‘U denkt, wat uw goed recht is, heer, alleen aan Gondor,’ zei Gandalf. ‘Maar er zijn andere mensen en andere levens en een toekomstige tijd. En wat mij betreft, ik beklaag zelfs zijn slaven.’
‘En tot wie zullen andere mensen zich om hulp wenden als Gondor valt?’ antwoordde Denethor. ‘Als ik dit ding nu in de diepe gewelven van deze citadel had, dan zouden wij niet van angst beven onder deze duisternis, het ergste vrezend, en onze beraadslagingen zouden niet verstoord worden. Als je denkt dat ik de proef niet zou doorstaan, ken je me nog niet.’
‘Niettemin vertrouw ik u niet,’ zei Gandalf. ‘Als ik dat wel had gedaan, had ik dit voorwerp hierheen kunnen sturen om te bewaren en mezelf en anderen veel angst kunnen besparen. En nu ik u zo hoor spreken, vertrouw ik u nog minder; niet meer dan Boromir. Nee, bedwing uw woede! Ik vertrouw mezelf niet eens wat dit betreft, en ik heb dit voorwerp geweigerd, zelfs als een vrijelijk geschonken gift. U bent sterk en kunt u in bepaalde zaken nog beheersen, Denethor; toch, als u dit voorwerp had ontvangen, zou het u hebben omvergeworpen. Als het helemaal onder de Mindolluin begraven zou zijn, zou het toch uw geest wegbranden, naarmate de duisternis toeneemt en de nog ergere dingen volgen die spoedig over ons zullen komen.’
Heel even vatten de ogen van Denethor weer vlam toen hij Gandalf aankeek, en Pepijn voelde opnieuw de krachtmeting tussen hun beider wil, maar nu leek het bijna alsof hun blikken zwaarden van oog tot oog waren, flikkerend terwijl zij schermden. Pepijn beefde en vreesde een afschuwelijke slag. Maar plotseling ontspande Denethor zich en werd weer koud. Hij haalde zijn schouders op.
‘Als ik het had! Als jij het had!’ zei hij. ‘Dergelijke woorden en “al-sen” zijn ijdel. Het is de Schaduw binnengegaan, en alleen de tijd zal uitwijzen welk noodlot het wacht, en ons ook. Het zal niet lang meer duren. Laat in wat nog rest allen die de Vijand op hun manier bestrijden één zijn, en de hoop behouden zolang het kan, en na die hoop nog de vermetelheid om als vrije lieden te sterven.’ Hij wendde zich tot Faramir. ‘Wat vind jij van het garnizoen in Osgiliath?’
‘Het is niet sterk,’ zei Faramir. ‘Ik heb de compagnie uit Ithilien erheen gestuurd om het te versterken, zoals ik zei.’
‘Niet genoeg, denk ik,’ zei Denethor. ‘Daar zal de eerste klap vallen. Ze zullen daar een stoutmoedige aanvoerder nodig hebben.’
‘Daar en elders op vele plaatsen,’ zei Faramir en hij zuchtte. ‘Wee mijn broeder, van wie ook ik heb gehouden!’ Hij stond op. ‘Mag ik uw toestemming, vader?’ En toen wankelde hij en leunde op zijn vaders stoel.
‘Je bent moe, zie ik,’ zei Denethor. ‘Je hebt snel en ver gereden, en onder schaduwen van kwaad in de lucht, heeft men mij verteld.’
‘Laat ons daar niet over spreken,’ zei Faramir.
‘Dan zullen we dat niet doen,’ zei Denethor. ‘Ga nu en rust zolang je dit kunt doen. Morgen zal de nood meedogenlozer zijn.’
Allen namen nu afscheid van de Heer van de Stad en gingen rusten, zolang het nog kon. Buiten heerste een sterrenloze zwartheid toen Gandalf met Pepijn, die een kleine fakkel droeg, naast zich, naar hun logies ging. Zij spraken pas toen ze achter gesloten deuren waren. Toen greep Pepijn ten slotte Gandalfs hand.
‘Zeg mij,’ zei hij, ‘is er enige hoop? Voor Frodo, bedoel ik; of in elk geval voornamelijk voor Frodo?’
Gandalf legde zijn hand op Pepijns hoofd. ‘Er is nooit veel hoop geweest,’ zei hij. ‘Slechts de hoop van een dwaas, zoals men mij heeft gezegd. En toen ik van de Cirith Ungol hoorde –’ Hij brak zijn woorden af en schreed naar het raam, alsof zijn ogen de nacht in het oosten konden doorboren. ‘Cirith Ungol,’ mompelde hij.
‘Waarom die kant uit? vraag ik mij af. Zojuist, Pepijn, bezweek mijn hart bijna toen ik die naam hoorde. Toch geloof ik echt dat het nieuws dat Faramir brengt enige hoop bevat. Want het lijkt duidelijk dat onze Vijand zijn oorlog eindelijk is begonnen en zijn eerste zet heeft gedaan, terwijl Frodo nog vrij was. Dus nu zal hij vele dagen lang zijn blik dan hierop en dan daarop richten, ver van zijn eigen land. Maar toch, Pepijn, voel ik van ver zijn haast en angst. Hij is eerder begonnen dan hij van plan was. Er is iets gebeurd om hem ertoe aan te zetten.’
Gandalf bleef een ogenblik in gedachten verzonken staan. ‘Misschien,’ mompelde hij. ‘Misschien heeft ook jouw dwaasheid geholpen, m’n jongen. Laat me eens kijken: hij zal ongeveer vijf dagen geleden hebben ontdekt dat wij Saruman hadden omvergeworpen en de Steen in ons bezit hadden gekregen. Maar wat dan nog? Wij konden er niet veel nuttigs mee doen, of zonder dat hij dat wist. Ah! Dat vraag ik me af. Aragorn? Zijn tijd komt nader. En hij is in de grond van zijn hart sterk en streng, Pepijn, stoutmoedig, vastberaden, in staat bij zichzelf te rade te gaan en zo nodig grote risico’s te nemen. Misschien is dat het. Misschien heeft hij de Steen gebruikt en zich aan de Vijand laten zien, hem uitdagend, juist met dit doel. Ik vraag het me af. Welnu, we zullen het antwoord pas weten als de Ruiters van Rohan komen, als ze niet te laat komen. Er staan ons kwade dagen te wachten. Laat ons slapen zolang het ons is vergund.’
‘Maar,’ zei Pepijn.
‘Maar wat?’ vroeg Gandalf. ‘Ik zal vanavond slechts één maar toestaan.’
‘Gollem,’ zei Pepijn. ‘Hoe ter wereld is het mogelijk dat ze zich met hem hebben opgehouden, en hem zelfs zijn gevolgd? En ik kon zien dat Faramir de plaats waar hij hen mee naartoe nam evenmin aanstond als jij. Wat is er mis?’
‘Daarop kan ik nu geen antwoord geven,’ zei Gandalf. ‘Maar in mijn hart vermoedde ik dat Frodo en Gollem elkaar voor het einde zouden ontmoeten. Ten goede of ten kwade. Maar over de Cirith Ungol wil ik vanavond niet spreken. Verraad, verraad vrees ik, van dat ellendige schepsel. Maar het moest zo zijn. Laten we niet vergeten dat een verrader zichzelf kan verraden en goed doen dat hij niet van plan was. Dat gebeurt soms. Goedenacht!’
De volgende dag brak aan met een ochtend als een bruine schemering, en de harten der mensen, die een tijdje waren opgebeurd door de terugkeer van Faramir, werden weer bedrukt. De gevleugelde Schaduwen werden die dag niet weer gezien, maar toch klonk er nu en dan, hoog boven de stad, een flauwe kreet, en velen die hem hoorden, stonden dan als verstijfd door een voorbijgaande angst, terwijl de minder dapperen jammerden en huilden.
En Faramir was nu weer weg. ‘Ze gunnen hem geen rust,’ mompelden sommige mensen. ‘De Heer jaagt zijn zoon te veel op, en nu moet hij het werk van twee doen, voor zichzelf en voor degene die niet zal terugkeren.’ En voortdurend keken mensen naar het noorden en vroegen zich af: ‘Waar zijn de Ruiters van Rohan?’
In werkelijkheid ging Faramir niet uit eigen verkiezing. Maar de Heer van de Stad was het hoofd van zijn Raad, en hij was die dag niet in de stemming om voor anderen te buigen. Vroeg die morgen was de Raad bijeengeroepen. Daar waren alle aanvoerders het erover eens geweest dat, vanwege de dreiging in het zuiden, hun strijdmacht te zwak was om zelf een slag uit te delen, tenzij wellicht de Ruiters van Rohan toch zouden komen. Ondertussen moesten ze de muren bemannen en wachten.
‘En toch,’ zei Denethor, ‘moeten we onze buitenste verdedigingsgordel, de Rammas, die met zoveel moeite is gemaakt, niet lichtvaardig opgeven. En de Vijand moet het oversteken van de Rivier duur betalen. Dat kan hij niet doen, als hij de Stad met een s terke strijdmacht wil aanvallen, of ten noorden van Cair Andros vanwege de moerassen, of in het zuiden in de richting van Lebennin vanwege de breedte van de Rivier, waarvoor veel boten nodig zijn. Bij Osgiliath zal hij zijn volle gewicht in de strijd werpen, zoals eerder toen Boromir hem de doortocht belette.’
‘Dat was maar een poging,’ zei Faramir. ‘Vandaag kunnen we de Vijand het tienvoudige van onze verliezen bij de overtocht toebrengen en toch de strijd berouwen. Want hij kan het zich beter veroorloven een heel leger te verliezen, dan wij een compagnie. En de terugtocht van hen die wij ver uitzenden, zal levensgevaarlijk worden als hij met zijn overmacht erin slaagt de Rivier over te steken.’