‘En wij hebben er ook weinig. Nu zou de komst van Rohan net op tijd zijn,’ zei Denethor.
‘Wij zullen waarschijnlijk eerst andere nieuwelingen zien,’ zei Gandalf. ‘Vluchtelingen uit Cair Andros hebben ons al bereikt. Het eiland is gevallen. Er is nóg een leger uit de Zwarte Poort gekomen, dat van het noordoosten oversteekt.’
‘Sommigen hebben u ervan beschuldigd, Mithrandir, dat u het heerlijk vindt om slecht nieuws te brengen,’ zei Denethor, ‘maar voor mij is dit geen nieuws meer; ik wist het al voor het vallen van de avond gisteren. Wat de uitval betreft, daar had ik al over gedacht. Laat ons naar beneden gaan.’
De tijd verstreek. Eindelijk konden de wachters op de muren de terugtocht van de compagnieën te velde zien. Troepjes afgematte en veelal gewonde mannen kwamen eerst, nogal wanordelijk; sommigen renden wild alsof zij achternagezeten werden. In oostelijke richting flakkerden de verre vuren; en nu scheen het dat zij hier en daar over de vlakte kwamen gekropen. Huizen en schuren stonden in brand. Toen kwamen er op vele punten kleine rivieren van rode vlammen aangesneld, die zich door de duisternis slingerden en samenkwamen bij de lijn van de brede weg die van de Stadspoort naar Osgiliath liep.
‘De vijand,’ werd er gemompeld. ‘De dijk is vernield. Zij komen door de bressen gestroomd! En ze dragen fakkels, schijnt het. Waar zijn onze eigen mensen?’
Het begon nu volgens de tijdrekening naar de avond te lopen en het licht was zo flauw, dat zelfs scherpziende mannen in de Citadel weinig duidelijk op de velden konden onderscheiden, behalve de branden die zich nog steeds vermenigvuldigden, en de lijne n vuur, die zowel in lengte als in snelheid toenamen. Ten slotte dook er op nog geen drie mijl van de stad een ordelijker troep mannen op, die marcheerden in plaats van te rennen en nog steeds bij elkaar waren. De kijkers hielden de adem in. ‘Faramir moet erbij zijn,’ zeiden ze. ‘Hij kan mens en dier leiden. Hij zal het toch halen.’
De aftocht speelde zich voornamelijk nog geen vierhonderd meter verder af. Uit de duisternis daarachter galoppeerde een kleine ruitercompagnie, het enige dat er van de achterhoede over was. Opnieuw maakten zij rechtsomkeert om zich teweer te stellen, en stonden tegenover de naderende vuurlinies. Toen, ineens, was er een tumult van felle kreten. Vijandelijke ruiters kwamen aanstormen. De vuurlinies werden vloeiende stromen; rij na rij orks die vuur droegen, en wilde Zuiderlingen met rode banieren, die in rauwe talen schreeuwden en aanstormden en de terugtrekkenden inhaalden. En met een doordringende kreet vielen de gevleugelde schaduwen uit de duistere hemel, de Nazgûl, neerschietend om te doden.
De terugtocht werd wanordelijk. Mannen liepen al weg, wild en radeloos, her- en derwaarts vluchtend, terwijl ze hun wapens weggooiden, het van angst uitschreeuwden en op de grond vielen.
Maar toen werd op de Citadel een trompet gestoken, en Denethor liet de uitval eindelijk beginnen. Opgesteld in de schaduw van de Poort en onder de opdoemende muren buiten, hadden zij op zijn signaal staan wachten: alle bereden mannen die in de Stad waren achtergebleven. Nu sprongen zij in formatie naar voren, gingen over in een galop, en vielen met een luide kreet aan. En van de muren steeg een kreet in antwoord op: want als eersten op het veld reden de zwanenridders van Dol Amroth met hun Prins en zijn blauwe banier voorop.
‘Amroth voor Gondor!’ riepen zij uit. ‘Amroth naar Faramir!’ Met donderend geweld stortten zij zich op de vijand, aan beide kanten van de terugtrekkende troepen; maar één ruiter liet alle anderen achter zich, snel als de wind in het gras: Schaduwvacht droeg hem, schitterend, opnieuw ongesluierd, terwijl een licht omhoogschoot uit zijn opgeheven hand.
De Nazgûl krijsten en wiekten weg, want hun Aanvoerder was nog niet gekomen om het witte vuur van zijn vijand uit te dagen. De legers van Morgul, geconcentreerd op hun prooi, en bij verrassing in wilde ren overvallen, verbraken hun rijen, zich als vonken in een storm verspreidend. De compagnieën te velde keerden met luid gejuich om en sloegen op hun achtervolgers in. Jagers werden de prooi. De terugtocht ging in een aanval over. Het veld lag bezaaid met gesneuvelde orks en mensen, en er steeg een stank op van weggeworpen fakkels, die in kringelende rook lagen uit te doven. De cavalerie reed verder.
Maar Denethor stond hun niet toe om ver te gaan. Hoewel de vijand tot staan was gebracht en tijdelijk was teruggedreven, kwamen er sterke strijdkrachten uit het oosten aanstromen. Weer schalde de trompet die de terugtocht blies. De cavalerie van Gondor bleef staan. Achter hun scherm hergroepeerden de compagnieën te velde zich. Nu kwamen zij ordelijk terugmarcheren. Zij bereikten de Stadspoort en gingen naar binnen, trots stappend; en trots keek de bevolking van de Stad naar hen en riep hun woorden van lof toe, maar toch waren zij in hun hart verontrust. Want de compagnieën waren sterk uitgedund. Faramir had een derde van zijn manschappen verloren. En waar was hijzelf?
Hij kwam het laatst van allen. Zijn mannen gingen naar binnen. De ridders te paard keerden terug, met in hun achterhoede de banier van Dol Amroth en de Prins. En in zijn armen voor zich op zijn paard droeg hij het lichaam van zijn bloedverwant, Faramir, zoon van Denethor, op het slagveld gevonden.
‘Faramir! Faramir!’ riep men wenend in de straten. Maar hij gaf geen antwoord, en zij droegen hem de slingerende weg op naar de Citadel en zijn vader. Toen de Nazgûl opzij waren gezwenkt om de aanval van de Witte Ruiter te ontwijken, kwam er een dodeli jke pijl gevlogen en Faramir was, terwijl hij zich een krijger te paard uit Harad van het lijf had gehouden, ter aarde gestort. Alleen de uitval van Dol Amroth had hem van de rode zuidelijke zwaarden gered, die op hem zouden hebben ingehakt terwijl hij daar lag.
Prins Imrahil bracht Faramir naar de Witte Toren en hij zei: ‘Uw zoon is teruggekeerd, Heer, na grote daden te hebben verricht,’ en hij vertelde alles dat hij had gezien. Maar Denethor stond op en keek op het gezicht van zijn zoon neer en zweeg. Toen v roeg hij hun een bed in de kamer te maken en Faramir erop te leggen en dan heen te gaan. Maar hijzelf ging alleen naar boven naar de geheime kamer onder de top van de Toren; en velen die op die tijd omhoogkeken, zagen een flets licht dat een tijdlang door de smalle ramen glansde en flikkerde, en toen flitste en uitging. En toen Denethor weer afdaalde, ging hij naar Faramir en ging zonder te spreken naast hem zitten, maar het gezicht van de Heer was grauw, doodser nog dan dat van zijn zoon.
Nu was de Stad ten slotte belegerd, ingesloten in een kring van vijanden. De Rammas was gebroken, en heel de Pelennor aan de Vijand overgeleverd. Het laatste nieuws dat van buiten de muren kwam, werd gebracht door mannen die langs de noordelijke weg vluchtten voor de Poort gesloten werd. Zij waren de overlevenden van de wacht die was opgesteld op het punt waar de weg van Anórien en Rohan de stadslanden binnenliep. Ingold voerde hen aan, dezelfde die Gandalf en Pepijn nog geen vijf dagen geleden had binnengelaten toen de zon nog opging en de ochtend hoopvol was.
‘Er is geen nieuws van de Rohirrim,’ zei hij. ‘Rohan zal nu niet komen. Of als zij komen, zal het ons niet baten. Het nieuwe leger waarover wij bericht ontvingen, is ’t eerst gekomen, van de overkant van de Rivier via Andros, zegt men. Zij zijn sterk: orkbataljons van het Oog en talloze compagnieën van een nieuw soort mensen, waar we nog nooit eerder mee te maken hebben gehad. Niet groot, maar breed en ernstig, met baarden als dwergen en gewapend met grote bijlen. Wij vermoeden dat zij uit een of ander woest land uit het uitgestrekte oosten komen. Zij houden de noordelijke weg bezet; en velen zijn Anórien binnengetrokken. De Rohirrim kunnen niet komen.’
De Poort was gesloten. De hele nacht hoorden de schildwachten op de muren het gerucht van de vijand, die buiten rondliep, veld en boom verbrandend en op iedereen die zij buiten aantroffen inhakkend, levend of dood. De aantallen die de Rivier al waren overgestoken, waren niet te schatten in de duisternis, maar toen de ochtend, of de blauwe afschaduwing ervan, over de vlakte kroop, zag men dat zelfs nachtelijke angst hun getal nauwelijks had overschat. De vlakte was zwart van hun marcherende compagnieën, en zo ver het oog in de schemering reikte, verrezen rondom de belegerde Stad grote tentenkampen, zwart of somber rood, als een smerige woekering van zwammen.