Выбрать главу

‘Rijd verder, rijd verder!’ riep Éomer. ‘Te laat nu om een andere weg te gaan. De moeraslanden van de Entwas moeten onze flank beschermen. Spoed is nu geboden. Rijd verder!’ Zo vertrok Koning Théoden uit zijn eigen rijk en mijl na mijl liep de lange we g er slingerend vandaan, en de bakenheuvels trokken voorbij: Calenhad, Min-Rimmon, Erelas, Nardol. Maar hun vuren waren gedoofd. Alle landen waren grijs en stil; en steeds dieper werd de schaduw voor hen uit en de hoop taande in ieders hart.

IV. Het beleg van Gondor

Pepijn werd door Gandalf gewekt. Kaarsen waren in hun kamer ontstoken, want er kwam slechts een flauw schemerlicht door de ramen; de lucht was drukkend, alsof er onweer op komst was. ‘Hoe laat is het?’ vroeg Pepijn geeuwend.

‘Na het tweede uur,’ zei Gandalf. ‘Tijd om op te staan en jezelf presentabel te maken. De Heer van de Stad heeft je ontboden om je op de hoogte te stellen van je nieuwe plichten.’

‘En zal hij ook voor een ontbijt zorgen?’

‘Nee! Daar heb ik voor gezorgd; dat is alles wat je tot de middag zult krijgen. Het eten wordt nu op bevel uitgedeeld.’

Pepijn keek treurig naar het kleine brood en (vond hij) het veel te kleine kluitje boter dat naast een beker magere melk voor hem was neergezet. ‘Waarom heb je me hierheen gebracht?’ vroeg hij.

‘Dat weet je bliksems goed,’ zei Gandalf. ‘Om te zorgen dat je geen kattenkwaad uithaalt; en als je het niet prettig vindt om hier te zijn, moet je maar bedenken dat je het aan jezelf te danken hebt.’ Pepijn zei niets meer.

Het duurde niet lang of hij liep weer met Gandalf door de lange koude gang naar de deur van de Torenzaal. Daar zat Denethor in de grijze duisternis, als een oude geduldige spin, vond Pepijn; hij scheen zich sinds de vorige dag niet te hebben bewogen. Hij beduidde Gandalf plaats te nemen, maar Pepijn moest een tijdje blijven staan zonder dat er aandacht aan hem werd geschonken. Toen wendde de oude man zich tot hem:

‘Nu, meester Peregrijn, ik hoop dat je de dag van gisteren nuttig hebt gebruikt en dat hij naar je zin was. Hoewel ik vrees dat het eten kariger is in deze stad dan je je zou wensen.’

Pepijn had het onbehaaglijke gevoel dat vrijwel alles wat hij had gezegd of gedaan de Heer van de Stad bekend was, en dat ook heel wat van zijn gedachten werden geraden. Hij gaf geen antwoord.

‘Wat zou je in mijn dienst willen doen?’

‘Ik dacht, heer, dat u mij zou vertellen wat mijn plichten zijn.’

‘Dat zal ik ook, zodra ik weet waar je geschikt voor bent,’ zei Denethor. ‘Maar dat zal ik misschien het vlugst te weten komen, als ik je bij me houd. Mijn kamerdienaar heeft permissie gevraagd naar het buitengarnizoen te gaan, dus je zult een poosje zijn plaats innemen. Je zult mij bedienen, boodschappen bezorgen en met mij praten, als de oorlog en beraadslagingen mij enige vrije tijd laten. Kun je zingen?’

‘Ja,’ zei Pepijn. ‘Nou ja, goed genoeg voor mijn eigen volk. Maar wij hebben geen liederen die geschikt zijn voor voorname burchten en slechte tijden, heer. Wij zingen zelden over ergere zaken dan wind of regen. En de meeste van mijn liederen gaan over dingen die ons aan het lachen maken; of over eten en drinken, natuurlijk.’

‘En waarom zouden dergelijke liederen niet geschikt zijn voor mijn burcht of voor uren als deze? Wij, die lang onder de Schaduw hebben geleefd, mogen toch zeker wel luisteren naar echo’s uit een land dat er niet door beroerd is? Dan zullen wij misschien beseffen dat onze wake niet vergeefs is geweest, al was het een ondankbare taak.’

Pepijn zonk de moed in de schoenen. Het idee om ook maar één liedje uit de Gouw voor de Heer van Minas Tirith te zingen vond hij niet prettig, laat staan de komische die hij het beste kende; ze waren te, welnu, te boers voor een dergelijke gelegenheid. Maar voorlopig werd hem de beproeving bespaard. Hij kreeg geen bevel om te zingen. Denethor wendde zich tot Gandalf en stelde hem vragen over de Rohirrim en hun plannen, en de positie van Éomer, de neef van de koning. Pepijn verbaasde zich over wat de Heer allemaal scheen te weten over een volk dat ver weg woonde, hoewel het, dacht hij, vele jaren geleden moest zijn geweest sinds Denethor zelf buiten zijn stad was geweest.

Weldra gaf Denethor Pepijn een wenk en stuurde hem weer voor enige tijd weg. ‘Ga naar de wapenkamers van de Citadel,’ zei hij, ‘en haal daar de kledij en de uitrusting van de Toren. Die zal klaarliggen. Het is gisteren besteld. Kom terug wanneer je aangekleed bent!’ Het was zoals hij had gezegd, en Pepijn was weldra uitgedost in vreemde kleren, helemaal in zwart en zilver. Hij droeg een kleine maliënkolder; de ringen waren van staal gesmeed misschien, maar niettemin zwart als git; en een hoge helm met kleine ravenvleugels aan beide kanten, en een zilveren ster in het midden van de band. Over de maliënkolder droeg hij een kort buis van zwarte stof, maar op de borst was in zilver de afbeelding van de Boom geborduurd. Zijn oude kleren werden opgevouwen en weggeborgen, maar de grijze mantel uit Lórien mocht hij houden, hoewel hij hem niet mocht dragen als hij dienst had. Hij zag er nu, indien hij het had geweten, inderdaad uit als Ernil i Pheriannath, de Prins van de halflingen, zoals men hem had genoemd, maar hij voelde zich niet erg op zijn gemak. En de duisternis begon zijn stemming te drukken.

Het was de hele dag donker en schemerachtig. Van de zonloze dageraad tot aan de avond was de zwarte schaduw dieper geworden, en alle harten in de Stad waren bedrukt. Heel hoog in de lucht dreef een grote wolk langzaam uit het Zwarte Land naar het westen, licht verzwelgend, zeilend op een oorlogswind; maar daar beneden was de wind roerloos en ademloos, alsof het hele Dal van de Anduin wachtte op de komst van een verwoestend onweer.

Rond een uur of elf, toen hij eindelijk even van zijn dienst was ontslagen, ging Pepijn naar buiten en begon naar eten en drinken te zoeken om zijn benarde hart wat op te beuren en zijn taak van wachten wat draaglijker te maken. In de kantines kwam hij Beregond weer tegen, die zojuist van een boodschap over de Pelennor naar de Wachttorens op de Straatweg was teruggekeerd. Samen slenterden zij naar de muren, want Pepijn voelde zich binnenshuis opgesloten, en had het zelfs in de hoge citadel benauwd. Nu zaten zij weer naast elkaar in het schietgat dat op het oosten uitkeek, waar zij de vorige dag hadden zitten eten en praten.

Het was het uur waarop de zon onderging, maar de grote lijkwade had zich nu ver naar het westen uitgestrekt, en pas toen zij eindelijk in zee onderging, ontsnapte de zon om voor de nacht een korte afscheidsstraal te zenden, op hetzelfde ogenblik dat Frodo hem bij de Kruiswegen op het hoofd van de gevallen Koning zag schijnen. Maar tot de velden van de Pelennor, onder de schaduw van de Mindolluin, drong geen straal door; deze waren bruin en treurig.

Het scheen Pepijn toe dat het al jaren geleden was sinds hij daar eerder gezeten had, in een half vergeten tijd toen hij nog een hobbit was geweest, een luchthartige zwerver die weinig was beroerd door de gevaren die hij had doorgemaakt. Nu was hij een kleine soldaat in een stad die zich opmaakte voor een grote aanval, gekleed op de trotse maar sombere wijze van de Wachttoren.

In een andere tijd en op een andere plaats zou Pepijn misschien in zijn schik zijn geweest met zijn nieuwe uitmonstering, maar hij wist nu dat hij niet in een toneelstuk optrad: hij was in dodelijke ernst de dienaar van een strenge meester in het grootste levensgevaar. De maliënkolder was zwaar en de helm drukte op zijn hoofd. Zijn mantel had hij naast zich op de zitplaats geworpen. Hij wendde zijn vermoeide blik af van de duisterende velden beneden zich en geeuwde, en toen zuchtte hij.

‘Heb je genoeg van deze dag?’ vroeg Beregond.

‘Ja,’ zei Pepijn, ‘schoon genoeg; ik ben doodmoe van het nietsdoen en het wachten. Ik heb vele lange uren doelloos bij de kamer van mijn meester rondgehangen, terwijl hij met Gandalf en de Prins en vele andere grote heren aan het beraadslagen was. En ik ben niet gewend, meester Beregond, om anderen hongerig te bedienen terwijl zij zitten te eten. Het is een zware beproeving voor een hobbit. Ongetwijfeld zul je denken dat ik me meer vereerd moest voelen. Wat hebben zelfs eten en drinken voor nut onder deze sluipende schaduw? Wat betekent het? Zelfs de lucht schijnt dik en bruin te zijn. Zijn er vaak zulke verduisteringen als de wind uit het oosten komt?’