Выбрать главу

‘Het zij zo!’ zei Théoden.

‘Hoelang zal het duren om langs de vijand heen te gaan en weer op de weg te komen?’ vroeg Éomer. ‘Wij moeten stapvoets gaan als u ons leidt, en de weg zal ongetwijfeld smal zijn.’

‘Wilde Mannen gaan snel te voet,’ zei Ghân. ‘Weg is vier paarden breed in Steenwagendal ginds’ – hij wuifde met zijn hand naar het zuiden – ‘maar smal aan het begin en einde. Wilde Man zou van hier naar Dîn kunnen lopen tussen zonsopgang en middag.’

‘Dan moeten we de leiders minstens zeven uur geven,’ zei Éomer, ‘maar we moeten eerder op een uur of tien voor allen rekenen. Misschien zullen onvoorziene dingen ons ophouden, en als ons leger in een lange rij moet gaan, zal het lang duren voor het kan worden opgesteld wanneer wij uit de heuvels komen. Hoe laat is het nu?’

‘Wie zal het weten?’ vroeg Théoden. ‘Het is helemaal nacht.’

‘Het is helemaal donker, maar het is niet helemaal nacht,’ zei Ghân. ‘Als Zon komt voelen wij haar, zelfs wanneer zij verborgen is. Zij gaat al op over Oostbergen. Het is het begin van dag in de hemelvelden.’

‘Dan moeten we zo gauw mogelijk op weg gaan,’ zei Éomer. ‘Maar toch kunnen wij niet hopen dat wij Gondor vandaag nog te hulp kunnen komen.’

Merijn wachtte niet langer om meer te vernemen, maar sloop weg om zich klaar te maken voor het bevel op weg te gaan. Dit was de laatste fase voor de slag. Het leek hem niet waarschijnlijk dat velen die zouden overleven. Maar hij dacht aan Pepijn en de vlammen in Minas Tirith en onderdrukte zijn eigen angst.

Alles verliep goed die dag, en zij zagen of hoorden niets van de Vijand die wachtte om hen te onderscheppen. De Wilde Mannen hadden een scherm van behoedzame jagers uitgezet, zodat geen ork of zwervende spion iets over de bewegingen in de heuvels te weten zou komen. Het licht was flauwer dan ooit toen zij dichter bij de belegerde Stad kwamen, en de Ruiters trokken in lange rijen als donkere schaduwen van mannen en paarden voorbij. Elke compagnie werd door een wilde bosman geleid; maar de oude Ghân liep naast de koning. Het vertrek was langzamer gegaan dan zij hadden gehoopt, want het had de Ruiters, die moesten lopen en hun paarden meevoeren, tijd gekost om paden over de dichtbeboste heuvelruggen achter hun kamp te vinden, naar omlaag het verscholen Steenwagendal in. Het was laat in de middag toen de leiders bij grote grijze bosjes kwamen die zich aan de oostzijde van de Amon Dîn uitstrekten, en een grote kloof in de rij heuvels die van Nardol naar Dîn naar het oosten en westen liepen, maskeerden. Door deze kloof had de vergeten wagenweg langgeleden naar beneden gelopen, terug naar de voornaamste paardenweg van de Stad door Anórien; maar nu hadden de bomen er vele mensengeslachten lang vrij spel gehad, en hij was verdwenen, gebroken en begraven onder de bladeren van talloze jaren. Maar het struikgewas bood de Ruiters hun laatste hoop op beschutting voordat zij zich openlijk in de strijd zouden storten; want daarachter lagen de weg en de vlakten van de Anduin, terwijl in het oosten en zuiden de hellingen kaal en rotsachtig waren, naarmate de grillige heuvels dichter bij elkaar kwamen en hoger werden, bastion na bastion, naar het grote massief en de ruggen van de Mindolluin oprijzend.

De voorste compagnie kwam tot staan, en toen zij die erachteraan kwamen in een rij uit de sleuf van het Steenwagendal kwamen, verspreidden zij zich en begaven zich naar de kampplaatsen onder de grijze bomen. De koning riep de aanvoerders bij zich om te beraadslagen. Éomer zond verkenners uit om de weg te verspieden, maar de oude Ghân schudde het hoofd.

‘Heeft geen zin om Paardenmensen te sturen,’ zei hij. ‘Wilde Mannen hebben al alles gezien wat er te zien valt in de slechte lucht. Zij zullen spoedig hier komen om met mij te spreken.’

De aanvoerders kwamen; en toen slopen er uit de bomen voorzichtig andere Púkelgestalten te voorschijn die zo op de oude Ghân leken, dat Merijn ze nauwelijks uit elkaar kon houden. Zij spraken met Ghân in vreemde keelklanken. Spoedig daarop wendde Ghân zich tot de koning. ‘Wilde Mannen zeggen vele dingen,’ zei hij. ‘In de eerste plaats, wees voorzichtig! Nog vele mannen in kamp achter Dîn, een uur gaans daarginds.’ Hij wuifde met de arm naar het westen naar het zwarte baken. ‘Maar niemand te zien tussen deze plek en de nieuwe muren van het Steenvolk. Velen druk bezig daar. Muren staan niet langer overeind; gorgûn sloeg ze omver met aardedonder en met knuppels van zwart ijzer. Ze zijn niet voorzichtig en kijken niet om zich heen. Zij denken dat hun vrienden alle wegen bewaken!’ Hierop maakte Ghân een vreemd rochelend geluid, en het scheen dat hij lachte.

‘Goed nieuws!’ riep Éomer. ‘Zelfs in deze duisternis straalt er weer hoop. De listen van onze Vijand komen ons vaak ten goede, hem ten spijt. De vervloekte duisternis zelf is een dekmantel voor ons geweest. En nu, omdat zij ernaar verlangen Gondor te vernietigen en het steen voor steen af te breken, hebben de orks mijn grootste vrees weggenomen. De buitenste muur had lang tegen ons kunnen worden verdedigd. Nu kunnen we erdoorheen stormen – als we eenmaal zover komen.’

‘Ik dank u nogmaals, Ghân-buri-Ghân van de bossen,’ zei Théoden. ‘Geluk zij met u voor uw nieuws en leiding!’

‘Dood gorgûn! Dood orkvolk. Geen andere woorden behagen Wilde Mannen,’ antwoordde Ghân. ‘Verdrijf slechte lucht en duisternis met blinkend staal!’

‘Wij zijn ver gereden om dat te doen,’ zei de koning, ‘en we zullen het beproeven. Maar wat wij zullen bereiken zal pas morgen blijken.’

Ghân-buri-Ghân hurkte neer en raakte de aarde met zijn eeltige voorhoofd aan ten teken van afscheid. Toen stond hij op alsof hij wilde heen gaan. Maar plotseling bleef hij omhoogkijken als een verschrikt bosdier dat een vreemde lucht opsnuift. Een licht kwam in zijn ogen.

‘Wind draait!’ riep hij uit en hierop, in een oogwenk scheen het, waren hij en zijn metgezellen in de schaduwen verdwenen en werden nooit meer door enige Ruiter van Rohan gezien.

Niet lang daarna klonk ver weg in het oosten weer het doffe geroffel van trommels. Maar in geen enkel hart van het hele leger kwam de angst op dat de Wilde Mannen trouweloos waren, hoe vreemd en onbeminnelijk ze er ook mochten uitzien.

‘We hebben verder geen begeleiding nodig,’ zei Elfhelm, ‘want er zijn ruiters in het leger die in dagen van vrede naar Mundburg zijn gereden. Ik ben er een van. Wanneer we bij de weg komen zal die naar het zuiden afbuigen, en daar zullen we nog eenentwintig mijl voor ons hebben eer we de muur van de stadslanden bereiken. Langs het grootste gedeelte van die weg is er veel gras aan beide kanten van de weg. Op dat stuk dachten de boodschappers van Gondor hun grootste snelheid te bereiken. Wij kunnen het snel en zonder groot gerucht afleggen.’

‘Omdat wij wrede daden moeten verwachten en al onze kracht nodig hebben, stel ik voor om te gaan rusten en vannacht daarheen op weg te gaan, en ons vertrek zo te bepalen, dat wij de velden bereiken wanneer de ochtend op haar helderst is, of wanneer onze heer het teken geeft,’ zei Éomer.

De koning keurde dit plan goed en de aanvoerders vertrokken.

Maar Elfhelm keerde weldra terug. ‘De verkenners hebben achter het grijze bos niets gevonden om te melden, heer,’ zei hij, ‘behalve twee mensen: twee dode mannen en twee dode paarden.’

‘En?’ vroeg Éomer. ‘Wat is ermee?’

‘Dit, Heer; het waren koeriers van Gondor; een van hen was misschien Hirgon. In elk geval omklemde zijn hand nog de Rode Pijl, maar zijn hoofd was afgeslagen. En dit ook; het ziet ernaar uit dat zij naar het westen vluchtten toen zij vielen. Naar ik vermoed, troffen zij de vijand al op de buitenmuur aan, of terwijl ze die aanvielen, toen zij terugkeerden – en dat zou twee nachten geleden geweest zijn als zij verse paarden van de posten gebruikten, zoals zij gewoonlijk doen. Zij konden de Stad niet bereiken en keerden terug.’