‘En Cair Andros dan?’ vroeg de Prins. ‘Dat moet ook worden behouden als Osgiliath wordt verdedigd. Laat ons het gevaar op onze linkerflank niet vergeten. Misschien komen de Rohirrim, maar misschien ook niet. Maar Faramir heeft ons verteld van een sterke strijdmacht die voortdurend naar de Zwarte Poort trekt. Misschien komt er meer dan één leger uit, dat toeslaat voor meer dan één gevecht.’
‘In de oorlog moet veel worden geriskeerd,’ zei Denethor. ‘Cair Andros is bemand en op het ogenblik kan er niet meer mankracht heen worden gezonden. Maar ik wil de Rivier en de Pelennor niet zonder slag of stoot prijsgeven – niet als hier een aanvoerder is die nog de moed heeft om te doen wat zijn Heer wil.’
Toen zwegen allen. Maar ten slotte zei Faramir: ‘Ik weerstreef uw wil niet, sire. Nu Boromir u is ontvallen, zal ik gaan en in zijn plaats doen wat ik kan – als u het beveelt.’
‘Ik beveel het,’ zei Denethor.
‘Vaarwel dan!’ zei Faramir. ‘Maar als ik terugkeer, herzie dan uw oordeel over mij.’
‘Dat hangt af van de manier waarop je terugkeert,’ zei Denethor.
Gandalf was de laatste die met Faramir sprak voor hij naar het oosten reed. ‘Gooi uw leven niet overhaast of in bitterheid weg,’ zei hij. ‘U zult hier nodig zijn, voor andere dingen dan oorlog. Uw vader houdt van u, Faramir, en zal het zich herinneren vóór het einde. Vaarwel!’
Dus nu was Heer Faramir weer weggegaan, en had zoveel manschappen met zich meegenomen als er wilden gaan of gemist konden worden. Op de muren tuurden sommigen door de duisternis naar de verwoeste stad, en zij vroegen zich af wat daar gebeurde, want er was niets te zien. En als altijd keken anderen naar het noorden en telden de mijlen naar Théoden in Rohan. ‘Zal hij komen? Zal hij zich ons oude bondgenootschap herinneren?’ zeiden zij.
‘Ja, hij zal komen,’ zei Gandalf, ‘ook al komt hij te laat. Maar bedenk! Op zijn vlugst kan de Rode Pijl hem niet eerder dan twee dagen geleden hebben bereikt en het zijn vele mijlen van Edoras.’
Het was weer nacht voor er nieuws kwam. Er kwam haastig een man van de voorden gereden, die zei dat een leger uit Minas Morgul was gekomen en al dicht bij Osgiliath was; en regimenten uit het zuiden, Haradrim, wreed en groot, hadden zich erbij aangesloten. ‘En wij hebben vernomen,’ zei de boodschapper, ‘dat de Zwarte Kapitein hen opnieuw aanvoert, en de angst voor hem is hem over de Rivier vooruitgesneld.’
Met die onheilspellende woorden eindigde de derde dag sinds Pepijns komst naar Minas Tirith. Weinigen gingen rusten, want niemand koesterde nog veel hoop dat zelfs Faramir de voorden lang zou kunnen verdedigen.
Hoewel de duisternis de volgende dag haar dieptepunt had bereikt en niet dieper werd, drukte zij zwaarder op de harten van de mensen en een grote angst beklemde hen. Weldra kwam er weer slecht nieuws. De Vijand was de Anduin overgestoken. Faramir trok zich terug naar de muur van de Pelennor, zijn mannen hergroeperend bij de forten van de straatweg; maar de Vijand was tien keer sterker in getal.
‘Als hij erin slaagt de Pelennor te bereiken, zullen zijn vijanden hem op de hielen zitten,’ zei de boodschapper. ‘De oversteek is hun duur komen te staan, maar minder dan wij hadden gehoopt. Het plan is goed voorbereid. Het is nu gebleken dat zij lang e tijd in het geheim grote aantallen vlotten en boten in Oost-Osgiliath hebben gebouwd. Ze zwermden eroverheen als vliegen. Maar de Zwarte Aanvoerder is degene die ons de baas is. Weinigen willen standhouden of zijn ook maar bestand tegen het gerucht van zijn komst. Zijn eigen manschappen kruipen voor hem en zouden de hand aan zichzelf slaan als hij het hun vroeg.’
‘Dan heeft men mij daar meer nodig dan hier,’ zei Gandalf en hij reed meteen weg, en de schittering van zijn gestalte verdween weldra uit het zicht. En die hele nacht stond Pepijn alleen en slapeloos op de muur en staarde naar het oosten.
De klokken die de dag aankondigden hadden nauwelijks weer geluid, een paskwil in de nog steeds heersende duisternis, toen hij in de verte vuren zag ontbranden, in de vage ruimten waar de muren van de Pelennor stonden. De schildwachten sloegen alarm en alle mannen in de Stad gordden hun wapens om. Telkens weer kwam er een rode flits, en langzaam kon men door de zware lucht dof gerommel horen.
‘Ze hebben de muur veroverd!’ riep men. ‘Ze slaan er bressen in. Ze komen eraan!’
‘Waar is Faramir?’ riep Beregond vol ontzetting uit. ‘Zeg niet dat hij gevallen is!’
Het was Gandalf, die de eerste berichten bracht. Met een handjevol Ruiters kwam hij in het midden van de ochtend als escorte met een rij wagens meerijdend. Ze waren vol gewonden, de enigen die uit de ruïnes van de Forten aan de Straatweg waren gered. Hij ging meteen naar Denethor. De Heer van de Stad zat nu in een hoog vertrek boven de Zaal van de Witte Toren met Pepijn aan zijn zijde; en door de schemerige ramen, noord, zuid en oost, richtte hij zijn donkere ogen alsof hij de schaduwen van het noodlot die hem omringden wilde doorboren. Maar het meeste keek hij naar het noorden, en zweeg af en toe om te luisteren, alsof zijn oren door een oude kunst het gedonder van hoeven op de verre vlakten konden horen.
‘Is Faramir teruggekeerd?’ vroeg hij.
‘Nee,’ zei Gandalf, ‘maar hij leefde nog toen ik hem verliet. Hij is vastbesloten bij de achterhoede te blijven, opdat de terugtocht over de Pelennor geen chaos wordt. Misschien kan hij zijn manschappen lang genoeg bij elkaar houden, maar ik betwijfel het. Hij staat tegenover een te grote vijandelijke overmacht. Want er is iemand gekomen die ik vreesde.’
‘Toch niet – niet de Zwarte Vorst?’ riep Pepijn uit, die in zijn angst zijn plaats vergat.
Denethor lachte bitter. ‘Nee, nog niet, meester Peregrijn! Hij zal alleen komen om over mij te triomferen wanneer alles is gewonnen. Hij gebruikt anderen als zijn wapens. Dat doen alle grote heren als ze wijs zijn, meester halfling. Waarom zou ik hier anders in mijn toren zitten denken, kijken en wachten, en zelfs mijn zonen opofferen? Want ik kan nog altijd een zwaard hanteren!’
Hij stond op en sloeg zijn lange zwarte mantel open, en zie! Daaronder was hij in maliën gekleed en omgord met een lang zwaard, met een groot gevest in een schede van zwart en zilver. ‘Zo heb ik rondgelopen en zo heb ik nu al vele jaren lang geslapen,’ zei hij, ‘opdat het lichaam met de komst van de ouderdom niet week en bangelijk zou worden.’
‘Maar nu, onder de Heer van de Barad-dûr, heeft de wreedste van al zijn aanvoerders uw buitenste muren al overmeesterd,’ zei Gandalf. ‘Koning van Angmar langgeleden: tovenaar, Ringgeest, Heer van de Nazgûl, een speer van verschrikking in de hand van Sauron, schaduw van wanhoop.’
‘Dan, Mithrandir, had u een vijand die tegen u opgewassen was,’ zei Denethor. ‘Wat mijzelf betreft, lange tijd heb ik geweten wie de hoofdaanvoerder van de legers van de Zwarte Toren is. Bent u alleen maar teruggekomen om mij dit te vertellen? Of hebt u zich misschien teruggetrokken omdat u uw meerdere hebt gevonden?’
Pepijn beefde en vreesde dat Gandalf in plotselinge woede zou ontsteken, maar zijn vrees was onnodig. ‘Misschien,’ zei Gandalf zacht. ‘Maar onze krachtmeting is nog niet gekomen. En als woorden die vroeger werden gesproken waar zijn, zal hij niet door een mensenhand vallen, maar het lot dat hem wacht is voor de Wijzen verborgen. Hoe het ook zij, de Kapitein van de Wanhoop rukt niet op, nog niet. Hij regeert liever, in overeenstemming met de wijsheid die u zojuist hebt gesproken, vanuit de achterhoede, zijn slaven waanzinnig voor zich uit drijvend.
Nee, ik ben eigenlijk gekomen om de gewonden te bewaken die nog kunnen worden genezen; want de Rammas is op vele plaatsen doorbroken, en weldra zal het leger van Mordor er op vele punten naar binnen trekken. En ik ben voornamelijk gekomen om dit te zeggen. Er zal weldra op de velden slag worden geleverd. Een uitval moet worden voorbereid. Laat die door ruiters uitvoeren. Hierin ligt onze kortstondige hoop, want slechts in één opzicht is de Vijand nog steeds slecht uitgerust: hij heeft weinig ruiters.’