Kom nu, Meriadoc,’ zei ze. ‘Ik zal je de uitrusting laten zien die ik voor je in gereedheid heb gebracht.’ Ze gingen samen naar buiten. ‘Dit is het enige dat Aragorn mij heeft gevraagd,’ zei Éowyn toen zij langs de tenten liepen, ‘je voor de slag te wapenen. Ik heb er zo goed mogelijk aan voldaan. Want mijn hart zegt mij dat je een dergelijke wapenrusting nodig zult hebben eer alles voorbij is.’
Nu leidde zij Merijn naar een paviljoen tussen de verblijfplaatsen van de lijfwacht van de koning; en daar gaf een wapenmeester haar een kleine helm, een rond schild en ander tuig.
‘Wij hebben geen maliënkolder die je past,’ zei Éowyn, ‘en er was ook geen tijd om een dergelijk harnas te smeden; maar wij hebben wel een sterk wambuis van leer, een riem en een dolk. Een zwaard heb je al.’
Merijn boog en de vrouwe liet hem het schild zien dat leek op het schild dat Gimli had gekregen, en er stond het blazoen op van het witte paard. ‘Neem al deze dingen,’ zei ze, ‘en mogen ze je geluk brengen! Vaarwel nu, meester Meriadoc. Maar misschien zullen wij elkaar weer ontmoeten, jij en ik.’
Zo geviel het dat de Koning van de Mark zich in de steeds dichter wordende duisternis opmaakte om al zijn Ruiters op de weg naar het oosten te leiden. Harten waren neerslachtig en velen versaagden in de schaduw. Maar het was een ernstig volk, trouw aan zijn heer, en er werd vrijwel geen geween of gemompel gehoord, zelfs niet in het kamp in de Sterkte, waar de bannelingen uit Edoras waren gehuisvest, vrouwen, kinderen en oude mannen. Het noodlot hing hun boven het hoofd, maar zij zagen het zwijgend onder ogen.
Twee uren gingen vlug voorbij, en nu zat de koning op zijn witte paard, dat in het halflicht glinsterde. Trots en groot scheen hij, hoewel het haar dat onder zijn hoge helm golfde wit was als sneeuw; en velen verwonderden zich over hem en het deed hun goed hem ongebroken en onverschrokken te zien.
Daar op de wijde vlakten naast de luidruchtige rivier waren bijna vijfenvijftighonderd Ruiters verzameld, volledig bewapend, en vele honderden andere mannen met extra paarden met lichte bepakking. Er schalde een enkele trompet. De koning hief de hand op en toen zette het leger van de Mark zich zwijgend in beweging. Voorop reden twaalf manschappen van het huishouden van de koning, befaamde Ruiters. Daarachter volgde de koning met Éomer aan zijn rechterzijde. Hij had boven in de Sterkte afscheid van Éowyn genomen, en de herinnering deed pijn; maar nu richtte hij heel zijn aandacht op de weg die voor hem lag. Achter hem reed Merijn op Stybba met de koeriers van Gondor, en daarachter nog twaalf leden van het huishouden van de koning. Zij passeerden de lange rijen wachtende mannen met ernstige en onbewogen gezichten. Maar toen zij bijna aan het einde van de rij waren gekomen, keek er een verlangend naar de hobbit op. Een jonge man, dacht Merijn, toen hij hem aankeek, kleiner en minder forsgebouwd dan de anderen. Hij zag de schittering van heldere grijze ogen en toen huiverde hij, want hij kreeg plotseling de ingeving dat dit het gezicht was van iemand zonder hoop, die op zoek gaat naar de dood.
Verder reden zij de grijze weg af, waar de Sneeuwborn over zijn stenen langs snelde; door de dorpjes Onderharg en Bovenborn, waar vele droevige gezichten van vrouwen uit donkere deuropeningen keken; en zo begon, zonder hoorn, harp of muziek van mannenstemmen, de grote rit naar het oosten waarmee de liederen van Rohan zich gedurende vele lange mensenlevens daarna bezighielden:
Het was inderdaad in steeds dichter wordende duisternis dat de koning Edoras bereikte, hoewel het toen in feite pas middag was. Daar hield hij slechts korte tijd halt en versterkte zijn leger met ongeveer zestig Ruiters, die te laat waren gekomen voor de wapenschouw. Nu hij gegeten had, maakte hij zich gereed om weer op weg te gaan, en hij nam vriendelijk afscheid van zijn schildknaap. Maar Merijn smeekte voor de laatste keer niet van hem te worden gescheiden.
‘Dit is geen reis voor paarden als Stybba, zoals ik je heb gezegd,’ zei Théoden. ‘En wat zou jij doen in een slag als wij op de velden van Gondor denken te leveren, Meester Meriadoc, al ben je een zwaardleenman, en groter van hart dan van postuur?’
‘Wat dat aangaat, wie zal het zeggen?’ antwoordde Merijn. ‘Maar waarom, heer, hebt u anders mijn zwaard in leen aangenomen dan om mij aan uw zijde te laten blijven? En ik zou niet willen dat er in liederen alleen over mij wordt gezegd dat ik altijd moest achterblijven!’
‘Ik heb je ontvangen omwille van je eigen veiligheid,’ antwoordde Théoden, ‘en ook om te doen wat ik je zou vragen. Geen van mijn Ruiters kan je als last meevoeren. Als de slag voor mijn poorten werd geleverd, zouden de minstrelen zich jouw daden misschien herinneren, maar het is driehonderdzes mijl naar Mundburg, waar Denethor regeert. Meer zal ik niet zeggen.’
Merijn boog en ging ongelukkig weg en keek naar de rijen Ruiters. De compagnieën maakten zich al gereed voor het vertrek; mannen haalden riemen aan, inspecteerden zadels en liefkoosden hun paarden; sommigen keken bezorgd naar de steeds lager hangende wolken. Ongemerkt kwam er een Ruiter naar hem toe en sprak zacht in het oor van de hobbit.
‘ Waar een wil is, is een weg, zeggen wij,’ fluisterde hij, ‘dat heb ik zelf ook ervaren.’ Merijn keek op en zag dat het de jonge Ruiter was die hij die morgen had opgemerkt. ‘Jij wilt gaan waar de Heer van de Mark gaat; ik zie het aan je gezicht.’
‘Inderdaad,’ zei Merijn.
‘Dan zul je met mij meegaan,’ zei de Ruiter. ‘Ik zal je voor op mijn paard laten zitten, onder mijn mantel tot we een eind op weg zijn, en deze duisternis nog donkerder is geworden. Zoveel goede wil moet niet worden verloochend. Zeg niets meer tegen iemand, maar kom!’
‘Dank u wel!’ zei Merijn. ‘Dank u, heer, hoewel ik uw naam niet ken.’
‘Ken je die niet?’ vroeg de Ruiter zacht. ‘Noem mij dan Dernhelm.’
En zo gebeurde het dat toen de koning uitreed, Meriadoc de hobbit bij Dernhelm voor op het paard zat; en het grote grijze ros Windfola deerde de last niet, want Dernhelm was lichter dan vele mannen, hoewel lenig en goedgebouwd.
Zij reden verder door de schaduw. In de wilgenbosjes waar de Sneeuwborn in de Entwas stroomde, zesendertig mijl ten oosten van Edoras, sloegen zij die nacht hun kamp op. En daarna ging het weer verder door de Folde; en door de Veenmark, waar rechts van hen grote eikenbossen langs de uitlopers van de heuvel groeiden onder de schaduwen van het donkere Halifirien aan de grenzen van Gondor; maar links van hen hingen de nevels boven de moerassen die hun water ontvingen van de mondingen van de Entwas. En terwijl zij reden kwamen er geruchten over oorlog in het noorden. Eenzame mannen, wild rijdend, brachten nieuws over vijanden die hun oostelijke grenzen aanvielen, of orklegers die door het Wold van Rohan oprukten.