Ver achter het slagveld was snel een brug over de Rivier geslagen, en de hele dag waren er meer manschappen en oorlogstuig over gestroomd. Nu, halverwege de nacht, ontbrandde de slag eindelijk in volle hevigheid. De voorhoede ging door de loopgraven van vuur langs vele kronkelende wegen die ertussen waren opengelaten. Zij kwamen eraan gestormd, zonder zich zorgen te maken over de verliezen toen zij dichterbij kwamen, nog steeds in troepen en horden, binnen het bereik van de boogschutters op de muur. Maar er waren er nu eigenlijk te weinig overgebleven om hun grote verliezen toe te brengen, hoewel het licht van de vuren menig doelwit te zien gaf voor zulke bekwame boogschutters als waarop Gondor eens prat was gegaan. Toen zij merkten dat de dapperheid van de Stad al was neergeslagen, ontplooide de onzichtbare Aanvoerder zijn kracht.
Langzaam rolden de grote belegeringstorens die in Osgiliath waren gebouwd door het donker naar voren.
Opnieuw kwamen boodschappers naar het vertrek in de Witte Toren, en Pepijn liet hen binnen, want zij drongen aan. Denethor wendde het hoofd langzaam van Faramirs gezicht af en keek hen zwijgend aan.
‘De eerste kring van de Stad staat in brand, heer,’ zeiden ze. ‘Wat zijn uw bevelen? U bent nog altijd de Heer en Stadhouder. Niet allen willen Mithrandir volgen. Manschappen vluchten van de muren en laten ze onbemand achter.’
‘Waarom? Waarom vluchten de dwazen?’ vroeg Denethor. ‘Het is beter vlug te branden dan laat, want branden moeten wij. Ga terug naar je vreugdevuur! En ik? Ik ga nu naar mijn brandstapel. Naar mijn brandstapel! Geen graftombe voor Denethor en Faramir. Geen graf! Geen lange, trage, gebalsemde doodsslaap. Wij zullen branden als heidense koningen voor ooit een schip uit het westen hierheen voer. Het westen heeft gefaald. Ga terug en brand!’
De boodschappers keerden zich zonder buiging of antwoord om en vluchtten.
Nu stond Denethor op en liet de koortsachtige hand van Faramir, die hij had vastgehouden, los. ‘Hij brandt, brandt al,’ zei hij droevig. ‘Het huis van zijn geest stort in.’ Toen liep hij zacht naar Pepijn en keek op hem neer.
‘Vaarwel!’ zei hij. ‘Vaarwel, Peregrijn, zoon van Paladijn! Je dienstverband is maar kort geweest en loopt nu ten einde. Ik ontsla je van de weinige tijd die overblijft. Ga nu, en sterf op de manier die jou het beste voorkomt. En met wie je wilt, ook al is het die vriend wiens dwaasheid je tot deze dood heeft gebracht. Roep mijn dienaren en ga dan. Vaarwel.’
‘Ik wil geen vaarwel zeggen, mijn heer,’ zei Pepijn, terwijl hij knielde. En toen plotseling, ineens weer als een hobbit, stond hij op en keek de oude man in de ogen. ‘Ik zal uw verlof aanvaarden, heer,’ zei hij, ‘want ik wil Gandalf heel graag zien. Maar hij is geen dwaas en ik wil niet aan sterven denken voordat hij wanhoopt aan het leven. Maar zolang u leeft wil ik niet van mijn woord en uit uw dienst worden ontslagen. En als zij ten slotte de Citadel binnendringen hoop ik hier te zijn en aan uw zijde te staan en misschien te bewijzen dat ik de wapens die u mij hebt gegeven waard ben.’
‘Doe wat je wilt, meester halfling,’ zei Denethor. ‘Maar mijn leven is gebroken. Laat mijn dienaren komen!’ Hij wendde zich weer tot Faramir.
Pepijn verliet hem en riep de dienaren en zij kwamen: zes mannen van de lijfwacht, sterk en knap; toch beefden zij toen zij werden ontboden. Maar op rustige toon vroeg Denethor hun warme dekens op Faramirs bed te leggen en het op te tillen. En dat deden ze; zij tilden het op en droegen het de kamer uit. Ze liepen langzaam om de koortsige man zo weinig mogelijk te storen, en Denethor, die nu op een staf leunde, volgde hen; en als laatste kwam Pepijn.
Zij liepen de Witte Toren uit, als naar een begrafenis, de duisternis in, waar het laaghangende wolkendek van onderen werd verlicht door het geflakker van dof rood. Zacht liepen zij over het grote plein, en op bevel van Denethor bleven zij naast de Verdorde Boom staan.
Alles was stil, behalve het oorlogsrumoer in de Stad beneden, en zij hoorden het water droef van de dode takken in de donkere poel druppelen. Toen gingen zij verder door de Poort van de Citadel, waar de schildwacht hen verbaasd en ontsteld aanstaarde toen zij voorbijkwamen. Naar het westen afslaand kwamen zij ten slotte bij een deur in de achterste muur van de zesde kring. Fen Hollen werd deze genoemd, want zij werd altijd dichtgehouden behalve ten tijde van een begrafenis, en alleen de Heer van de Stad mocht die weg gebruiken, of zij die het insigne van de graven droegen en de Huizen van de Doden verzorgden. Daarachter liep een slingerende weg, die met vele bochten afdaalde naar de smalle landstrook onder de schaduw van de steile rotswand van de Mindolluin, waar de Huizen van de dode Koningen en hun Stadhouders stonden.
Een portier zat in een klein huis naast de weg, en met angst in zijn ogen kwam hij tevoorschijn, een lantaarn in de hand dragend. Op bevel van de Heer ontsloot hij de deur en liet haar geruisloos openvallen; zij gingen erdoor nadat zij de lantaarn van hem hadden overgenomen. Het was donker op de stijgende weg tussen de oude muren en door vele zuilen ondersteunde balusters, die in de zwaaiende straal van de lantaarn opdoemden. Hun trage voetstappen weerkaatsten toen zij afdaalden, lager en lager, tot zij eindelijk bij de Stille Straat, Rath Dínen, kwamen, tussen fletse koepels en lege zalen en beelden van lang gestorven mensen; en zij gingen het Huis van de Stadhouders binnen en zetten hun last neer.
Daar zag Pepijn, terwijl hij onrustig om zich heen keek, dat hij zich in een grote gewelfde ruimte bevond, als het ware gedrapeerd met de grote schaduwen die de kleine lantaarn op de verhulde muren wierp. En vaag waren er vele rijen tafels, gehakt uit marmer, te onderscheiden; en op iedere tafel lag een slapende gedaante, de handen gevouwen, het hoofd rustend op een peluw van steen. Maar één tafel stond daar vlakbij breed en leeg. Op een teken van Denethor legden zij Faramir en zijn vader naast elkaar en bedekten hen met een laken en bleven toen met gebogen hoofden als rouwenden aan een doodsbed staan. Toen sprak Denethor met zachte stem.
Hier zullen wij wachten,’ zei hij. ‘Maar laat de balsemers niet komen. Breng ons hout dat vlug vlam vat, en leg het overal om ons heen en onder ons: en giet er olie over. En steek er een fakkel in wanneer ik daarom vraag. Doe dit en spreek niet meer tegen mij. Vaarwel!’
‘Met uw permissie, heer!’ riep Pepijn en hij draaide zich om en vluchtte ontzet uit het dodenhuis. Arme Faramir, dacht hij. Ik moet Gandalf zien te vinden. Arme Faramir! Waarschijnlijk heeft hij meer behoefte aan medicijnen dan aan tranen. O, waar kan ik Gandalf vinden? In het heetst van de strijd, vermoed ik; en hij zal geen tijd overhebben voor stervenden of waanzinnigen.
Bij de deur wendde hij zich tot een van de dienaren die daar op wacht was blijven staan. ‘Uw meester is zichzelf niet,’ zei hij. ‘Haast u niet. Breng geen vuur naar deze plek zolang Faramir nog leeft. Doe niets voordat Gandalf komt!’
‘Wie is de meester van Minas Tirith?’ antwoordde de man. ‘Heer Denethor of de Grijze Zwerver?’
‘De Grijze Zwerver of anders niemand, dunkt mij,’ zei Pepijn en hij rende zo snel zijn benen hem dragen konden weer de slingerende weg op, langs de verbaasde portier heen, de deur uit en verder tot hij bij de poort van de Citadel kwam. De schildwacht riep hem toen hij langskwam, en hij herkende de stem van Beregond.
‘Waar ren je heen, meester Peregrijn?’ riep hij uit.
‘Ik ben op zoek naar Mithrandir,’ antwoordde Pepijn.
‘De boodschappen van de Heer zijn dringend en behoren door mij niet te worden opgehouden,’ zei Beregond, ‘maar vertel me vlug als je kunt: wat is er aan de hand? Waar is mijn Heer heen gegaan? Ik ben juist op mijn post gekomen, maar ik hoorde dat hij naar de Gesloten Deur is gegaan, en dat mannen Faramir voor hem uit droegen.’
‘Ja,’ zei Pepijn, ‘naar de Stille Straat.’