Выбрать главу

‘Nee,’ zei Beregond, ‘dit is geen weersverschijnsel. Het is een oogmerk van zijn kwade wil; een rokerig brouwsel uit de Vuurberg dat hij stuurt om harten en beraad te verduisteren. En dat doet het ook. Ik wou dat Heer Faramir terugkeerde. Hij zou niet ontsteld zijn. Maar niemand weet nu of hij ooit uit de Duisternis over de Rivier zal terugkeren.’

‘Ja,’ zei Pepijn, ‘Gandalf is ook ongerust. Hij was, denk ik, teleurgesteld om Faramir hier niet aan te treffen. En waar is hij zelf naartoe gegaan? Hij is voor het middagmaal uit de vergadering van de Heer vertrokken, en niet bepaald in een goed humeur, dacht ik. Misschien heeft hij een voorgevoel van slecht nieuws.’

Plotseling, terwijl ze zaten te praten, werden ze met stomheid geslagen, als het ware vastgevroren aan luisterende stenen. Pepijn drukte zich tegen de grond met zijn handen tegen zijn oren; maar Beregond, die uit het schietgat had zitten kijken terwijl hij over Faramir sprak, bleef daar verstijfd met uitpuilende ogen naar buiten staren. Pepijn herkende de hartverscheurende kreet die hij had gehoord; het was dezelfde die hij langgeleden in de Moer van de Gouw had gehoord, maar nu waren de kracht en haat ervan nog groter geworden en doorvlijmden het hart met giftige wanhoop. Ten slotte sprak Beregond moeizaam: ‘Ze zijn gekomen! Vat moed en kijk! Er zijn vreselijke dingen daar beneden.’

Met tegenzin klom Pepijn op de bank en keek over de muur naar buiten. De Pelennor lagen wazig beneden hem, naar de nauwelijks vermoede lijn van de Grote Rivier vervagend. Maar nu zag hij in de middelste luchtlagen beneden hem, snel wiekend, als schaduwen van een vroegtijdige nacht, grote vogelachtige gedaanten, afschuwelijk als aasvogels, maar groter dan adelaars, wreed als de dood. Nu doken ze vlakbij neer en waagden zich bijna tot binnen boogschotsafstand van de muren, dan weer vlogen zij cirkelend weg.

‘Zwarte Ruiters!’ mompelde Pepijn. ‘Zwarte Ruiters van de lucht.

Maar kijk, Beregond!’ riep hij. ‘Ze zoeken zeker iets. Zie je hoe ze telkens weer naar dat ene punt daar cirkelen en duiken! En kun je iets op de grond zien bewegen? Kleine, donkere wezens. Ja, mensen op paarden: vier of vijf. Ach, ik kan het niet aanzien! Gandalf! Gandalf! Red ons!’

Er steeg opnieuw een langgerekte kreet op en stierf weg, en hij gooide zich weer terug van de muur, hijgend als een opgejaagd dier. Vaag en schijnbaar ver weg door die huiveringwekkende kreet hoorde hij van beneden het geluid van een trompet opstijgen, dat met een lang aangehouden hoge noot eindigde.

‘Faramir! Heer Faramir! Het is zijn signaal!’ riep Beregond. ‘Dapper hart. Maar hoe kan hij de poort bereiken als deze smerige hellehaviken andere wapens bezitten dan angst? Maar zie! Ze houden vol. Ze zullen de Poort halen. Nee, de paarden zijn krankz innig geworden. Kijk! De mannen zijn afgeworpen; ze rennen te voet. Nee, een zit er nog te paard, maar hij rijdt terug naar de anderen. Dat zal de Kapitein zijn: hij kan zowel dieren als mensen bedwingen. Oei, een van de gemene monsters duikt op hem neer. Help! Help! Zal niemand hem dan te hulp komen? Faramir!’

Hierop sprong Beregond weg en rende de duisternis in. Beschaamd om zijn angst, terwijl Beregond van de Garde het eerst dacht aan de Kapitein van wie hij hield, stond Pepijn op en tuurde naar buiten. Op dat ogenblik zag hij een flits van wit en zilver uit het noorden komen, als een kleine ster die viel op schemerduistere velden. Hij bewoog met de snelheid van een pijl en werd groter naarmate hij dichterbij kwam, snel samenkomend met de vlucht van de vier mannen naar de Poort. Het scheen Pepijn toe dat er een bleek schijnsel omheen straalde en de zware schaduwen ervoor weken; en toen zij dichtbij kwam meende hij een luide stem, als een echo in de muren, te horen roepen. ‘Gandalf!’ riep hij uit.

‘Gandalf! Hij duikt altijd op als de dingen er op hun somberst uitzien. Vooruit! Vooruit, Witte Ruiter! Gandalf, Gandalf!’ riep hij wild, als een toeschouwer bij een wedloop die een renner aanspoort die geen aanmoediging nodig heeft.

Maar nu werden de donkere duikende schaduwen de pas aangekomene gewaar. Een cirkelde naar hem toe; maar Pepijn had de indruk dat hij zijn hand ophief, en er schoot een pijl van wit licht uit omhoog. De Nazgûl slaakte een lange jammerende kreet en zwenkte weg; en daardoor weifelden de vier anderen en stegen toen in snelle spiralen omhoog en verdwenen oostwaarts in de steeds lagere wolken. En op de Pelennor scheen het een ogenblik minder donker.

Pepijn keek toe en zag dat de ruiter en de Witte Ruiter elkaar ontmoetten en bleven stilstaan, wachtend op hen die te voet waren. Mensen spoedden zich nu de Stad uit naar hen toe; en weldra verdwenen ze allemaal uit het zicht aan de voet van de buitenmuren, en hij wist dat zij door de Poort naar binnen gingen. Omdat hij vermoedde dat zij zich onmiddellijk naar de Toren en de Stadhouder zouden begeven, haastte hij zich naar de ingang van de citadel. Daar voegden zich vele anderen bij hem die de wedloop en de redding op de hoge muren hadden gadegeslagen.

Het duurde niet lang voordat er lawaai werd gehoord in de straten die van de buitenste kringen naar boven leidden, en er klonk gejuich en de namen van Faramir en Mithrandir werden luid uitgeroepen. Weldra zag Pepijn fakkels en, gevolgd door een grote menigte, kwamen langzaam twee Ruiters aangereden: de een was in het wit gekleed, hoewel niet langer glanzend maar dof in de schemer, alsof zijn vuur was uitgeblust of versluierd; de andere was donker en zijn hoofd was gebogen. Zij stegen af en toen stalknechten Schaduwvacht en het andere paard hadden overgenomen, liepen zij naar de schildwacht bij de poort: Gandalf met vaste tred, zijn grijze mantel opengeworpen en een vuur nog flakkerend in zijn ogen; de ander, helemaal in het groen gekleed, langzaam, enigszins slingerend als een moede of gewonde man.

Pepijn drong zich naar voren toen zij onder de lamp door de boog van de Poort gingen, en toen hij het bleke gezicht van Faramir zag, stokte zijn adem. Het was het gezicht van iemand die door grote angst of smart is overvallen, maar die nu heeft overwonnen en helemaal rustig is. Trots en ernstig stond hij daar een ogenblik terwijl hij met de schildwacht sprak, en Pepijn, die hem aanstaarde, zag hoezeer hij op zijn broer Boromir leek – die Pepijn van het begin af aan had gemogen, de voorname maar vriendelijke manieren van de grote man bewonderend. Maar plotseling werd zijn hart voor Faramir vreemd bewogen door een gevoel dat hij nog nooit eerder had gehad. Hier was iemand met een zo hoog en edel voorkomen als Aragorn af en toe had laten zien, minder hoog misschien, maar ook minder onberekenbaar en afstandelijk: een van de koningen van mensen die in een latere tijd was geboren, maar met iets van de wijsheid en droefheid van het Oude Ras. Hij wist nu waarom Beregond zijn naam met liefde uitsprak. Hij was een aanvoerder, die mensen bereid waren te volgen, die hij zou volgen, zelfs onder de schaduw van de zwarte vleugels.

‘Faramir!’ riep hij luid met de anderen. ‘Faramir!’ En Faramir, die die vreemde stem te midden van het geschreeuw van de mensen van de stad opmerkte, draaide zich om en keek op hem neer en was verbaasd.

‘Waar kom jij vandaan?’ vroeg hij. ‘Een halfling en in de livrei van de Toren. Vanwaar?’

Maar hierop ging Gandalf naast hem staan en zei: ‘Hij is met mij meegekomen uit het land van de halflingen. Maar laat ons hier niet dralen. Er valt veel te zeggen en te doen, en u bent moe. Hij zal met ons meekomen. Dat moet hij zeker, want als hij zijn nieuwe plichten niet gemakkelijker vergeet dan ik, moet hij zijn Heer dit uur weer dienen. Kom, Pepijn, volg ons.’

Zo kwamen zij ten slotte bij het privé-vertrek van de Heer van de Stad. Daar waren diepe zetels rond een komfoor met houtskool geschikt; en er werd wijn gebracht en daar stond Pepijn, nauwelijks opgemerkt, achter de stoel van Denethor en merkte weinig van zijn vermoeidheid, zo aandachtig luisterde hij naar alles wat er werd gezegd.