Beregond boog het hoofd om zijn tranen te verbergen. ‘Ze zeiden dat hij stervende was,’ zei hij met een zucht, ‘en nu is hij dood.’
‘Nee,’ zei Pepijn, ‘nog niet. En ook nu nog kan zijn dood worden voorkomen, denk ik. Maar de Heer van de Stad, Beregond, is gevallen voordat zijn stad is ingenomen. Hij is bang en gevaarlijk.’ Vlug vertelde hij van Denethors vreemde woorden en daden. ‘Ik moet Gandalf onmiddellijk zien te vinden.’
‘Dan zul je je in het strijdgewoel moeten begeven.’
‘Dat weet ik. De Heer heeft mij permissie ertoe gegeven. Maar Beregond, als je kunt, doe dan iets om dit vreselijke gebeuren te verhinderen.’
‘De Heer staat hun die het zwart en zilver dragen niet toe om hun post om welke reden ook te verlaten, behalve op zijn bevel.’
‘Welnu, je moet kiezen tussen bevelen en het leven van Faramir,’ zei Pepijn. ‘En wat orders betreft, ik denk dat je met een gek te maken hebt, geen vorst. Ik moet rennen. Ik zal terugkomen als ik kan.’ Hij rende verder en verder naar de buitenkant van de stad. Mannen die wegvluchtten van de branden passeerden hem, en enkelen die zijn livrei zagen draaiden zich om en riepen hem iets toe, maar hij schonk er geen aandacht aan. Eindelijk was hij de Tweede Poort door, waarachter de grote vuren tussen de muren opflakkerden. Maar het scheen merkwaardig stil. Geen lawaai of oorlogskreten of wapengeweld was er te horen.
Plotseling klonk er een afschuwelijke kreet en een geweldige schok en een zware weergalmende bons. Hij dwong zich verder te gaan ondanks een aanval van angst en afgrijzen die hem bijna op zijn knieën bracht. Pepijn sloeg een hoek om die op een groot plein achter de Stadspoort uitkwam. Hij bleef stokstijf staan. Hij had Gandalf gevonden, maar hij deinsde terug en verborg zich in een schaduw.
Van middernacht af was de grote aanval verdergegaan. De trommels roffelden. In het noorden en zuiden rukte de ene compagnie na de andere naar de muren op. Er kwamen grote beesten als bewegende huizen in het rode en grillige licht, de mumakil van de Harad, die door de openingen tussen de vuren enorme torens en werktuigen zeulden. Maar hun Aanvoerder bekommerde zich niet erg om wat zij deden of hoeveel er misschien gedood zouden worden: hun enige doel was om de kracht van de verdediging op de proef te stellen en de mannen van Gondor op vele plaatsen bezig te houden. Tegen de Grote Poort zou hij zijn grootste macht in de strijd werpen. Die zou weleens heel sterk kunnen zijn, gemaakt van staal en ijzer, en bewaakt door torens en bastions van onverwoestbare steen, maar toch was het de sleutel, het zwakste punt van heel die hoge, ondoordringbare muur.
De trommels roffelden luider. Vuren sprongen op. Grote werktuigen rolden langzaam over het veld, met in het centrum een enorme ram, groot als een boom, honderd voet lang, die aan machtige kettingen heen en weer zwaaide. Lang had men eraan gesmeed in de zwarte smidsen van Mordor, en de afzichtelijke kop, van zwart staal, was gevormd naar het beeld van een hongerige wolf: hij zag er onheilspellend uit. Grond werd hij genoemd, ter herinnering aan de Hamer van de Onderwereld van weleer. Hij werd door grote beesten getrokken en door orks omringd; erachter liepen bergtrollen om hem te bedienen.
Maar rond de Poort was het verzet nog sterk, want daar stelden de ridders van Dol Amroth en de sterksten van het garnizoen zich teweer. Het regende projectielen en pijlen; belegeringstorens bezweken of ontvlamden plotseling als fakkels. Overal voor de muren aan weerskanten van de Poort lag de grond bezaaid met wrakstukken en met lijken van de gevallenen; maar als door waanzin gedreven kwamen er steeds meer bij.
Grond kroop verder. De dekplaten waren tegen vuur bestand; en hoewel af en toe een van de grote beesten die hem voorttrokken buiten zinnen raakte en stampend verderf zaaide onder de ontelbare orks die hem bewaakten, werden hun lijken van het pad af gegooid terwijl andere hun plaatsen innamen.
Grond rolde langzaam verder. De trommels roffelden wild. Over de heuvels van gevallenen verscheen een afzichtelijke gedaante: een ruiter, groot, met een kap op het hoofd en een zwarte mantel. Langzaam reed hij verder, waarbij hij de gevallenen vertrapte en zich niet langer om pijlen bekommerde. Hij bleef staan en hield een lang dof zwaard omhoog. En terwijl hij dat deed werden allen, zowel verdedigers als vijanden, door een grote angst overvallen; en de handen van de mensen vielen langs hun zijden neer en geen boog zoefde. Een ogenblik was alles stil.
De trommels roffelden en ratelden. Met een grote zwaai werd Grond door enorme handen naar voren geslingerd. Hij bereikte de Poort. Hij zwaaide. Een luide bons dreunde door de stad als donder door de wolken. Maar de deuren van ijzer en stijlen van staal weerstonden de klap.
Toen ging de Zwarte Aanvoerder in de stijgbeugels staan en riep luid iets met een afschuwelijke stem, en sprak in een of andere vergeten taal woorden van macht en verschrikking die hart en steen verscheurden.
Drie keer riep hij. Drie keer bonsde de grote ram. En plotseling, bij de laatste slag, begaf de Poort van Gondor het. Als getroffen door een verwoestende toverformule barstte hij uit elkaar: er was een verzengende bliksemschicht, en de deuren vielen in stukken op de grond.
De Heer van de Nazgûl reed naar binnen. Als een zwarte gestalte tegen de achtergrond van de vuren doemde hij op, uitgegroeid tot een enorme dreiging van wanhoop. Naar binnen reed de Heer van de Nazgûl onder de boog die geen vijand ooit eerder was doorgegaan, en allen vluchtten voor zijn aangezicht.
Allen, behalve één. Daar, zwijgend en roerloos wachtend in de ruimte voor de Poort, zat Gandalf op Schaduwvacht: Schaduwvacht, die als enige van de vrije paarden op aarde de verschrikking doorstond, roerloos, standvastig als een gebeeldhouwd dier in Rath Dínen.
‘Je kunt hier niet binnengaan,’ zei Gandalf, en de enorme schaduw bleef staan. ‘Ga terug naar de afgrond die je wacht. Ga terug! Val in het niets dat jou en je Meester wacht. Ga!’
De Zwarte Ruiter gooide zijn kap achterover, en zie! Hij droeg een koningskroon, maar toch stond die niet op een zichtbaar hoofd. De rode vuren schenen tussen de kroon en de enorme donkere bemantelde schouders door. Uit een onzichtbare mond klonk een dodelijke lach.
‘Oude dwaas!’ zei hij. ‘Oude dwaas! Dit is mijn uur. Herken je de Dood niet wanneer je hem ziet? Sterf nu en vloek tevergeefs.’
En hierop hief hij zijn zwaard hoog op en vlammen liepen langs het staal.
Gandalf bewoog zich niet. Maar op datzelfde ogenblik, ergens achter op een binnenplaats in de Stad, kraaide een haan. Schril en klaar kraaide hij, onbekommerd door tovenarij of oorlog, alleen maar de ochtend begroetend die in de hemel, hoog boven de schaduwen van de dood, met de dageraad kwam.
En als in antwoord kwam van ver nog een geluid. Hoorns, hoorns, hoorns. Zij weerkaatsten zwak tegen de wanden van de donkere Mindolluin. Grote hoorns uit het Noorden die wild schalden. Rohan was eindelijk gekomen.
V. De rit van de Rohirrim
Het was donker en Merijn kon niets zien toen hij in een deken gerold op de grond lag; toch, hoewel de nacht stil was zonder een zuchtje wind, hoorde hij overal om zich heen de onzichtbare bomen zacht ritselen. Hij hief zijn hoofd op. Toen hoorde hij het weer: een geluid als van doffe trommels in de beboste heuvels en bergen. Het geroffel hield soms ineens op en ging dan weer op een ander punt verder, nu weer dichterbij, dan weer verder weg. Hij vroeg zich af of de wachters het hadden gehoord.
Hij kon ze niet zien, maar hij wist dat overal om hem heen de compagnieën van de Rohirrim waren. Hij kon de paarden in het donker ruiken en kon hun bewegingen en hun zachte stampen op de met naalden bedekte grond horen. Het leger bivakkeerde in de dennenbossen die dicht om het Baken van Eilenach heen stonden, een grote heuvel die oprees uit de lange ruggen van het Druadanwoud dat naast de grote weg in Oost-Anórien lag.
Moe als hij was kon Merijn toch de slaap niet vatten. Hij had nu vier dagen achtereen gereden, en de steeds dichter wordende duisternis had zijn hart langzaam bedrukt. Hij begon zich af te vragen waarom hij er zo happig op was geweest om mee te gaan, terwijl hem ieder voorwendsel was gegeven, zelfs het bevel van zijn Heer, om achter te blijven. Hij vroeg zich ook af of de oude Koning wist dat hij hem niet had gehoorzaamd en boos was. Misschien niet. Er scheen een of andere afspraak tussen Dernhelm en Elfhelm te zijn, de Maarschalk die het bevel voerde over de éored waarin zij meereden. Hij en al zijn manschappen negeerden Merijn en deden alsof zij het niet hoorden wanneer hij sprak. Hij had eenvoudig een extra stuk bagage kunnen zijn dat Dernhelm droeg. Dernhelm was geen steun: hij sprak nooit met iemand. Merijn voelde zich klein, ongewenst en eenzaam. Het was nu een angstige tijd en het leger was in gevaar. Zij waren minder dan een dag rijden van de buitenste muren van Minas Tirith die de stadslanden omringden. Verkenners waren vooruitgestuurd. Sommigen waren niet teruggekeerd. Anderen die zich terug spoedden, hadden gemeld dat hun weg door een sterke legermacht werd versperd. Een vijandelijk leger had er zijn kamp opgeslagen, zes mijl ten westen van de Amon Dîn, en een aanzienlijke legermacht rukte al langs de weg op en was nog geen negen mijl weg. Er zwierven orks door de heuvels en bossen langs de kant van de weg. De koning en Éomer beraadslaagden tijdens de nachtwaken.