Выбрать главу

Merijn wilde dat hij iemand had om mee te praten, en hij moest aan Pepijn denken. Maar dat maakte hem alleen maar nog rustelozer. Arme Pepijn, opgesloten in die grote stenen stad, eenzaam en bang. Merijn wilde dat hij een grote Ruiter was, net als Éomer, en op een hoorn of iets dergelijks kon blazen, en hem te hulp snellen. Hij ging rechtop zitten om te luisteren naar de trommels, die weer roffelden, nu dichterbij. Weldra hoorde hij stemmen zacht praten, en zag vaag half omfloerste lantaarns tussen de bomen door gaan. In de buurt begonnen mensen aarzelend in het donker te bewegen. Er doemde een grote figuur op, die over hem struikelde en de boomwortels vervloekte. Hij herkende de stem van de Maarschalk, Elfhelm.

‘Ik ben geen boomwortel, Heer,’ zei hij, ‘maar een gekneusde hobbit. Het minste dat u kunt doen om het goed te maken is mij te zeggen wat er aan de hand is.’

‘Alles wat er maar aan de hand kan zijn in dit duivelsduister,’ antwoordde Elfhelm. ‘Maar mijn heer laat weten dat wij ons in gereedheid moeten brengen: er kan een bevel komen voor een plotseling vertrek.’

‘Komt de vijand er dan aan?’ vroeg Merijn angstig. ‘Zijn dat hun trommels? Ik begon te denken dat ik het mij verbeeldde omdat niemand anders er enige notitie van scheen te nemen.’

‘Nee, nee,’ zei Elfhelm, ‘de vijand is op de weg, niet in de heuvels. Wat je hoort zijn de Wozen, de Wilde Bosmensen: zo spreken zij over verre afstanden met elkaar. Zij waren nog in het Druadanwoud rond, zegt men. Zij zijn overblijfselen uit een oudere tijd, met weinigen en heimelijk levend, wild en voorzichtig als de dieren. Zij maken geen oorlog met Gondor of de Mark; maar nu zijn zij verontrust door de duisternis en de komst van de orks; zij zijn bang dat de Zwarte Jaren terugkomen, wat maar al te waarschijnlijk is. Laat ons dankbaar zijn dat ze het niet op ons gemunt hebben, want ze gebruiken giftige pijlen, beweert men, en ze hebben een ongeëvenaarde kennis van het woud. Maar zij hebben Théoden hun diensten aangeboden. Op dit ogenblik is een van hun opperhoofden in gesprek met de koning. Daar gaan de lichtjes. Dat heb ik gehoord; meer niet. En nu moet ik mij met de bevelen van de koning bezighouden.’ Hij verdween in de schaduw.

Merijn vond al dit gepraat over wilde mensen en giftige pijlen niet erg prettig, maar afgezien daarvan drukte een zwaar gevoel van angst op hem. Wachten was onverdraaglijk. Hij verlangde ernaar te weten wat er zou gebeuren. Hij stond op en liep gauw behoedzaam achter de laatste lantaarn aan voordat deze tussen de bomen verdween.

Weldra kwam hij bij een open plek waar een kleine tent voor de Koning onder een grote boom was opgezet. Een grote lantaarn, vanboven bedekt, hing aan een tak en wierp een fletse lichtkring op de grond. Daar zaten Théoden en Éomer, en voor hen op de grond hurkte een vreemde menselijke gedaante, knoestig als een oude boomstronk, en de haren van zijn dunne baard sproten als droog mos uit zijn knobbelige kin. Hij had korte benen en dikke armen, dik en stomp, en zijn enige kledij bestond uit wat gras om zijn middel. Merijn voelde dat hij hem ergens eerder had gezien en herinnerde zich plotseling de Púkelmannen uit Dunharg. Hier was een van die oude standbeelden tot leven gekomen, of misschien een schepsel dat in rechte lijn door de eindeloze jaren afstamde van de modellen die door de vergeten beeldhouwers langgeleden waren gemaakt.

Er heerste stilte toen Merijn naderbij kroop, maar toen begon de Wilde Man te spreken, antwoordend op een vraag, naar het scheen. Zijn stem was diep en keelachtig, maar tot Merijns verbazing sprak hij de Gemeenschappelijke Taal, hoewel op een hakkelende manier, en er waren zonderlinge woorden bij.

‘Nee, vader van Paardenmensen,’ zei hij, ‘wij vechten niet. Jagen alleen. Doden gorgûn in bossen, haten orklieden. U haat gorgûn ook. Wij helpen als we kunnen. Wilde Mannen hebben lange oren en lange ogen; kennen alle paden. Wilde Mannen wonen hier voor Steenhuizen; voor Grote Mensen hier komen van over Water.’

‘Maar wij hebben hulp in de strijd nodig,’ zei Éomer. ‘Hoe kunnen u en uw volk ons helpen?’

‘Nieuws brengen,’ zei de Wilde Man. ‘Wij kijken uit van de heuvels. Wij beklimmen grote berg en kijken naar beneden. Steenstad is dicht. Vuur brandt daarbuiten; nu ook binnen. Wilt u daarheen? Dan moet u vlug zijn. Maar gorgûn en mensen van ver weg’ – hij wuifde met een korte knokige arm in oostelijke richting – ‘zitten op paardenweg. Heel veel, meer dan Paardenmensen.’

‘Hoe weet u dat?’ vroeg Éomer.

Het platte gezicht van de oude man en de donkere ogen verrieden niets, maar zijn stem klonk dof van misnoegen. ‘Wilde Mannen zijn wild, vrij, maar geen kinderen,’ antwoordde hij. ‘Ik ben grote opperhoofd, Ghân-buri-Ghân. Ik tel vele dingen: sterren in hemel, bladeren aan bomen, mensen in het donker. U bent met twintig keer twintigtallen en dat vijftien keer. Zij zijn met meer. Groot gevecht, maar wie zal winnen? En nog veel meer lopen er om de muren van Steenhuizen.’

‘Helaas, hij spreekt al te schrander,’ zei Théoden. ‘En onze verkenners zeggen dat zij loopgraven en versperringen op de weg hebben aangebracht. Wij kunnen ze niet in een plotselinge aanval wegvagen.’

‘En toch moeten wij grote haast maken,’ zei Éomer. ‘Mundburg staat in brand!’

‘Laat Ghân-buri-Ghân uitspreken!’ zei de Wilde Man. ‘Meer dan één weg kent hij. Hij zal u leiden langs weg waar geen vallen zijn, geen gorgûn gaan, alleen maar Wilde Mannen en beesten. Vele paden werden gemaakt toen Steenhuisvolk sterker was. Zij hakten heuvels uit zoals jagers dierenvlees snijden. Wilde Mannen geloven dat zij stenen als voedsel aten. Zij gingen met grote wagens door Druadan naar Rimmon. Zij gaan niet langer. Weg is vergeten, maar niet door Wilde Mannen. Over heuvel en achter heuvel ligt hij nog onder gras en boom, daarachter Rimmon en omlaag naar Dîn, en aan het einde terug naar weg van Paardenmensen. Wilde Mannen zullen u die weg wijzen. Dan zult u gorgûn doden en boze donker met vlammend ijzer verdrijven, en Wilde Mannen kunnen weer gaan slapen in de wilde bossen.’

Éomer en de Koning spraken met elkaar in hun eigen taal. Ten slotte richtte Théoden zich tot de Wilde Man. ‘We zullen uw aanbod aannemen,’ zei hij. ‘Want hoewel wij een leger vijanden achterlaten, wat hindert dat? Als de Steenstad valt, zal er geen weg terug zijn. Als zij gered wordt, dan zal het orkleger zelf afgesneden zijn. Als u trouw bent, Ghân-buri-Ghân, zullen wij u rijkelijk belonen, en u zult voor altijd de vriendschap van de Mark bezitten.’

‘Dode mensen zijn geen vrienden van levende mensen, en geven hun geen geschenken,’ zei de Wilde Man. ‘Maar als u na de Duisternis nog leeft, laat dan de Wilde Mannen in de bossen met rust en jaag niet langer op ze alsof ze wilde beesten zijn. Ghân-buri-Ghân zal u niet in de val lokken. Hij zal zelf met vader van Paardenmensen meegaan, en als hij u verkeerd leidt, kunt u hem doden.’